RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8220146 \ CV EXPL 19-19173 Uitspraakdatum: 2 februari 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [passagier sub 1] ,
- [passagier sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff en mr. M.J.R. Hannink namens EUclaim B.V. tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht, Egyptair gevestigd te Caïro, Egypte, mede kantoorhoudende te Amsterdam gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. T. Teke 1Het procesverloop 1.
- De passagiers hebben bij dagvaarding van 23 september 2019 vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagiers hebben hierna nog een akte genomen. 2De feiten 2.
- De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport via Caïro International Airport (Egypte) naar Jomo Kenyatta International Airport Nairobi (Kenia) op 29 en 30 december
- 2.
- Het eerste deel van de vlucht (van Amsterdam naar Caïro) is vertraagd uitgevoerd. Door de vertraging hebben de passagiers hun aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een andere vlucht. De passagiers zijn met 9 uur en 44 minuten vertraging aangekomen op hun eindbestemming. 2.
- De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging. 2.
- De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering 3.
- De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 december 2017, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 181,50 dan wel 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 23 januari 2018 dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
- De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier. 4Het verweer 4.
- De vervoerder betwist de vordering. Hij voert aan dat de vlucht van Amsterdam naar Caïro tijdig gereed stond voor vertrek. De luchthaven van Amsterdam kreeg echter te kampen met slechte weersomstandigheden, te weten sneeuwval, mist en temperaturen rond het vriespunt. Alle vertrekkende toestellen moesten in verband met deze extreme weersomstandigheden ijsvrij worden gemaakt. De vervoerder dient daartoe gebruik te maken van de faciliteiten die op de luchthaven aanwezig zijn. De de-icing procedure moet kort voor vertrek worden uitgevoerd. De slechte weersomstandigheden, en de daaruit voortvloeiende vereiste ijsbehandeling, kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. 5De beoordeling 5.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 5.
- Niet in geschil is dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen, zodat er in beginsel een compensatieplicht geldt voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden welke ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. In de punten 14 en 15 van de considerans van de Verordening heeft de gemeenschapswetgever er op gewezen dat dergelijke omstandigheden zich onder meer kunnen voordoen in geval van weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen en wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt. 5.
- De passagiers stellen dat de vertraging van vlucht MS758 (Amsterdam naar Caïro) is veroorzaakt door de verlate aankomst in Amsterdam van de voorgaande vlucht en niet door de de-icing procedure. De voorgaande vlucht (MS757) is 40 minuten vertraagd uitgevoerd, waardoor het toestel niet op tijd binnen was om de vlucht in kwestie op schema te kunnen uitvoeren. De passagiers stellen dat de minimale omdraaitijd van het toestel 60 minuten bedraagt. Daarmee is het volgens de passagiers onmogelijk dat het toestel tijdig gereed stond voor vertrek van de vlucht in kwestie. De passagiers stellen dan ook dat zij op basis van de vertraging van de voorgaande vlucht hun aansluiting reeds hadden gemist. 5.
- De vervoerder voert bij dupliek aan dat de vertraging van MS757 in het onderhavige geval niet relevant is. Ook indien MS757 tijdig, om 14:00 uur lokale tijd, zou zijn aangekomen in Amsterdam, zou de vlucht in kwestie niet tijdig uitgevoerd kunnen worden. Het toestel moest immers wachten op de ijsbehandeling, en mocht van de luchtverkeersleiding eerst om 16:06 uur lokale tijd vertrekken. Dit wordt door de passagiers bij akte betwist. Uit het overgelegde vluchtrapport blijkt slechts dat de vertraging veroorzaakt is door de vertragingscodes 93 (late arrival) en 75 (de-icing). De kantonrechter overweegt dat is niet gebleken hoe laat de slottijd van 16:06 uur lokale tijd aan het toestel is opgelegd. De vervoerder heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat, ook indien het toestel tijdig in Amsterdam zou zijn geweest, het toestel niet eerder dan 16:06 uur lokale tijd zou mogen vertrekken. 5.
- De vervoerder voert voorts aan dat de vertraging van de voorgaande vlucht het gevolg is van buitengewone omstandigheden. Vlucht MS757 kreeg volgens de vervoerder te maken met een last-minute verwijdering van een passagier. Indien situaties als een ‘no-show’ of een last-minute verwijdering van een passagier ertoe leiden dat de ingecheckte bagage van boord moet worden gehaald, is er sprake van een vliegveiligheids- dan wel beveiligingsprobleem dat niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van de vervoerder, aldus de vervoerder. Ter onderbouwing van de aanwezigheid van deze omstandigheid verwijst de vervoerder naar een e-mail van de “Amsterdam District Manager” van Egyptair d.d. 16 maart
- Voorts heeft de vervoerder aangeboden bewijs aan te bieden door het horen van getuigen. Het is volgens de vervoerder niet mogelijk om meer of andere bewijsmiddelen te traceren nu het gaat om een vlucht uit
- De passagiers stellen dat de verklaring door Egyptair zelf niet als bewijs kan dienen. Naar het oordeel van de kantonrechter had het op de weg van de vervoerder gelegen om het vluchtrapport van vlucht MS757 te overleggen dan wel reeds schriftelijke verklaringen te overleggen. Dat het gaat om een vlucht uit 2017 maakt dit niet anders. De vervoerder heeft immers ook het vluchtrapport van vlucht MS758 weten te traceren. De kantonrechter gaat gelet op voorgaande voorbij aan het bewijsaanbod. De vervoerder heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onvoldoende onderbouwd dat de vertraging van vlucht MS757, te weten 40 min, is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden. 5.
- De vertraging op de vlucht in kwestie is met 26 minuten opgelopen doordat het toestel ijsvrij gemaakt diende te worden. De vervoerder heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake was van winterweersomstandigheden op en rond de luchthaven van Amsterdam. Een de-icing procedure kan volgens de passagiers niet als buitengewone omstandigheid kwalificeren. De kantonrechter is van oordeel dat zowel het wachten op de de-icing procedure als de uitvoering van de de-icing procedure kunnen worden aangemerkt als buitengewone omstandigheden, mits voldoende onderbouwd. De omstandigheid dat winterweer op en rond de luchthaven van Amsterdam in december niet als een verrassing voor de vervoerder kan komen maakt dit niet anders. Onbetwist is dat de luchtverkeersleiding beslist wanneer het toestel van het platform mag vertrekken en dat de de-icing procedure kort voor vertrek dient plaats te vinden. De vervoerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat vlucht MS758 onderhevig is geweest aan een ijsbehandeling. De vertraging van 26 minuten als gevolg van de de-icing procedure is dan ook aan te merken als buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. 5.
- Nu de vertraging van de onderhavige vlucht deels door buitengewone omstandigheden en deels door andere omstandigheden is veroorzaakt, dient te worden vastgesteld of de passagiers hun aansluitende vlucht zou hebben gehaald zonder de buitengewone omstandigheid. De passagiers zijn om 21:33 uur lokale tijd aangekomen in Caïro. De aansluitende vlucht naar Nairobi stond gepland om om 21:40 uur lokale tijd te vertrekken. De minimale overstaptijd in Caïro bedraagt 60 minuten. De geplande overstaptijd bedroeg 70 minuten. Indien er geen buitengewone omstandigheden waren opgetreden, zouden de passagiers eveneens hun aansluitende vlucht niet hebben gehaald. Hieruit volgt dan ook dat de uiteindelijke vertraging van de passagiers op de eindbestemming niet het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. Derhalve wordt niet toegekomen aan de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen 5.
- Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd zal de vordering van de passagiers, gelet op de duur van de vertraging, dan ook worden toegewezen. 5.
- De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. 5.
- De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald. 5.
- De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. 5.
- Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.381,50 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 30 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening; 6.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd: dagvaarding € 99,01;griffierecht € 231,00;salaris gemachtigde € 374,00;vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 6.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 93,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 6.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.
- wijst het meer of anders gevorderde af; Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter