RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie en Jeugd locatie Alkmaar erkenning zaak-/rekestnr.: C/15/310917 / FA RK 20-6824 beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 11 februari 2022 in de zaak van: [de man] , wonende te [plaats] , hierna mede te noemen: de man, advocaat: mr. S. Kara, kantoorhoudende te Rotterdam, --tegen-- [de moeder] , wonende te [plaats] , hierna mede te noemen: de moeder, advocaat: mr. F.R. Menso, kantoorhoudende te Alkmaar. Het minderjarige kind [de minderjarige] wordt vertegenwoordigd door [bijzondere curator] , bijzondere curator. In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure opgeroepen: de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem, hierna te noemen: de Raad. 1Procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 8 december 2020; - het F9-formulier van de advocaat van de man van 21 juli 2021; - de beschikking van 23 augustus 2021, waarbij [bijzondere curator] , advocaat te Hoorn, is benoemd tot bijzondere curator; - het verslag, met bijlagen, van de bijzondere curator, ingekomen op 1 oktober 2021; - het verweerschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 17 januari 2022. 1.2. De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 januari 2022 in aanwezigheid van de man, bijgestaan door mr. S. Kara, en de moeder, bijgestaan door mr. F.R. Menso. Voor de man is verschenen de tolk [tolk] . Voorts is verschenen de bijzondere curator. Namens de Raad is verschenen [vertegenwoordiger van de raad] . 1.3. Op 21 januari 2022 is bij de rechtbank nog een brief ingekomen van mr. Menso namens de vrouw, die door de rechtbank voor kennisgeving is aangenomen. 2Feiten en omstandigheden 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. 2.2. Uit de moeder is op [geboortedatum] te [plaats] geboren het thans nog minderjarige kind:- [de minderjarige] (hierna mede te noemen: [de minderjarige] ). 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van 18 februari 2020 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de GI), welke ondertoezichtstelling laatstelijk is verlengd tot 18 augustus 2021. Bij toetsing voorgenomen besluit beëindiging ondertoezichtstelling van 28 juli 2021 heeft de Raad ingestemd met het voorgenomen besluit van de GI om de ondertoezichtstelling te beëindigen. De ondertoezichtstelling is niet meer verlengd. 3 3. Verzoek 3.1. Het verzoek van de man strekt tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] , als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Bij bericht van 21 juli 2021 is namens de man aangevoerd dat op de erkenning artikel 295 van het Turks Burgerlijk Wetboek (TBW) van toepassing is. 3.2. De man heeft zijn verzoek gebaseerd op de stelling dat hij de verwekker is van [de minderjarige] en dat de moeder zonder redelijke grond weigert toestemming voor de erkenning van [de minderjarige] te verlenen. De man heeft aangevoerd dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] niet schaadt en dat door de erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] niet in het gedrang komt. 3.3. De man heeft voorts verzocht om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen alsmede hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten. 4Verweer 4.1. De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht om, voor zover er naar Turks recht een erkenning tot stand is gekomen, die erkenning te vernietigen op grond van artikel 298 TBW. 5Beoordeling 5.1. Door de omstandigheid dat de man, de moeder en [de minderjarige] de Turkse nationaliteit hebben, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vragen dienen te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt en welk recht vervolgens van toepassing is. De rechtbank zal deze vragen per verzoek van de man dan wel de vrouw beoordelen. erkenning 5.2. De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht ten aanzien van het verzoek inzake de erkenning op grond van het bepaalde in artikel 3 aanhef en onder a. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat zowel de man, de moeder en [de minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. 5.3. De vraag naar het toepasselijk recht inzake de erkenning dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 10:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat artikel wordt onderscheid gemaakt tussen de bevoegdheid tot erkenning van de persoon die het kind wil erkennen en de toestemming van de moeder, dan wel het kind, tot die erkenning. bevoegdheid van de man 5.4. Uit artikel 10:95, lid 1 BW volgt -voor zover hier van toepassing- dat, of de erkenning door een persoon familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor erkenning, wordt bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Is ook volgens dat recht erkenning niet (meer) mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit. Bezit het kind de nationaliteit van meer dan één staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Is erkenning volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de persoon die wil erkennen. De man heeft de Turkse nationaliteit, zodat op de bevoegdheid van de man tot erkenning van [de minderjarige] het Turkse recht van toepassing is. 5.5. Ingevolge artikel 295 TBW geschiedt erkenning door verklaring van de vader met een schriftelijk verzoek aan de griffier of de rechtbank of door middel van een openbaar document of testament. 5.6. De rechtbank is van oordeel dat de man naar Turks recht bevoegd is het kind te erkennen en dat er naar Turks recht is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat op grond van artikel 295 TBW erkenning kan geschieden door een schriftelijke verklaring van de vader bij de rechtbank. De rechtbank merkt het verzoekschrift van de man aan als schriftelijke verklaring tegenover de rechtbank dat de man [de minderjarige] wil erkennen. De man heeft weliswaar bij verzoekschrift verzocht om vervangende toestemming voor erkenning, maar uit de tekst van het verzoekschrift alsmede het verhandelde ter zitting blijkt voldoende dat hij een erkenning van [de minderjarige] wenst. Voorts is voldaan aan de voorwaarde in voormeld artikel dat het kind niet verwant is met een andere man. 5.7. Alvorens te kunnen beslissen dient de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 10:95, derde lid, BW de vraag te beantwoorden of voor de erkenning van [de minderjarige] door de man de toestemming van de moeder is vereist. toestemming van de moeder 5.8. In artikel 10:95, derde lid, BW is -voor zover hier van toepassing- bepaald dat ongeacht het ingevolge artikel 10:95 lid 1 BW toepasselijke recht, op de toestemming van de moeder tot de erkenning toepasselijk is het recht van de staat waarvan de moeder de nationaliteit bezit. Bezit de moeder de nationaliteit van meer dan één staat, dan is toepasselijk het nationale recht volgens hetwelk toestemming is vereist. Bezit de moeder de Nederlandse nationaliteit, dan is het Nederlandse recht van toepassing, zulks ongeacht of de moeder naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere nationaliteit bezit. Indien het toepasselijke recht de erkenning niet kent, is toepasselijk het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de moeder. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. 5.9. De moeder heeft ter zitting haar stelling dat op grond van artikel 10:17 BW op haar persoonlijke staat Nederlands recht van toepassing is, ingetrokken. De moeder heeft de Turkse nationaliteit, zodat op de toestemming van de moeder het Turkse recht van toepassing is. Volgens dit recht is toestemming van de moeder tot erkenning van [de minderjarige] door de man niet vereist. Nu het Turkse recht de toestemming voor erkenning niet kent, is in het Turkse recht evenmin een bepaling opgenomen ten aanzien van mogelijke vervangende toestemming. 5.10. De rechtbank is van oordeel dat naar Turks recht thans de erkenning van [de minderjarige] door de man tot stand is gekomen. Op grond van artikel 296 TBW dient de rechtbank de erkenning mee te delen aan de ambtenaren van de burgerlijke stand, van de plaats waar in het register de vader en het kind ingeschreven staan. De burgerlijke stand dient de erkenning mee te delen aan het kind en de moeder. Gelet hierop zal de rechtbank de griffier opdragen een afschrift van deze beschikking te zenden aan de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] , [gemeente] en [gemeente] . De rechtbank zal voorts de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] gelasten de erkenning aan de vrouw en [de minderjarige] mee te delen. verzoek vernietiging erkenning 5.11. De moeder heeft verzocht om de erkenning te vernietigen op grond van Turks recht. Zij is het niet eens met een erkenning van [de minderjarige] door de man. 5.12. De Nederlandse rechter heeft ten aanzien van het verzoek inzake de vernietiging van de erkenning eveneens op grond van het bepaalde in artikel 3 aanhef en onder a. Rv rechtsmacht, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat zowel de man, de moeder en [de minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. 5.13. De vraag naar het toepasselijk recht dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 10:96 juncto artikel 10:95 BW: of en op welke wijze een erkenning kan worden tenietgedaan, wordt, wat betreft de bevoegdheid van de persoon die het kind heeft erkend en de voorwaarden voor de erkenning, bepaald door het ingevolge artikel 10:95 lid 1 BW toegepaste recht, in deze zaak Turks recht. 5.14. De moeder kan naar Turks recht, op grond van artikel 298 TBW in samenhang met artikel 299 TBW, indien zij het niet eens is met de erkenning, een verzoek doen tot het teniet doen van de erkenning, indien zij kan bewijzen dat de erkenner niet de vader is van het kind. 5.15. Tussen partijen is niet in geding dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] . Dit is ter zitting door zowel de man als de moeder bevestigd. Daarmee is niet voldaan aan de in artikel 299 TBW gestelde voorwaarde dat de moeder moet bewijzen dat de erkenner niet de vader is. Op grond hiervan kan het verzoek van de moeder tot tenietdoen van de erkenning niet worden toegewezen. 5.16. De moeder heeft voorts verzocht om de erkenning te niet te doen omdat erkenning van [de minderjarige] door de man niet in het belang van [de minderjarige] is. 5.17. De rechtbank is van oordeel dat de Turkse wet geen grondslag biedt voor de mogelijkheid om een erkenning aan te vechten op de door de moeder gestelde grond, zodat ook deze stelling van de moeder niet kan leiden tot het tenietdoen van de erkenning. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij het in het belang van [de minderjarige] acht dat haar biologische vader ook haar juridische vader is. de bijzondere curator 5.18. [bijzondere curator] is bij beschikking van 23 augustus 2021 tot bijzondere curator voor [de minderjarige] benoemd. Op 1 oktober 2021 heeft de bijzondere curator verslag uitgebracht. De bijzondere curator heeft met zowel de man als de moeder een gesprek gevoerd en deze gesprekken in haar verslag weergegeven. De bijzondere curator heeft voorts uitvoerig stilgestaan bij de internationaal privaatrechtelijke aspecten ten aanzien van de erkenning. De bijzondere curator heeft tot slot geconcludeerd om, indien Turks recht van toepassing is, het verzoek van de man tot erkenning toe te wijzen, en, indien Nederlands recht van toepassing is, het verzoek om vervangende toestemming tot erkenning af te wijzen. 5.19. Namens de man is betoogd dat er, gelet op het feit dat Turks recht van toepassing is op de zaak, voor zover die ziet op de erkenning, geen ruimte is voor de beoordeling van de bijzondere curator. 5.20. De rechtbank stelt vast dat, nu zij heeft geoordeeld dat in deze zaak op het onderdeel afstamming Turks recht van toepassing is, geen rol meer is weggelegd voor de bijzondere curator. In tegenstelling tot artikel 10:93 BW is in artikel 10:96 BW geen aparte bepaling opgenomen waarin artikel 1:212 BW ook van toepassing is verklaard indien buitenlands recht van toepassing is op de erkenning. Het voorgaande leidt ertoe dat, nu Turks recht van toepassing is op zowel de totstandkoming van de erkenning als de verzochte vernietiging van de erkenning, er voor de bijzondere curator geen rol meer is weggelegd. De rechtbank zal dan ook niet verder ingaan op het verslag van de bijzondere curator. gezag 5.21. Op grond van artikel 8, eerste lid, Brussel II bis heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om kennis te nemen van het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag over [de minderjarige] , omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is. 5.22. Op grond van artikel 15 het HKBV 1996 oefenen de autoriteiten van de Verdragsluitende Staten de bevoegdheid die hun ingevolge het bepaalde in Hoofdstuk II van dit Verdrag is toegekend uit onder de toepassing van hun interne recht, in dit geval Nederlands recht. 5.23. [de minderjarige] is in Nederland geboren en heeft sindsdien haar gewone verblijfplaats in Nederland. De moeder is sinds de geboorte van [de minderjarige] op grond van artikel 1:253b BW belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . Door de hiervoor vermelde erkenning van de man van [de minderjarige] ontstaat niet van rechtswege gezamenlijk gezag. Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.