RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknummer : 9546514 \ WM VERZ 21-1137 CJIB-nummer : [nummer] Uitspraakdatum : 21 januari 2022 Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [adres] woonplaats : [postcode] [woonplaats] (hierna te noemen: betrokkene) gemachtigde : mr. [gemachtigde] Het verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De zaak is behandeld op de zitting van 7 januari
- Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Namens gemachtigde is mr. [gemachtigde] verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan. Overwegingen De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 10 km/h (verkeersbord A1 + wegwerkzaamheden). Gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat betrokkene het niet eens is met de beslissing van de officier van justitie. Hierna zijn kort de door gemachtigde namens betrokkene aangevoerde gronden doorgenomen. In het beroepschrift is – kort weergegeven – aangevoerd: dat uit de stukken onvoldoende de aanwezigheid en/of precieze locatie van bord J16 blijkt. De enkele vermelding ‘wegwerkzaamheden’ is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van een bord J
- Uit regel 31 van het zaakoverzicht blijkt dat de verbalisant expliciet verwijst naar een bord A1, maar er wordt niet verwezen naar een bord J
- Hierdoor is ten onrechte een strafverzwaring aan betrokkene opgelegd en dient de sanctie in aanmerking te komen voor matiging. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft gemachtigde gewezen op een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 januari 2019 (vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2019:338). Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de officier van justitie de kantonrechter verzocht het beroep ongegrond te verklaren. Het betreft hier een mobiele controle, en volgens het hof is het uitgangspunt alsdan dat ervan uitgegaan mag worden dat de verbalisant ter plaatse de relevante bebording, op basis waarvan de boete is opgelegd, heeft gecontroleerd. Hiervoor verwijst zij naar een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2021 (vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:3188). Voorts heeft zij ter zitting, subsidiair, een werkbon van de betreffende pleegdatum overlegd. De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden (de werkbon buiten beschouwing latend), alsook uit hetgeen ter zitting is aangevoerd, voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In het door de vertegenwoordiger van de officier van justitie aangehaalde arrest staat in rechtsoverweging
- het volgende opgenomen: “
- Aangezien het hier een mobiele controle betreft, is het uitgangspunt dat de ambtenaar die ter plaatste aanwezig is voorafgaand aan de controle de bebording heeft gecontroleerd (vgl. overweging 7 van het arrest van 28 februari 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2020:1803). De enkele betwisting van de gemachtigde dat er een bord J16 stond geplaatst, is onvoldoende om te twijfelen aan de gegevens in het dossier. Of er ten tijde van de gedraging daadwerkelijk werd gewerkt, kan in het midden blijven. Het al dan niet daadwerkelijk verrichten van wegwerkzaamheden, doet niet af aan de gelding van een snelheidsbord en het bord dat wegwerkzaamheden aangeeft. Het enkele feit dat verkeerstekens zijn geplaatst, verplicht de weggebruiker om zijn rijgedrag daarop af te stemmen. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht en daarvoor terecht een sanctie is opgelegd. (…)” De kantonrechter stelt vast dat ook in onderhavige zaak er sprake is van een mobiele controle, nu dit uit het zaakoverzicht blijkt. Bij de hier van toepassing zijnde feitcode behoort ook de aanwezigheid van bord J
- In het licht van de hiervoor aangehaalde uitspraak van het hof mag ervan uit worden gegaan dat de verbalisant de voor de gedraging relevante bebording heeft gecontroleerd. Betrokkene heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waardoor getwijfeld moet worden aan de aanwezigheid van bord J16 ten tijde van het constateren van de gedraging. De boete is dus terecht opgelegd. De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De uitspraak De kantonrechter: ‒ verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken. De griffier De kantonrechter Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,
- Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk. Datum toezending: