← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:1117

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Strafrecht Zittingsplaats Haarlem Parketnummer : 15/019201-21 Raadkamernummer : 22-001299 Uitspraakdatum : 7 februari 2022 beslissing van de politierechter op het bezwaar op grond van artikel 6:3:3 en artikel 6:6:23 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [veroordeelde] , woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T.H. Kapinga, advocaat te (1506 EK) Zaandam, Westzijde 154, hierna te noemen: de veroordeelde. Feiten De politierechter heeft bij vonnis van 8 april 2021 de veroordeelde een taakstraf van 70 uren met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht opgelegd en bevolen dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet (naar behoren) verricht, vervangende hechtenis van 35 dagen zal worden toegepast. Het vonnis is onherroepelijk. Het Openbaar Ministerie heeft op 27 september 2021 beslist dat vervangende hechtenis voor de duur van 17 dagen wordt toegepast en hiervan aan de veroordeelde kennis gegeven. De kennisgeving van deze beslissing is op 21 januari 2022 aan de veroordeelde betekend. Procedure Het bezwaar is op 17 januari 2022 op de griffie van deze rechtbank ingediend. De rechtbank heeft op 7 februari 2022 het bezwaar op de openbare terechtzitting behandeld. De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de veroordeelde, mr. T.H. Kapinga en de officier van justitie op zitting gehoord. De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet op zitting verschenen. Bezwaar Het bezwaar richt zich tegen de kennisgeving door het Openbaar Ministerie. Het strekt ertoe dat de rechtbank de beslissing van het Openbaar Ministerie tot toepassing van de vervangende hechtenis wijzigt en de veroordeelde in de gelegenheid stelt (het restant van) de taakstraf alsnog te verrichten. De verdediging heeft ter terechtzitting kort samengevat het volgende aangevoerd. De veroordeelde wil enerzijds graag nog een kans krijgt het restant de taakstraf alsnog uit te voeren. De veroordeelde heeft zijn bereidheid hieromtrent aangetoond door 34 uren reeds te hebben gewerkt. Anderzijds wilde de veroordeelde zijn zoon graag (blijven) zien en hij heeft zichzelf gemeld bij de politie en zijn taakstraf reeds uitgezeten. De veroordeelde is sinds gisteren, 6 februari 2022, in vrijheid gesteld. De veroordeelde verzoekt de rechtbank het bezwaarschrift gegrond te verklaren. Standpunt van de reclasseringUit het rapport van Reclassering Nederland, RN Werkstrafunit Noord-West Team 3 van 16 september 2021, opgemaakt door [medewerker blijkt] dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet volledig heeft verricht. Voordat de taakstraf definitief als mislukt werd beschouwd, heeft de veroordeelde 34 uren van de opgelegde taakstraf uitgevoerd. Uit de rapportage blijkt – kort samengevat: Reclassering Nederland is van mening dat er meer dan voldoende rekening is gehouden met betrokkene. Zo is hij meerdere keren uit de planning gehaald, voor eigen werk, privéomstandigheden of ziekte. Hij is in een eerder stadium op eigen verzoek nog overgeplaatst van het groepsproject in Haarlem naar Schagen. Helaas is gebleken dat betrokkene niet in staat is om de gemaakte afspraken na te komen. Door de kansen die hij al heeft gehad staan wij niet bereidwillig tegenover een herkansing als betrokkene bezwaar maakt tegen het omzetten van de werkstraf. Betrokkene heeft 34 van de 68 uur gewerkt. Standpunt van het Openbaar Ministerie De veroordeelde heeft genoeg kansen gekregen van de reclassering. Bovendien verliep een eerdere taakstraf ook al moeizaam. Nu de veroordeelde zijn taakstraf reeds heeft uitgezeten, er is geen belang meer bij dit bezwaarschrift. De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat het bezwaar niet ontvankelijk verklaard dient te worden en subsidiair niet gegrond. Beoordeling Ontvankelijkheid Uit de stukken van het procesdossier blijkt dat de kennisgeving van de beslissing ‘Vervangende hechtenis’ van 27 september 2021 op 21 januari 2022 aan de veroordeelde is betekend. Het bezwaarschrift reeds op 17 januari 2022 ingediend. De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde reeds op de hoogte was geraakt van het advies van de reclassering de tenuitvoerlegging van (het restant van) de vervangende hechtenis te bevelen. Het bezwaar is weliswaar prematuur, maar door de inmiddels ondergane vervangende hechtenis alsnog tijdig ingediend en de veroordeelde is in die zin ontvankelijk in zijn bezwaar. De rechtbank stelt vast dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis van de veroordeelde reeds heeft plaatsgevonden. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde daarmee nog steeds belang heeft bij de behandeling van zijn bezwaar. Weliswaar kan aan veroordeelde geen ‘herkansing’ worden geboden door een positieve beslissing op zijn bezwaar, maar bij een gegrondverklaring heeft hij daarmee eventueel de gelegenheid om een verzoek tot schadevergoeding te doen. Hij heeft dus belang bij de inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar. Veroordeelde is dus ook in die zin ontvankelijk in zijn bezwaar. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak onder bovenvermeld parketnummer, waaronder: het hiervoor genoemde vonnis; het rapport van Reclassering Nederland, RN Werkstrafunit Noord-West Team 3 van 16 september 2021, met het advies de tenuitvoerlegging van (het restant van) de vervangende hechtenis te bevelen; de kennisgeving van de beslissing tot toepassing van de vervangende hechtenis; het bezwaar van de veroordeelde. Nu de veroordeelde de taakstraf niet volledig heeft verricht, heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in zoverre op goede gronden bevolen. De rechtbank is op grond van de hierboven genoemde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat de veroordeelde verwijtbaar de opgelegde taakstraf niet (volledig) heeft verricht. Uit de rapportage van Reclassering Nederland volgt dat de reclassering de veroordeelde veel kansen heeft geboden om zijn taakstraf uit te voeren. Uit hetgeen door de veroordeelde is aangevoerd en zijn persoonlijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken van de aanwezigheid van uitzonderlijke omstandigheden. Uit het vorenstaande volgt dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard. Beslissing De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. L.J. Saarloos, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bähler, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.