RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummers: 15/870666-18 (zaak A) en 15/710006-22 (zaak B) (t.t.z. gev.) Uitspraakdatum: 20 december 2022 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 september 2022, 2 september 2022, 12 september 2022, 16 september 2022, 29 september 2022, 11 oktober 2022 en 6 december 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum- en plaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] . De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk zaak A en zaak B genoemd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. K. Sanders en mr. G. Visser en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, heeft schuldig gemaakt aan: Zaak A Feit 1 (C4) Primair Het op of omstreeks 18 mei 2018 medeplegen van de invoer van 21.074 gram cocaïne. Subsidiair Het op om omstreeks 18 mei 2018 medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van heroïne en/of cocaïne. Feit 2 (C8) Primair Het op of omstreeks 6 juni 2018 medeplegen van de invoer van 11.026 gram heroïne. Subsidiair Het in of omstreeks de periode van 3 juni 2018 tot en met 6 juni 2018 medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van heroïne. Feit 3 (C12) Primair Het op of omstreeks 26 juli 2018 medeplegen van de invoer van 19.434 gram heroïne en/of 10.086 gram cocaïne. Subsidiair Het in of omstreeks de periode van 12 juli 2018 tot en met 28 juli 2018 medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van heroïne en/of cocaïne. Feit 4 (C14) Primair Het op of omstreeks 13 augustus 2018 medeplegen van de invoer van 7.936 gram heroïne. Subsidiair Het in of omstreeks de periode van 11 augustus 2018 tot en met 13 augustus 2018 medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van heroïne en/of cocaïne. Zaak B Feit 1 (C5) Primair Het op of omstreeks 20 mei 2018 medeplegen van de invoer van heroïne en/of cocaïne. Subsidiair Het in of omstreeks de periode van 19 mei 2018 tot en met 20 mei 2018 medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van heroïne en/of cocaïne. Feit 2 (C7) Primair Het op of omstreeks 3 juni 2018 (meermalen) medeplegen van de invoer van heroïne en/of cocaïne. Subsidiair Het in of omstreeks de periode van 31 mei 2018 tot en met 3 juni 2018 medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van heroïne en/of cocaïne. Feit 3 (C13) Primair Het op of omstreeks 7 augustus 2018 medeplegen van de invoer van 10.003 gram cocaïne en 9.928 gram heroïne. Subsidiair Het in of omstreeks de periode van 24 juli 2018 tot en met 7 augustus 2018 medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van heroïne en/of cocaïne. De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2Voorvragen Beroep op gedeeltelijke nietigheid van de dagvaarding in zaak A De raadsman van de verdachte heeft zich (eerst) bij pleidooi op het standpunt gesteld dat de dagvaarding in zaak A gedeeltelijk nietig verklaard moet worden, namelijk ten aanzien van het in die zaak onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit (zaak C12). Het is volgens de raadsman niet duidelijk of de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen zien op de drugs die op 26 juli 2018 in beslag zijn genomen of op pogingen om op 13 en 24 juli 2018 drugs in te voeren. De rechtbank overweegt als volgt. De tenlastelegging in zaak A onder 3 subsidiair ziet – kort gezegd – op de beschuldiging van het medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van de invoer van heroïne en/of cocaïne in de periode van 12 juli 2018 tot en met 28 juli
(2)gegeven aan jou toch? (…) Eentje niet vinden abi. Alleen eentje.. De bruine niet gooi..gooi als je die ..abi die bruine gooi maar bij de zelfde plek terug op de grond ik ga pakken” [verdachte] : “Nee nu niet, ben nu bijna buiten. Kan niet” Om 07:51 uur verlaat [verdachte] bij doorlaatpost 90 het beveiligde gebied en rijdt met een bedrijfsauto van [naam bedrijf] naar P30. Daar parkeert hij de bedrijfsauto bij zijn eigen auto en laadt een bruine koffer en een zwarte vuilniszak van de bedrijfsauto in zijn eigen auto. Om 08:02 uur rijdt [verdachte] het beveiligde terrein op met de bedrijfsauto. Om 08:10 uur stuurt [verdachte] [naam 6] een sms met het verzoek naar Pier C te komen waarop [naam 6] antwoordt dat hij nu komt. [verdachte] en [naam 6] zijn vervolgens beiden om 08:20 uur ter hoogte van gate C8 en praten met elkaar. Om 13:00 uur ontvangt [verdachte] een sms van [naam 6] met de tekst: “3 uur achter