← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:1082

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8904251 \ CV EXPL 20-10139 Uitspraakdatum: 2 februari 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht AirHelp Limited statutair gevestigd te Hong Kong (China) eiseres hierna te noemen AirHelp gemachtigde mr. D.E. Lof tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Turk Havayollari A.O. statutair gevestigd te Ankara (Turkije), mede kantoorhoudende te Schiphol hierna te noemen de vervoerder gemachtigde mr. H. Bulut-Yazir 1Het procesverloop 1.

  1. AirHelp heeft bij dagvaarding van 13 november 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.
  2. AirHelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.
  3. [De passagier] (nader te noemen: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Sabiha Gokcen (Istanbul) naar Ben Gurion International Airport (Tel Aviv-Yafo) op 22 december
  4. 2.
  5. De vlucht met vluchtnummer TK 1962 van Amsterdam-Schiphol Airport naar Sabiha Gokcen (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd waardoor de passagier de aansluitende vlucht naar de eindbestemming heeft gemist. De passagier is omgeboekt naar een andere vlucht en is meer dan drie uur later op zijn eindbestemming aangekomen. 2.
  6. De passagier heeft zijn vordering gecedeerd aan AirHelp. 2.
  7. AirHelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging. 2.
  8. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering 3.
  9. AirHelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 400,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
  10. AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,
  11. 4Het verweer 4.
  12. De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen had kunnen worden. De vlucht kreeg te maken met een slot-vertraging veroorzaakt door een vertraging aangeduid met code 81, welke code staat voor “DUE TO EN-ROUTE DEMAND/CAPACITY”, oftewel er is sprake van capaciteitsproblemen onderweg naar de plaats van bestemming. Het intrekken van de oorspronkelijke slot-tijd en de toekenning van een latere slot-tijd is een besluit van de luchtverkeersleiding gericht aan het toestel. De vervoerder had hier geen invloed op en was genoodzaakt om de vlucht met vertraging uit te voeren. De passagier heeft hierdoor de aansluitende vlucht gemist en is door de vervoerder omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht met plaats naar zijn eindbestemming. 5De beoordeling 5.
  13. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 5.
  14. Vaststaat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming Ben Gurion International Airport, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden. 5.
  15. De vraag die voorligt is of de vervoerder met de overgelegde producties en zijn toelichting daarop, voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de passagier het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. 5.
  16. De vervoerder heeft aangevoerd dat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door restricties van de luchtverkeersleiding te Brussel. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de vervoerder, onder meer, de slotberichten, het vluchtrapport van de vlucht, alsmede het vluchtrapport van de voorafgaande vlucht overgelegd (producties 3 en 4 bij conclusie van antwoord). Uit de overgelegde slotberichten blijkt dat de luchtverkeersleiding de oorspronkelijke CTOT meerdere malen heeft herzien en dat de luchtverkeersleiding uiteindelijk een nieuwe CTOT van 16:19 uur (lokale tijd) aan het toestel heeft toegekend wegens vertragingscode
  17. Deze code staat voor: “DUE TO EN-ROUTE DEMAND/CAPACITY”. De vervoerder heeft daarbij aangevoerd dat sprake was van capaciteitsproblemen onderweg naar de plaats van bestemming. AirHelp betwist dat sprake is geweest van buitengewone omstandigheden, maar betwist niet de voorgenoemde omstandigheden. Een luchtvaartmaatschappij is altijd verplicht een CTOT op te volgen. Een CTOT is niet inherent aan de normale bedrijfsuitoefening en ligt buiten de macht van een luchtvaartmaatschappij. Niet is gebleken dat de vervoerder zelf om een nieuwe slot heeft verzocht. Het besluit van de luchtverkeersleiding is in het onderhavige geval dan ook aan te merken als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. 5.
  18. Naast vertragingscode 81, wordt in het vluchtrapport van de vlucht de codes 93Z en 16H genoemd. Daartoe heeft de vervoerder aangevoerd dat de voorafgaande vlucht (vlucht TK 1961) van Istanbul naar Amsterdam vertraagd is uitgevoerd, waardoor het toestel met vertraging in Amsterdam aankwam. De vertraging van de voorafgaande vlucht is veroorzaakt door harde wind te Amsterdam-Schiphol Airport, aldus de vervoerder. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de vervoerder de berichten van Eurocontrol overgelegd (productie 8 bij conclusie van antwoord). Met AirHelp is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder onvoldoende heeft uitgelegd hoe de vertraging van de voorafgaande vlucht effect heeft gehad op onderhavige vlucht. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om hierover duidelijkheid te verschaffen nu de vervoerder een beroep doet op buitengewone omstandigheden. De vertraging wegens code 93Z kan dan ook niet als een buitengewone omstandigheid worden aangemerkt. Dit geldt tevens voor vertragingscode 16H. Ten aanzien van deze code wordt door de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. 5.
  19. Nu de vertraging van de onderhavige vlucht deels door een buitengewone omstandigheid en deels door andere omstandigheden is veroorzaakt, dient te worden vastgesteld of de passagier zijn aansluitende vlucht zou hebben gehaald zonder de buitengewone omstandigheid. De passagier is om 21:15 uur aangekomen op Sabiha Gokcen Airport en de aansluitende vlucht naar Ben Gurion International Airport is om 21:05 uur vertrokken. Zonder de buitengewone omstandigheid van 48 minuten zou de vlucht om 20:27 uur te Istanbul arriveren. De minimale overstaptijd in Istanbul bedraagt 45 minuten. Indien geen buitengewone omstandigheid was opgetreden, dan zou de passagier de aansluitende vlucht alsnog missen. Hieruit volgt dan ook dat de uiteindelijke vertraging van de passagier op de eindbestemming niet het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. 5.
  20. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden niet. De kantonrechter komt dan niet toe aan de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen dan wel te beperken. De vordering tot betaling van de compensatie op grond van artikel 7 van de Verordening zal om die reden worden toegewezen. 5.
  21. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. 5.
  22. De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
  23. veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 400,00 vanaf 22 december 2018 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag; 6.
  24. veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd: dagvaarding € 100,89;griffierecht € 124,00;salaris gemachtigde € 150,00;vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 6.
  25. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  26. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.