Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/6301 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2022 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. [gemachtigde] MRE), en de heffingsambtenaar van de gemeente Texel, verweerder. Zitting De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen de bestreden besluiten van verweerder op 9 november 2022 op zitting behandeld. Namens eiseres heeft haar gemachtigde de zitting bijgewoond via een beeld- en geluidsverbinding. Verweerder was niet aanwezig. Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraken op bezwaar van verweerder van 5 oktober 2020. 1.2. Verweerder heeft – namens de gemeente Texel – bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ), de waarden van de onroerende zaken [adres] [plaats] (het hotel) en [adres] (Terras bij [adres] ) [plaats] (het terras; tezamen: de onroerende zaken) vastgesteld voor het kalenderjaar 2020 op € 3.539.000 respectievelijk € 32.000. In hetzelfde geschrift zijn ook aanslagen in de onroerende zaakbelastingen bekendgemaakt. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de beschikkingen ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de WOZ-waarden van de onroerende zaken gehandhaafd. 1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen overleg gevoerd. Partijen zijn toen tot overeenstemming gekomen over de waarden. Deze moeten volgens partijen worden vastgesteld op € 3.000.000 voor het hotel en worden gehandhaafd op € 32.000 voor het terras. Feiten 2. Eiseres is gebruiker van de onroerende zaken. Deze betreffen een hotel en een terras bij het hotel. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank zal beoordelen of de WOZ-waarden voor het jaar 2020 te hoog zijn vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Daarnaast gaat de rechtbank in op de vraag of eiseres recht heeft op vergoeding van de proceskosten en op een vergoeding voor geleden immateriële schade. Zijn de WOZ-waarden te hoog vastgesteld? 4. Partijen vinden dat de waarde van het hotel € 3.000.000 moet zijn. De rechtbank volgt partijen hier in. En dus zijn de waarde van het hotel en de daaruit volgende aanslag onroerendezaakbelasting te hoog vastgesteld. Het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar over het hotel slaagt. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar over het terras slaagt niet. Partijen vinden immers dat de waarde terecht op € 32.000 is vastgesteld. Heeft eiseres recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn? 5. Eiseres heeft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor het bepalen van de vergoeding van immateriële schade in geval van het overschrijden van de redelijke termijn, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar (24 maanden) nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. 6. Het bezwaarschrift is door verweerder op 5 maart 2020 ontvangen. Op het moment dat de rechtbank uitspraak doet (8 december 2022) is een periode van afgerond 33 maanden verstreken. Met de overschrijding van de redelijke termijn met afgerond negen maanden correspondeert een schadevergoeding van € 1.000. 7. Uit vaste jurisprudentie van de hoogte bestuursrechters blijkt dat uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Slechts wanneer het bestuursorgaan concrete omstandigheden aandraagt die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie, of wanneer de rechter zelf dergelijke omstandigheden onderkent, zal de rechter op dit punt onderzoek moeten verrichten. Komt hij tot de conclusie dat er van daadwerkelijke spanning en frustratie geen sprake is, dan dient hij dit in zijn uitspraak vast te stellen en te motiveren. 8.1. De rechtbank stelt vast dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning of frustratie. Ter toelichting dient het volgende. 