RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9216636 \ CV EXPL 21-3249 Uitspraakdatum: 2 maart 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de stichting Stichting Pré Wonen statutair gevestigd te Haarlem en kantoorhoudende te Velserbroek eiseres verder te noemen: Pré Wonen gemachtigde: mr. D. de Vries tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. R.W. de Pater 1Het procesverloop 1.1. Pré Wonen heeft bij dagvaarding van 7 mei 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. Op 7 februari 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Pré Wonen heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft Pré Wonen bij akte van 12 november 2021 nog producties toegezonden. [gedaagde] heeft bij aktes van 9 november 2021 en 21 december 2021 nog producties toegezonden. 2De feiten 2.1. [gedaagde] huurt vanaf 11 augustus 2020 de (sociale) huurwoning aan [adres] (hierna: het gehuurde). Eerst van Woonstichting De Key (hierna: De Key) en sinds 1 december 2020 van rechtsopvolgster Pré Wonen. 2.2. In artikel 4.2 van de huurovereenkomst staat: “Huurder dient het gehuurde daadwerkelijk, behoorlijk, overeenkomstig de bestemming en zelf als hoofdverblijf te gebruiken. Hij zal daarbij de voorschriften van verhuurder ten aanzien van het gebruik van het gehuurde en de installaties en voorzieningen die zich in het gehuurde bevinden in acht nemen. Gebruik als pied-à-terre en een hoofdverblijf elders is niet toegestaan. Op de huurder rust de bewijslast dat hij/zij onafgebroken hoofdverblijf in de woning heeft behouden. Tevens is het de huurder verboden de woning te laten bewonen door meer personen dan waarvoor de woning redelijkerwijze geschikt is.” In artikel 6 van de huurovereenkomst is, onder meer, opgenomen; “6.1 Huurder is bevoegd de inrichting of gedaante van het gehuurde, waaronder de tuin, het terras of het balkon, te veranderen, zij het met inachtneming van de voorwaarden die zijn neergelegd in deze huurovereenkomst en de brochure “Verbouwen aan uw woning”, die deel uitmaakt van deze overeenkomst (bijlage). (…) 6.5 Veranderingen die huurder heeft aangebracht zonder voorafgaande toestemming van verhuurder (voor zover vereist), dan wel in strijd met de door verhuurder aan haar toestemming gestelde voorwaarden, zullen op eerste aanzegging van verhuurder door huurder ongedaan worden gemaakt. Indien huurder daarmee in gebreke blijft en de aard van de verandering zodanig is dat daardoor schade aan het gehuurde of derde ontstaat of dreigt te ontstaan, dan wel de verhuurbaarheid en/of de waarde van het gehuurde daardoor wordt geschaad, is verhuurder gerechtigd de noodzakelijke werkzaamheden op kosten van huurder alsnog te (laten) uitvoeren, zonder dat daarvoor rechterlijke tussenkomst is vereist. Hetzelfde geldt indien huurder veranderingen aanbrengt zonder de voorwaarden, neergelegd in deze huurovereenkomst en de brochure “Verbouwen aan uw woning”, in acht te nemen. De uit het aanbrengen respectievelijk verwijderen van deze veranderingen voortvloeiende schade aan het gehuurde en kosten komen voor rekening van huurder. Huurder is verplicht verhuurder op eerste verzoek toe te laten in het gehuurde, indien verhuurder dit wenselijk of noodzakelijk acht om geplaatste objecten te verwijderen en/of om schade aan het gehuurde te herstellen. (…)” 2.3. De Key heeft kort voor en na aanvang van de huur nog een aantal werkzaamheden in het gehuurde uitgevoerd. Vervolgens is [gedaagde] begonnen met verbouwingswerkzaamheden aan het gehuurde. 