RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 9449356 / CV EXPL 21-4709 (SJ) Uitspraakdatum: 9 februari 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de vennootschap onder firma [eiseres]gevestigd te [vestigingsplaats] en haar vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2]wonende te [woonplaats 1] respectievelijk te [woonplaats 2]eisers tezamen te noemen: [de vennootschap]afzonderlijk te noemen: [vennoot 1] respectievelijk [vennoot 2] gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans (DAS Rechtsbijstand) tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats 3] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] procederend in persoon 1Het procesverloop 1.
- [de vennootschap] heeft bij dagvaarding van 6 september 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord. 1.
- Op 14 januari 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [de vennootschap] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. 2De feiten 2.
- Op 25 oktober 2020 hebben partijen een overeenkomst van opdracht gesloten tot het verrichten van een haalbaarheidsstudie naar de realisatie van appartementen in het pand gelegen aan de [adres] te [plaats] met [gedaagde] als opdrachtgever en [de vennootschap] als opdrachtnemer. 2.
- In de overeenkomst is het volgende opgenomen:‘De honorering voor de werkzaamheden geschiedt op basis van gewerkte uren.Met een voorlopig budget van € 10.000,- excl. btw. Opdrachtgever betaalt bij opdracht een eerste termijn van € 5.000,-, daarna wordt er twee wekelijks gefactureerd a.d.h.v. de gewerkte uren. Wanneer het project stopgezet wordt, wordt ook het contract stopgezet en zullen de uitgevoerde uren binnen de fase die is aangegaan in rekening gebracht worden en door opdrachtgever worden vergoed. […].’ 2.
- Op 12 november 2020 heeft [de vennootschap] aan [gedaagde] een factuur met kenmerk 2020181 van € 5.000,00 excl. btw gestuurd voor de eerste termijn. 2.
- Op 30 november 2020 heeft [gedaagde] bij [de vennootschap] aangegeven niet meer verder te gaan met het project. 2.
- Op 3 december 2020 heeft [de vennootschap] aan [gedaagde] een factuur met kenmerk 2020191 van € 552,70 excl. btw gestuurd voor verrichte werkzaamheden. 2.
- [gedaagde] heeft nagelaten de facturen te betalen. 3De vordering 3.
- [de vennootschap] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 6.718,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 mei 2021 (eerste verzuimdag) tot de dag van algehele betaling, tot betaling van € 771,00 aan buitengerechtelijke kosten en tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de rente en de nakosten. 3.
- [de vennootschap] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot opdracht. Dit betreft de betaling van de werkzaamheden zoals die door [de vennootschap] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] zijn verricht totdat [gedaagde] de opdracht stopzette. 4Het verweer 4.
- [gedaagde] betwist de vordering en voert aan – samengevat – dat partijen een overeenkomst hebben gesloten voor het maken van tekeningen voor een pand, dat hij onder financieel voorbehoud had gekocht. Het financieel voorbehoud was drie maanden in verband met de vergunning van de gemeente. De bank stelde als voorwaarde voor de financiering dat er een vergunning was. Volgens [gedaagde] heeft [vennoot 1] gezegd dat die vergunning binnen drie maanden rond zou zijn. Na twee maanden kreeg hij van [vennoot 2] te horen dat het een monumentaal pand betreft, waardoor het verkrijgen van een vergunning minimaal zes maanden zou duren. Dit is hem tevoren nooit verteld. Daarnaast is [gedaagde] van mening dat het gevorderde bedrag teveel is voor het werk dat [de vennootschap] heeft verricht. Hij heeft alleen maar schetsen ontvangen en geen daadwerkelijke tekeningen. [gedaagde] wil een andere architect inschakelen om de waarde van de werkzaamheden te bepalen. 5De beoordeling 5.
- De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten. In deze overeenkomst staan in artikel 1.0 de door [de vennootschap] te verrichten werkzaamheden vermeld. Hieruit blijkt dat het aanvragen van een vergunning niet tot de overeengekomen werkzaamheden behoort. Het standpunt van [gedaagde] ter zitting dat hij alleen bij [de vennootschap] kwam voor (het aanvragen van) de vergunning kan de kantonrechter daarom niet plaatsen. Dit standpunt is ook niet te rijmen met zijn standpunt in de conclusie van antwoord, en herhaald ter zitting, dat hij [de vennootschap] heeft ingeschakeld voor het maken van tekeningen. 5.
- [gedaagde] stelt dat [de vennootschap] hem heeft verteld dat de vergunning binnen drie maanden rond zou zijn. [de vennootschap] heeft dat gemotiveerd betwist en voert aan dat zij bij de intake alle fases van de opdracht met [gedaagde] heeft besproken. Volgens [de vennootschap] heeft zij [gedaagde] voorgehouden dat het gaat om een verkennend onderzoek waarbij eerst de ruimtelijke en financiële haalbaarheid van het plan worden verkend, dat in dat kader wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn om in het pand appartementen te realiseren, dat hiermee naar de gemeente wordt gegaan om een voorlopige uitspraak te krijgen omtrent de mogelijkheid een vergunning te krijgen en dat daarna door [gedaagde] kan worden beslist om al dan niet verder te gaan met de ontwikkeling van het pand, waarna een nadere opdracht volgt voor het maken van een definitief ontwerp en het in gang zetten van het vergunningstraject. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] niet heeft betwist dat [de vennootschap] hem al deze fases bij de intake heeft voorgehouden. Gelet hierop, de doorlooptijd van de eerste fase en op het feit dat hij nog geen opdracht had gegeven voor het aanvragen van de vergunning kon [gedaagde] er dan ook niet vanuit gaan dat de vergunning binnen drie maanden rond zou zijn. Dat er, zoals [gedaagde] ter zitting stelt, bij de aankooppapieren schetsen van het pand zaten, die door [de vennootschap] waren gemaakt, brengt de kantonrechter niet tot een ander oordeel. 5.
- [gedaagde] verwijt [de vennootschap] – zo begrijpt de kantonrechter – dat zij pas in november 2020 heeft verteld dat het aangekochte pand een monument betreft, waardoor het vergunningstraject minstens zes maanden duurt. Gelet op de door [de vennootschap] overgelegde verkoopinformatie op Funda – waarin vermeld staat dat het een Rijksmonument betreft – vindt de kantonrechter het niet geloofwaardig dat [gedaagde] niet wist dat het door hem aangekochte pand een monument is. Daarbij staat ook in de tussen partijen gesloten overeenkomst dat [de vennootschap] overleg zal voeren met de monumentencommissie. Daaruit kon [gedaagde] ook afleiden dat hij een monumentaal pand had gekocht. Voor zover hij dat daadwerkelijk niet wist, komt dat voor zijn risico, ook omdat [de vennootschap] niet betrokken was bij de aankoop. 5.
- Gelet op hetgeen onder punt 5.2 en 5.3 is overwogen vindt de kantonrechter het verwijt van [gedaagde] dat [de vennootschap] verkeerde verwachtingen heeft gewekt dan wel dat [de vennootschap] hem niet (tijdig) heeft gewaarschuwd voor de duur van het vergunningstraject niet terecht. Voor zover [gedaagde] een beroep op dwaling doet, gaat dit dan ook niet op. Hierin ziet de kantonrechter dan ook geen geldige reden voor [gedaagde] om af te zien van betaling van de facturen. 5.
- Daarnaast is [gedaagde] van mening dat de door [de vennootschap] verrichte werkzaamheden het gevorderde bedrag niet waard zijn. Hij wil dat een andere architect de declaratie beoordeeld. De kantonrechter vat dit op als een bewijsaanbod en overweegt als volgt. 5.
- [gedaagde] heeft niet betwist dat [de vennootschap] de gedeclareerde werkzaamheden heeft verricht en dat het in rekening gebrachte uurtarief is afgesproken. Dit maakt dat het inschakelen van een andere architect om de door [de vennootschap] verrichte werkzaamheden op waarde te beoordelen niets toevoegt aangezien de declaratie van [de vennootschap] in overeenstemming is met de overeenkomst tussen partijen. Het bewijsaanbod van [gedaagde] wijst de kantonrechter daarom af. 5.
- Gelet op het voorgaande moet [gedaagde] de facturen betalen. De kantonrechter zal de vordering van [de vennootschap] ten aanzien van de hoofdsom van € 6.718,77 toewijzen. 5.
- Vast staat dat [gedaagde] de facturen niet (tijdig) heeft betaald zodat de door [de vennootschap] gevorderde wettelijke rente voor toewijzing in aanmerking komt. 5.
- [de vennootschap] maakt aanspraak op de buitengerechtelijke kosten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de vennootschap] voldoende aangetoond dat zij buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken, zodat zij recht heeft op een vergoeding hiervan. Gelet op de toegewezen hoofdsom worden de buitengerechtelijke kosten bepaald op € 710,
- Dit is het conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten maximaal toe te wijzen tarief. 5.
- De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt. [de vennootschap] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan haar de wettelijke rente over de proceskosten te voldoen. Deze vordering is toewijsbaar als na te melden. 5.
- De nakosten komen eveneens voor toewijzing in aanmerking, voor zover deze daadwerkelijk door [de vennootschap] worden gemaakt. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [de vennootschap] van € 7.429,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.718,77 vanaf 1 mei 2021 tot aan de dag van de gehele betaling; 6.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [de vennootschap] tot en met vandaag vaststelt op: dagvaarding € 102,15 griffierecht € 507,00 salaris gemachtigde € 622,00 ;vermeerderd met de wettelijke rente ingaande de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van betaling; 6.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 124,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door [de vennootschap] worden gemaakt; 6.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 6.
- wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter