RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknummer : 9752461 \ WM VERZ 22-285 CJIB-nummer : 240933715 Uitspraakdatum : 14 juni 2022 Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting in de zaak van [betrokkene] gemachtigde : mr. J. Houweling, Verkeersboete.nl te Zoetermeer. Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 7 juni 2022. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is ook verschenen. De vertegenwoordiger van officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld dat er op 20 mei 2022 volledig zekerheid is gesteld en dat zij instemt met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Ter zitting stelt de gemachtigde aanvullend dat op basis van de stukken in het dossier en de waarneming van de verbalisant niet kan worden vastgesteld dat de kinderen korter zouden zijn van 1.35 meter, zodat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Het staat wel voldoende vast dat de kinderen samen in één gordel zaten, maar dat is een andere feitcode, aldus gemachtigde. De vertegenwoordiger van officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. Aanvullend stelt de vertegenwoordiger van de officier van justitie dat uit het zaakoverzicht blijkt dat de betrokkene de gedraging heeft erkend, zodat deze vast staat. Daarnaast blijkt uit het zaak-overzicht dat er twee verbalisanten aanwezig waren en deze hebben wel degelijk kunnen inschat-ten hoe groot de kinderen waren, zodat zij voor de juiste feitcode hebben gekozen, aldus de ver-tegenwoordiger van de officier van justitie. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan. Overwegingen De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: voorin passagier 3 tot 18 jaar en korter dan 1.35 meter vervoeren, zonder beschikbare gordel/kind bev.systeem. Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie. De gemachtigde van betrokkene stelt dat een onjuiste feitcode is gebruikt. De juiste feitcode zou moeten zijn R535i “meer passagiers vervoeren dan er autogordels aanwezig zijn”. In de toelichting van het zaakoverzicht verklaart de verbalisant onder andere het volgende: “Wij, verbalisanten (…), zagen dat de betrokkene twee kinderen vervoerde op de bijrijder stoel van zijn bedrijfsauto. Wij zagen dat beide kinderen gebruik maakte van 1 autogordel en dat zij niet vastzaten in een goedgekeurd kinder beveiligingssysteem. (…) Verklaring betrokkene: Onze familie auto is stuk. Ik moest baar me werk en daarom heb ik deze keuze gemaakt.“ De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisanten – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Uit die verklaring blijkt dat niet alleen is waargenomen dat de beide kinderen gebruik maakten van één autogordel, maar ook dat die kinderen niet vastzaten in een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem. Gelet op die beide waarnemingen mochten de verbalisanten ervoor kiezen om een boete op te leggen op grond van een overtreding van artikel 52 lid 2 RVV
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.