8.2. In de volmacht die de gemachtigde heeft verstrekt is vermeld dat eiseres aan de gemachtigde overdraagt alle bestaande en toekomstige vorderingen uit hoofde van proceskostenvergoedingen en andere kostenvergoedingen “waaronder begrepen de immateriële vanwege onredelijke termijnoverschrijdingen”. Een eventuele vergoeding voor geleden immateriële schade is dus, na claim en toekenning, voor de gemachtigde. In de praktijk, zo is de rechtbank bekend, wordt die vergoeding na toekenning aan eiseres direct of indirect aan de gemachtigde uitbetaald. Blijkbaar is dit een beoogd onderdeel van de beloning voor de gemachtigde als rechtsbijstandverlener. Er wordt dus overeengekomen dat een eventuele vergoeding van die schade bij voorbaat voor de gemachtigde is. Op dat moment is nog geen sprake van die schade. Deze zou pas later, ten gevolge van de verstrekking van de volmacht en de daaruit volgende procedure, kunnen ontstaan. De omvang wordt ook pas later duidelijk. Dit alles wijst er op dat de verwachting bestaat dat de spanning en frustratie bij eiseres door een termijnoverschrijding niet heel groot zal zijn. Een termijnoverschrijding verhoogt in deze constructie in feite slechts de beloning voor de gemachtigde. De vergoeding dient zowel voorafgaand aan de procedure (bij het overeenkomen van de volmacht) als na het voeren van de procedure (na toekenning van een vergoeding voor immateriële schade), in feite niet ter compensatie van enig leed bij eiseres. Het had verder voor de hand gelegen dat, als daadwerkelijk de verwachting bestond dat bij een te lange duur van de procedure sprake zou zijn van spanning en frustratie bij eiseres, de vergoeding niet bij voorbaat zou worden toegekend aan de gemachtigde. Zeker omdat ten tijde van het tekenen van de volmacht niet duidelijk is of en in welke mate de redelijke termijn zal worden overschreden, en dus ook de hoogte van de vergoeding niet vast staat. Het is niet logisch dat, naarmate de procedure langer duurt en dus ook de te vergoeden spanning en frustratie bij eiseres zou moeten toenemen, de beloning voor de gemachtigde evenredig toeneemt en geen vergoeding voor eiseres resteert. Dit alles leidt ertoe dat getwijfeld kan worden aan het bestaan van daadwerkelijke spanning en frustratie bij eiseres door een termijnoverschrijding. 8.3. Verder treedt de gemachtigde namens eiseres op op “no cure no pay” basis. Dit blijkt uit de ter zitting gegeven toelichting. De gemachtigde heeft verklaard dat hij maandelijks op uurbasis declaraties aan eiseres uitreikt, dat hij daarbij de in verband met de procedure ontvangen vergoedingen verrekent en dat per saldo eiseres nooit meer dan die vergoedingen verschuldigd is. De gemachtigde is dus één van de gemachtigden die op voornoemde basis vele procedures voert over de vaststelling op grond van de Wet WOZ van de waarden van een onroerende zaken voor belanghebbenden (ncnp WOZ-gemachtigden). Het is de rechtbank bekend, ambtshalve en ook gelet op algemeen bekende informatie, dat ncnp WOZ-gemachtigden op dusdanige wijze optreden dat de belanghebbende voor wie zij optreden geen last, maar slechts een mogelijk voordeel heeft van een procedure (“niet geschoten altijd mis”). De enige eventuele kostenpost is het griffierecht. In de onderhavige procedure heeft de gemachtigde het griffierecht overigens tijdelijk – zo blijkt uit zijn relaas ter zitting – voor eigen rekening genomen. Verder heeft de betreffende belanghebbende geen enkel negatief belang bij een procedure; hij kan er op geen enkele wijze minder van worden. De bemoeienis van een dergelijke belanghebbende bij ‘zijn’ WOZ-procedure is minimaal. Na het tekenen van de volmacht is van betrokkenheid nauwelijks meer sprake, de inbreng van die belanghebbende is niet meer nodig. Het is de rechtbank ook ambtshalve bekend dat de feitelijke bemoeienis van dergelijke belanghebbenden bij namens hen gevoerde procedures nagenoeg nihil is. Ook in die zin heeft een dergelijke belanghebbende dus geen ‘last’ van een namens hem of haar gevoerde WOZ-procedure. Wel heeft een dergelijke belanghebbende een positief belang. Mogelijk wordt immers de WOZ-waarde van hun onroerende zaak verminderd waarna ook de daarop gebaseerde aanslag of aanslagen onroerendezaak-belastingen wordt dan wel worden verlaagd. Indien uitstel van betaling is verleend, heeft die belanghebbende ook nog een positief (rente)voordeel omdat hij de aanslag(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.