moskee”. Diezelfde dag rond 14:00 uur heeft het onderzoeksteam de auto van [verdachte] doorzocht. In de kofferbak wordt een bruin gekleurde tas/koffer van het merk Summit aangetroffen met daarin pakketten met verdovende middelen. [verdachte] is vervolgens om 14:05 uur aangehouden. Aanvullend onderzoek heeft uitgewezen dat de Summit tas 8 zakken met een totaalgewicht van 7.935,9 gram heroïne bevatte. Tijdens de aanhouding van [verdachte] is zijn mobiele telefoon in beslag genomen. Het onderzoeksteam ziet daarop om 15:41 uur een sms van [naam 6] binnenkomen met de vraag waar [verdachte] is. Het telefoonnummer van [naam 6] straalt op dat moment een zendmast aan op de [adres 2] in Amsterdam, op ongeveer 300 meter afstand van de [naam moskee] Moskee aan de [adres 9] 119. Het onderzoeksteam besluit dan de telefoon van [verdachte] over te nemen om hiermee contact te kunnen houden met [naam 6] en deze te kunnen aanhouden. Om 15:21 uur belt [naam 6] met een onbekend gebleven persoon (*6242) die vraagt hoe laat [naam 6] bij hem zal zijn. [naam 6] antwoordt dat hij het “nu” gaat ophalen dat hij daarna meteen zal komen. Om 16:07 uur stuurt het onderzoeksteam met de telefoon van [verdachte] een sms naar [naam 6] met de tekst: “Abi war ben je nyt bel ben onderweg”. Daarop ontvangt [verdachte] om 16:08 uur een sms van [naam 6] : “Ok ben achter moskee”. Zoals hiervoor in paragraaf 4.3.2. al is beschreven, is er vanaf 15:45 uur geobserveerd in de omgeving van de moskee. Daarbij wordt een Volkswagen Polo gesignaleerd, die op het [adres 3] , dichtbij de moskee, staat geparkeerd. Op het moment dat het onderzoeksteam met de telefoon van [verdachte] belt naar [naam 6] (nummer * [telefoonnummer 23] ) neemt een lid van het observatieteam waar dat de inzittende van de Polo gebruik maakt van een telefoon. Daarop is [naam 6] , de inzittende van de Polo, aangehouden. Beoordeling De rechtbank acht gelet op het samenstel van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd en in samenhang bezien met de bewijsmiddelen ten aanzien van zaak A feit 4 (C14) zoals opgenomen in Bijlage II, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich op 13 augustus 2018 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (verlengde) de invoer van heroïne op 13 augustus 2018. De rechtbank overweegt daarbij het volgende. Verlengde invoer Evenals in andere zaaksdossiers wordt [verdachte] in C14 primair ten laste gelegd dat hij zich samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het binnen het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs. Zoals hiervoor al is overwogen, moet het begrip ‘binnen het grondgebied van Nederland brengen’ extensief worden geïnterpreteerd; het verbod ziet ook op “verlengde” invoer van verdovende middelen. Opzet De vraag of [verdachte] opzet heeft gehad op de (verlengde) invoer van heroïne beantwoordt de rechtbank bevestigend en zij verwijst voor de motivering hiervan naar hetgeen zij hierover ten aanzien van C4 heeft overwogen. Medeplegen Voor het toetsingskader voor medeplegen verwijst de rechtbank eveneens naar hetgeen zij hiervoor met betrekking tot C4 heeft overwogen en overweegt aanvullend het volgende. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] bij deze drugsinvoer een actieve rol speelde Hij heeft al op 11 augustus 2018 contact met [naam 6] om zijn ( [verdachte] ) beschikbaarheid af te stemmen en op 12 augustus 2018, de dag voorafgaand aan de invoer, ontvangt hij van [naam 6] een sms met het tijdstip waarop [verdachte] de volgende dag beschikbaar moet zijn. In de ochtend van 13 augustus 2018 is hij in het beveiligde gebied van de luchthaven aanwezig, ontvangt hij van [naam 6] opnieuw een sms met een tijdstip waarop hij ( [verdachte] ) beschikbaar moet zijn en bespreekt hij met [naam 6] hoe een door [naam 6] aangestuurde derde de tas zal overdragen aan [verdachte] . Daarna stemt [verdachte] met [naam 6] af waar en wanneer [verdachte] die tas aan [naam 6] zal overdragen buiten het beveiligde gebied van de luchthaven. