← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:1613

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8431855 \ CV EXPL 20-3105 Uitspraakdatum: 23 februari 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [passagier sub 1]

  1. [passagier sub 2] wonende te [woonplaats]
  2. [passagier sub 3]
  3. [passagier sub 4] beiden wonende te [woonplaats] eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde K.R. Bottema (Yource B.V.) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Air Mauritius Limited gevestigd te Mauritius gedaagde hierna te noemen: de vervoerder gemachtigde FTPA 1Het procesverloop 1.
  4. Bij tussenvonnis van 13 oktober 2021 is de vervoerder in de gelegenheid gesteld om toe te lichten of ‘de vrijwillige administratie’ waaronder de vervoerder is gesteld moet worden aangemerkt als een procedure is als bedoeld in artikel 231 Fw (gericht op herstel) dan wel een procedure als bedoeld in artikel 29 Fw (gericht op liquidatie) en daarnaast over de vraag welke gevolgen het bepaalde in artikel 231 Fw dan wel artikel 29 Fw voor de onderhavige procedure heeft. 1.
  5. Bij akte van 9 november 2021 heeft de vervoerder gereageerd. Hierop hebben de passagiers gereageerd bij antwoordakte van 12 januari
  6. 1.
  7. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
  8. De kantonrechter stelt voorop dat, voor zover de passagiers bezwaar hebben gemaakt tegen het inschakelen van een gemachtigde door de vervoerder in de loop van de procedure, er geen grond bestaat om deze gemachtigde te weigeren. Gesteld noch gebleken is dat de passagiers hierdoor in hun procesbelang worden geschaad. 2.
  9. In zijn akte van 9 november 2021 heeft de vervoerder meegedeeld dat de ‘vrijwillige administratie’ heeft geleid tot een ‘recovery plan (known as Deed of Company arrangement)’. De passagiers hebben dit niet weersproken. Hiermee staat vast dat de ‘vrijwillige administratie’ is beëindigd. Daarmee behoeft het verweer van de vervoerder dat betrekking heeft op de ‘vrijwillige administratie’ geen bespreking meer. De vervoerder heeft de gevorderde compensatie van de passagiers niet betwist. De kantonrechter komt tot de conclusie dat niets meer aan toewijzing van de hoofdsom in de weg staat. De passagiers hebben wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf ‘de dag der incident’ (de kantonrechter leest: ‘de datum van de vlucht’). De gevorderde wettelijke rente is niet weersproken en zal daarom worden toegewezen over de toe te wijzen hoofdsom vanaf 11 mei
  10. 2.
  11. De passagiers hebben voorts een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben niet gesteld dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben verricht. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn derhalve niet toewijsbaar. 2.
  12. De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij grotendeels ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. 2.
  13. De passagiers hebben gevorderd de vervoerder te veroordelen om een certificaat als bedoeld in artikel 53 herziene EEX-Verordening (1215/2012) af te geven. De kantonrechter begrijpt dat de passagiers vorderen dat de kantonrechter het betreffende certificaat afgeeft. De passagiers hebben bij deze vordering vermeld dat het vonnis tenuitvoergelegd moet worden in de lidstaat waar de vervoerder statutair gevestigd is. Dit verzoek zal worden afgewezen. Daartoe wordt als volgt overwogen. De passagiers hebben in de dagvaarding vermeld dat de vervoerder statutair gevestigd is te Parijs. In de laatste akte hebben de passagiers in de kop vermeld dat de vervoerder statutair gevestigd is te Schiphol. De vervoerder heeft niet vermeld waar hij statutair gevestigd is. In het tussenvonnis van 13 oktober 2021 is de kantonrechter er echter bij de beoordeling vanuit gegaan dat de vervoerder statutair gevestigd is te Mauritius. Partijen hebben in hun laatste aktes niet het standpunt ingenomen dat de kantonrechter dit ten onrechte heeft aangenomen. Een certificaat zoals door de passagiers is verzocht, zal hen daarom niet kunnen baten, nu dat certificaat is bedoeld voor de tenuitvoerlegging van beslissingen in een lidstaat. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  14. veroordeelt de vervoerder de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; 3.
  15. veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd: dagvaarding € 100,89;griffierecht € 236,00salaris gemachtigde € 436,00; 3.
  16. veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 109,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt; 3.
  17. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  18. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.