← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:12544

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknummer : 10076011 \ WM VERZ 22-990 CJIB-nummer : 241827698 Uitspraakdatum : 2 december 2022 Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) in de zaak van [betrokkene] Het verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 22 november

  1. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan. Overwegingen De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone)). Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd. Het verweer van betrokkene is ertegen gericht dat de officier van justitie de wettelijke beslistermijn van 16 weken en de verdagingstermijn van tien weken niet in acht heeft genomen. Naar de kantonrechter begrijpt doelt de betrokkene hiermee op de beslistermijn van artikel 7:24 Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het bepaalde in artikel 7:24 van de Algemene Wet Bestuursrecht dient in beginsel binnen 16 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, een beslissing daarop genomen te worden. De termijn van 16 weken start derhalve op 4 augustus 2021 en eindigde op 24 november
  2. Bij brief van 22 november 2021 heeft de officier van justitie tijdig de beslistermijn verlengt met 10 weken, zodat de uiterste beslistermijn voor de officier van justitie 3 februari 2022 was. De beslissing van de officier van justitie is derhalve tijdig genomen. Het verweer van betrokkene slaagt op dit punt dus niet. Overigens betreft deze termijn geen termijn van openbare orde; de wet verbindt (dus) aan het overschrijden van deze termijn geen gevolgen. Ter zitting stelt de vertegenwoordiger van de officier van justitie dat de officier van justitie het beroep van betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard nu betrokkene wel degelijk beroepsgronden heeft aangevoerd. Dat betekent dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond is en dat die beslissing moet worden vernietigd. Nu de beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd, moet de kantonrechter beoordelen of de boete terecht is opgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisant en de foto’s van de gedraging – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De datum en het tijdstip, 25 mei 2021, 22:22 uur, vermeldt in het zaakoverzicht en op de foto’s van de gedraging komen overeen. In WAHV-zaken biedt de verklaring van een verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. Dit is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring van de verbalisant dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Betrokkene heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd die ertoe aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De boete is dus terecht opgelegd. De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen. Het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd, wordt daarom ongegrond verklaard. De uitspraak De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; ‒ verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M .Woerdman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken. De griffier De kantonrechter Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,
  3. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk. Datum toezending:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.