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat [verdachte] nauw en bewust heeft samengewerkt met [naam 6] en anderen bij de (verlengde) invoer van heroïne op 13 augustus 2018. Die samenwerking is zodanig intensief geweest en de rol van [verdachte] daarbij was van een dusdanig materieel gewicht dat sprake is van medeplegen. Aanvullend met betrekking tot opzet Ten aanzien van het opzet merkt de rechtbank volledigheidshalve nog op dat bij al het voorgaande geldt dat [verdachte] , door de bagage niet te controleren en/of na te laten te informeren wat er precies ingevoerd werd, ten minste voorwaardelijk opzet op de ingevoerde hoeveelheden en de soort van de harddrugs (heroïne en/of cocaïne) had. Overige bewijsverweren De door de raadsman gevoerde bewijsverweren, voor zover nog niet afzonderlijk genoemd, zien op de waardering van de feiten, die hiervoor besproken zijn. Die verweren vinden alle hun weerlegging in de bewijsmiddelen en de waardering daarvan door de rechtbank, zoals hiervoor vermeld. 4.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in zaak A onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 primair en in zaak B onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat Zaak A Feit 1 (C4) Primair hij op 18 mei 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne; Feit 2 (C8) Primair hij op 6 juni 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 11.026 gram van een materiaal bevattende heroïne; Feit 3 (C12) Subsidiair hij in de periode van 12 juli 2018 tot en met 26 juli 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen: één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en/of om daartoe gelegenheid en/of inlichtingen te verschaffen, en/of zich en/of één of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of vervoermiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en), hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(
- s)en/of anderen - ( telefonisch en fysiek) gecommuniceerd en afspraken gemaakt over de datum en tijdstip van aankomst van een of meer zendingen verdovende middelen en/of het doorgaan van die zendingen verdovende middelen en - ( telefonisch) gecommuniceerd en afspraken gemaakt over het aanwezig zijn en/of het gereed staan op of in de omgeving van airside van de luchthaven Schiphol om reizigersbagage met verdovende middelen uit de lading van een binnenkomende vlucht te (laten) halen en/of in ontvangst te (laten) nemen en/of te (laten) vervoeren en/of over te (laten) dragen en - zich (volgens afspraak) naar de luchthaven Schiphol begeven en aldaar of in de omgeving aanwezig geweest en zich gereed gehouden en - een vervoermiddel voorhanden gehad; Feit 4 (C14) Primair hij op 13 augustus 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 7.936 gram van een materiaal bevattende heroïne; Zaak B Feit 1 (C5) Primair hij op 20 mei 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne; Feit 2 (C7) Primair hij op 3 juni 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne; Feit 3 (C13) Primair hij op 7 augustus 2018 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 10.003 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 9.928 gram van een materiaal bevattende heroïne. Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 5Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: Zaak A Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair, feit 4 primair, telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Ten aanzien van feit 3 subsidiair: medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen en/of een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid, en/of inlichtingen te verschaffen en/of zich en/of een ander gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of vervoermiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Zaak B Ten aanzien van feit 1 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 primair, telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar. 6Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar. 7Motivering van de sanctie 7.1 Standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenhalf jaar met aftrek van het voorarrest, dit na compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn. 7.2 Standpunt van de verdediging Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging komt heeft de raadsman verzocht rekening te houden met onder meer het blanco strafblad van de verdachte, diens leeftijd, de overschrijding van de redelijke termijn, de invoering van de Wet beschermen en straffen en het feit dat de rol van de verdachte niet als die van ‘chef’ kan worden gekarakteriseerd. 7.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich zevenmaal samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van heroïne en/of cocaïne, waarvan twee keer op dezelfde dag, en eenmaal aan het plegen van voorbereidingshandelingen hiertoe. De verdachte heeft zich hiermee begeven op het terrein van internationale handel in verdovende middelen. De verdachte heeft hierbij zowel een aansturende als een uitvoerende rol gespeeld. Gelet op het procesdossier, het feit dat hieruit blijkt dat in de zaken waarin harddrugs is inbeslaggenomen het steeds gaat om aanzienlijke hoeveelheden variërend van acht kilogram tot zo’n zevenentwintig kilogram, in samenhang met de vele overeenkomsten tussen de verschillende zaken, gaat de rechtbank er met het oog op de straftoemeting van uit dat het in de gevallen waarin de hoeveelheden heroïne en/of cocaïne onbekend zijn gebleven, ook hoeveelheden in die orde van grootte betrof. Een dergelijke substantiële hoeveelheid moet bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Heroïne en cocaïne zijn voor de gebruikers ervan zeer schadelijke stoffen. Harddrugs als heroïne en cocaïne leiden vaak, direct en indirect, tot andere vormen van criminaliteit, waaronder (ernstige) geweldscriminaliteit en misdrijven die een bedreiging zijn voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Ook worden er regelmatig strafbare feiten gepleegd door de gebruikers van deze middelen om hun behoefte aan deze stof te kunnen financieren. Als Schipholmedewerker heeft de verdachte een wezenlijke rol gehad bij het plegen deze feiten, omdat hij zich door het gebruik van zijn Schipholpas en van bedrijfsauto’s buiten de douane om vrijelijk over het beveiligde terrein van Schiphol kon bewegen. Hij heeft daarmee misbruik gemaakt van zijn positie, waardoor hij bij uitstek beschikte over mogelijkheden voor de smokkel van verdovende middelen. Voor de bestrijding van de internationale handel in harddrugs is het van groot belang dat vooral ook medewerkers van een (lucht)haven weerstand bieden tegen de verleiding zich in te laten met de invoer van harddrugs. De verdachte deed dit niet, had voor de hiervoor genoemde gevolgen geen oog en was kennelijk slechts uit op eigen financieel gewin. De persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 5 augustus 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van enig misdrijf is veroordeeld. De op te leggen straf Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken van deze omvang plegen te worden opgelegd, kan niet anders dan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur worden volstaan. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren passend en geboden. Redelijke termijn In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt hierbij geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van een verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat in deze zaak van het uitgangspunt van twee jaren moet worden afgeweken. De keuze van het Openbaar Ministerie om de zaken van het aanzienlijke aantal verdachten in het onderzoek Ryeford-Monston gelijktijdig ter berechting aan te brengen, acht de rechtbank gelet op de inhoud van en samenhang tussen de verschillende zaken van onvoldoende gewicht om ten nadele van de verdachte uit te gaan van een duur van de redelijke termijn die langer is dan de gebruikelijke twee jaren. Ook de coronapandemie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die in dit specifieke geval een langere duur rechtvaardigt. De rechtbank gaat daarom uit van een duur van twee jaren vanaf het moment dat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen, waarbinnen tot een eindvonnis had moeten worden gekomen. De rechtbank is van oordeel dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 13 augustus 2018, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. De verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Het eindvonnis wordt heden, op 20 december 2022, gewezen. De rechtbank stelt daarom vast dat de redelijke termijn daarmee met (ruim) achtentwintig maanden is overschreden. De rechtbank compenseert deze termijnoverschrijding door de duur van de op te leggen gevangenisstraf te verminderen met zestien maanden. Wet straffen en beschermen Op 1 juli 2021 is de Wet straffen en beschermen in werking getreden. Deze wet wijzigt de gehele detentiefasering, waaronder de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). De wetgever heeft ervoor gekozen niet te voorzien in een regeling van overgangsrecht zodat de regeling onmiddellijke werking heeft, in die zin dat op vonnissen gewezen na 1 juli 2021 het nieuwe regime van toepassing is. De nieuwe VI-regeling behelst aldus de executie van straffen en geen wijziging in de aard en de maximale duur van de op te leggen straf. Er is ook anderszins geen rechtsregel die de rechter voorschrijft om bij de strafoplegging met de gevolgen van de gewijzigde regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling rekening te houden. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond om in de onderhavige zaak in strafmatigende zin rekening te houden met de nieuwe regeling. Duur van de gevangenisstraf Mede gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van wat de officieren van justitie hebben gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van tweeënnegentig maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden en zal dit aan de verdachte opleggen. Tenuitvoerlegging Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is. Voorlopige hechtenis De officieren van justitie hebben in hun requisitoir gevorderd dat de rechtbank bij vonnis de gevangenneming van de verdachte, dan wel de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis zal bevelen (pagina 8 van het ‘requisitoir strafmaat’). Ten tijde van het uitspreken van het requisitoir was de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst. Na repliek en dupliek heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven. De rechtbank legt de vordering van de officieren van justitie aldus uit dat zij thans de gevangenneming van de verdachte vorderen. Hoewel aan de verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur zal worden opgelegd, zal de rechtbank de vordering tot gevangenneming van de verdachte afwijzen. Bij de beslissing de geschorste voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen heeft de rechtbank overwogen dat de ernstige bezwaren die tot het bevel voorlopige hechtenis hebben geleid nog onverkort bestaan, maar dat er geen gronden (geschokte rechtsorde en/of gevaar voor herhaling) meer zijn om de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Dit is ook thans nog het geval. Daarbij geldt dat bij de behandeling van een strafzaak het uitgangspunt is, en dat blijft het ook na de onderhavige veroordeling, dat een verdachte een eventueel hoger beroep in vrijheid mag afwachten. Dit veroordelende vonnis maakt dat niet anders. De hoogte van de op te leggen straf levert op zichzelf evenmin een grond op voor een nieuw bevel tot voorlopige hechtenis. Daarbij weegt de rechtbank het aanzienlijke tijdsverloop in deze zaak mee. De officieren van justitie hebben hun standpunt dat de voorlopige hechtenis van de verdachte bij een veroordelend vonnis dient te herleven mede gebaseerd op artikel 75, eerste lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Deze bepaling houdt in dat een bevel tot voorlopige hechtenis ook kan worden gegeven of verlengd op de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging. Deze bepaling is gezien haar plaats in de wet en haar bewoordingen uitsluitend gericht aan de appelrechter en dient daarom bij de onderhavige beoordeling buiten beschouwing te blijven. 8Bijkomende straf Verbeurdverklaring Op 13 en 14 augustus 2018 zijn onder de verdachte, onder andere, de volgende voorwerpen in beslag genomen (nummers 2, 3, 7, 8, 10, 11 en 31 op de beslaglijst): 1 STK personenauto Mercedes C220 cdi (18-068739-2) 1 STK telefoontoestel, Nokia (18-068739-3) 1 STK telefoontoestel, Nokia (18-068739-7) 1 STK telefoontoestel, Nokia (18-068739-8) 1 STK autosleutel Mercedes Benz(18-068739-10) 1 STK telefoontoestel, Nokia (18-068739-11) 1 STK KLM-label(18-068739-12). Deze voorwerpen zijn niet teruggegeven. De officieren van justitie hebben gevorderd dat genoemde voorwerpen worden verbeurd verklaard. De verdediging heeft de rechtbank verzocht de teruggave aan de verdachte te gelasten van de Mercedes personenauto. Over het overige beslag heeft de raadsman zich niet uitgelaten. De rechtbank is van oordeel dat genoemde voorwerpen, overeenkomstig de vordering van de officieren van justitie, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van die voorwerpen, die aan de verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2, 10, 10a van de Opiumwet. 10Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak A onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 primair en in zaak B onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de in zaak A onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 primair en in zaak B onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5 vermelde strafbare feiten opleveren. Verkla