beslissing RECHTBANK NOORD-HOLLAND Wrakingskamer zaaknummer / rekestnummer: C/15/324609 / HA RK 22/18 Beslissing van 11 februari 2022 op het verzoek tot wraking ingediend door: [verzoeker], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (PI) Heerhugowaard,verzoeker, advocaat: mr. B.J. de Groot, advocaat te Haarlem. Het verzoek is gericht tegen: mr. J.L. Roubos, hierna te noemen: de rechter. 1Procesverloop 1.1 Verzoeker heeft ter zitting van 24 januari 2022 de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Familie en Jeugd, locatie Alkmaar, aanhangige zaak met als zaaknummer: C/15/323572 / JU RK 21-2371, hierna te noemen: de hoofdzaak. 1.2 De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. 1.3 De advocaat van verzoeker heeft het wrakingsverzoek schriftelijk toegelicht bij brief van 3 februari 2022. 1.4 Het verzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de wrakingskamer van 4 februari 2022. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Voorts is verschenen [naam 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad). De rechter is, met bericht van verhindering, niet verschenen. [naam 2], belanghebbende in de hoofdzaak, is evenmin verschenen. 1.5 Aan het einde van de zitting is de uitspraak bepaald op heden. 2Inleiding 2.1 De hoofdzaak betreft het verzoek van de Raad om de minderjarige [naam 3] (hierna te noemen: de minderjarige) onder toezicht te stellen. Verzoeker is de vader van de minderjarige. [naam 2] is de moeder van de minderjarige. 2.2 Op de zitting van 24 januari 2022 stond de mondelinge behandeling van dit verzoek gepland. Verzoeker is verschenen, zonder advocaat. Namens de Raad is verschenen [naam 1]. [naam 2] is niet verschenen. 2.3 Tijdens de zitting heeft verzoeker verzocht om de behandeling van de hoofdzaak aan te houden. De rechter heeft dit verzoek afgewezen. Daarop heeft verzoeker de rechter gewraakt. Het proces-verbaal van de zitting van 24 januari 2022 houdt, voor zover van belang, onder meer het volgende in: De vader: ik wil wat zeggen. De kinderrechter: gaat u eerst even rustig zitten, dan ga ik zeggen wie er aanwezig zijn en waar het over gaat vandaag. Het gaat vandaag over uw jongste dochter [naam 3]. De Raad heeft een verzoek ondertoezichtstelling ingediend nadat zij onderzoek heeft gedaan. U bent bij dat onderzoek betrokken en het rapport is ook met u besproken, lees ik daarin. (…) De vader: Ik wil dat de zaak wordt aangehouden want ik wil mijn advocaat erbij. De kinderrechter: Uw advocaat heeft zich pas vanmiddag gesteld in deze zaak voor u en laten weten dat zij vandaag verhinderd is vanwege een andere zitting. Volgens het procesreglement is er geen recht op uitstel in kinderbeschermingszaken vanwege verhindering van de advocaat. De vader: Ik wil uitstel, het gaat niet om een stuk speelgoed, maar om een kind. De kinderrechter: Het hangt er vanaf of de Raad kan instemmen met uitstel. De Raad: Ik stem niet in met aanhouding want vind het belangrijk dat het verzoek vandaag behandeld wordt. De kinderrechter: Gezien het bezwaar van de Raad en het procesreglement op dit punt zal uw verzoek worden afgewezen. De vader: Ik wil u wraken. U vraagt mij wat daarvoor de gronden zijn. U bent partijdig omdat u mij geen uitstel verleent. 3Het standpunt van verzoeker 3.1 Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd. In de avond van vrijdag 21 januari 2022 is verzoeker in de PI Heerhugowaard meegedeeld dat hij op maandag 24 januari 2022 op transport moest naar de rechtbank in Alkmaar. De reden was verzoeker onbekend. Pas in de ochtend van 24 januari 2022 is verzoeker er, via zijn advocaat, van op de hoogte geraakt dat die middag een verzoek tot ondertoezichtstelling zou worden behandeld. Verzoeker heeft twee kinderen en wist niet om welke van deze twee kinderen het ging. Hij heeft zich op de behandeling van het verzoek in het geheel niet kunnen voorbereiden. Relevante stukken, zoals het verzoekschrift van de Raad, het (concept van het) onderliggende raadsrapport en de oproeping voor de zitting, heeft verzoeker niet ontvangen, omdat deze naar de verkeerde PI zijn gestuurd, namelijk Justitieel Complex Zaanstad, waar verzoeker eerder verbleef. Deze stukken zijn niet doorgestuurd naar de PI Heerhugowaard. Bijstand van zijn vaste advocaat op de zitting was op deze korte termijn evenmin mogelijk. Aldus was van een eerlijke procesvoering geen sprake. Om deze redenen heeft verzoeker ter zitting om uitstel van de mondelinge behandeling verzocht. Daarbij heeft hij niet alleen vermeld dat hij zijn advocaat erbij wil, maar ook dat hij geen stukken had ontvangen. De rechter heeft het uitstelverzoek afgewezen, waarna verzoeker de rechter heeft gewraakt. “Cliënt heeft de kinderrechter gewraakt omdat hij meende dat hij niet serieus genomen werd. Dat zij dus partijdig was daar zij de vraag of moest worden aangehouden overliet aan de Raad. Een Raad die hem ook nooit voorzien had van het raadsrapport. De kinderrechter ging voorbij aan het feit dat hij zich niet had kunnen voorbereiden doordat haar rechtbank hem geen stukken had gestuurd”, aldus de advocaat van verzoeker in haar schriftelijke toelichting. 4 4. Het standpunt van de rechter 4.1. De rechter heeft aangevoerd dat de beslissing om de behandeling van de hoofdzaak niet uit te stellen een procesbeslissing is geweest, die zij heeft gebaseerd op artikel 5.1 van het geldende Procesreglement Civiel Jeugdrecht in combinatie met het bezwaar van de Raad. Vanwege de aard van de procedure – een eerste verzoek tot ondertoezichtstelling – wordt op grond van dit procesregelement geen rekening gehouden met verhindering van advocaten. Gelet op dit uitgangspunt en het door de Raad gemaakte bezwaar, is het uitstelverzoek afgewezen. Hieruit blijkt niet van enige schijn van vooringenomenheid of partijdigheid. 5De beoordeling 5.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter. Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk, maar niet doorslaggevend. 5.2. De wrakingskamer stelt voorop dat niet is gebleken dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert. De wrakingskamer acht het wrakingsverzoek niettemin voor toewijzing vatbaar, omdat de door verzoeker gestelde, bij hem aanwezige vrees dat de rechter partijdig is, objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer baseert dit oordeel op hetgeen haar is gebleken over de wijze van totstandkoming van de afwijzende beslissing van de rechter op het verzoek tot uitstel. Een procesbeslissing kan als zodanig geen grond voor wraking opleveren. Echter uit de wijze van totstandkoming van de onderhavige proces-beslissing blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer dat de rechter bij haar onderzoek naar de gegrondheid van het aanhoudingsverzoek, de (proces)belangen van verzoeker in onvoldoende mate heeft onderzocht en in haar besluitvorming heeft betrokken, althans dit voor verzoeker onvoldoende kenbaar heeft gemaakt, en wel zodanig dat dit tot toewijzing van het wrakingsverzoek behoort te leiden. De wrakingskamer overweegt hiertoe als volgt. 5.3. Vaststaat dat verzoeker ter zitting van 24 januari 2022 heeft verzocht om uitstel van de behandeling van de hoofdzaak. Het proces-verbaal van deze zitting vermeldt als enige grond daarvoor dat verzoeker zijn advocaat erbij wil hebben. Verzoeker heeft echter gesteld dat hij ook om uitstel heeft verzocht omdat hij helemaal geen stukken van de zitting had ontvangen en zich dus niet op de zitting had kunnen voorbereiden. Verzoeker heeft dit ter zitting van de wrakingskamer toegelicht; hij beschikte niet over het verzoekschrift, het onderliggende raadsrapport en zelfs niet over de oproeping voor de zitting. [naam 1], namens de Raad aanwezig op zowel de zitting van 24 januari 2022 als de zitting van de wrakingskamer van 4 februari 2022, heeft ter zitting van de wrakingskamer bevestigd dat verzoeker dit op de zitting van 24 januari 2022 mede aan zijn verzoek om uitstel ten grondslag heeft gelegd. De wrakingskamer ziet geen reden om aan deze verklaringen van verzoeker en [naam 1] te twijfelen, zodat zij van de juistheid hiervan zal uitgaan. 5.4. De wrakingskamer stelt vast dat de rechter op de zitting van 24 januari 2022 is geconfronteerd met een gedetineerde verzoeker zonder advocaat, die om uitstel van de behandeling verzocht omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.