2.4. De Key heeft bij brief van 11 november 2020 onder meer aan [gedaagde] bericht: “(…) Verbouwing zonder aanvraag/toestemming U heeft diverse aanpassingen in uw woning aangebracht waarvoor geen aanvraag is ingediend en dus géén toestemming is verleend. De regels en voorwaarden voor verbouwingen kunt u vinden op onze site www.dekey.nl/zelfklussen Consequenties en schade De consequentie voor u als huurder is dat Woonstichting De Key geen reparaties zal uitvoeren aan door u zelf veroorzaakte defecten of schades, voortvloeiend uit de zelf aangebrachte voorzieningen. De aansprakelijkheid ligt bij u als huurder en wij willen u met deze brief waarschuwen dat u geen aanspraak kunt maken op enige verzekering indien er schade volgt uit zelf aangebrachte voorzieningen die niet conform het beleid zijn aangevraagd en aangebracht. Wij gaan ervan uit dat u vóór 1 december alle aanvragen op orde heeft en wij zullen deze vervolgens controleren. (…)” 2.5. Bij e-mail van 14 november 2020 reageert [gedaagde] hierop en geeft zij aan welke werkzaamheden reeds zijn uitgevoerd en welke nog uitgevoerd gaan worden. Vervolgens vraagt [gedaagde] bij e-mail van 17 november 2020 hoe zij de verbouwingsaanvraag moet indienen. 2.6. Bij brief van 23 november 2020 heeft [gedaagde] vervolgens een verbouwingsaanvraag ingediend bij De Key. In de aanvraag staat onder meer: “(…) Op 11 november jl. heb ik een brief ontvangen vanuit stichting De Key. In deze brief ben ik gewezen op de aanpassingen die ik in de woning op [adres] heb aangebracht. Voor deze aanpassingen is toestemming vereist vanuit de woonstichting. De aanvraag heb ik destijds per post verstuurd. Gezien het feit dat ik hier verder niets meer van vernomen heb, ging ik er vanuit dat het in orde was. Na het ontvangen van deze brief ben ik tot de veronderstelling gekomen dat dit niet zo is. Daarom wil ik middels deze brief toestemming vragen voor de aanpassingen van de woning aan dit adres.(…)” Vervolgens is een lijst met verbouwingswerkzaamheden opgenomen. Verder schrijft [gedaagde] het volgende: “(…) Uit de brief heb ik begrepen dat voor deze aanpassingen een fysieke controle vereist is. Mijn vermoeden is dat de aanpassingen dan nog niet zijn afgerond. De verwachting is dat de aanpassingen begin januari zijn voldaan. Echter wil ik u uitnodigen vóór 1 december om te aanpassingen te beoordelen, tenzij u van mening bent dat de beoordeling in januari dient plaats te vinden. (…)” 2.7. Op 28 januari 2021 constateert Pré Wonen bij een huisbezoek dat [gedaagde] zonder toestemming verder is gegaan met het uitvoeren van de verbouwing aan het gehuurde. 2.8. De volgende werkzaamheden zijn uitgevoerd in en rondom het gehuurde: nieuwe schutting; nieuwe meterkast; een stroomkabel in de tuin; openbreken keukenmuur (de muur tussen de woonkamer en de keuken is verwijderd); en wasmachine-aansluiting in de oude badkamer; nieuwe badkamer ten koste van een slaapkamer; aanleg tweede toilet; aanbrengen vaste trap naar zolder; aanleg serre; verwijderen muur tussen oprit en tuin; plaatsen rolluiken; plaatsen (andere) keuken; vervanging van zeven verwarmingen. 2.9. Op 1 februari 2021 schrijft Pré Wonen aan [gedaagde] , onder meer, als volgt: “(…) Op 28 januari 2021 hebben wij geconstateerd dat u, ondanks een eerdere brief hierover, toch bent gestart met het uitvoeren van aanpassingen aan uw woning. Zoals u al eerder mondeling en in de brief van 11 november is vertelt dient u vooraf toestemming aan te vragen voor het veranderen van uw woning. U heeft geen toestemming Op 23 november heeft u een brief geschreven met het verzoek om toestemming voor een 19-tal al dan niet constructieve wijzigingen van uw woning. Hierna heeft u contact gehad met [betrokkene] en is er u duidelijk verteld dat wij uw verzoek pas in behandeling nemen als er meer informatie door u gegeven kan worden in de vorm van onderliggende stukken zoals bouwtekeningen, constructieberekeningen en aanvullende informatie over materiaalgebruik. Hierna hebben niets meer van u ontvangen of gehoord over de aanpassingen aan de woning. U moet per direct de werkzaamheden staken Ondanks dat u geen toestemming van Prewonen heeft gekregen voor het aanpassen van de woning bent u toch gestart met verbouwen. Omdat u geen toestemming heeft gekregen van Prewonen moet u per direct stoppen met verbouwen. Wij zullen een onderzoek starten naar de werkzaamheden die u heeft uitgevoerd. (…)” 2.10. Op 3 februari 2021 schrijft de gemachtigde van Pré Wonen aan de (op dat moment) gemachtigde van [gedaagde] dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen uit de huurovereenkomst en dat Pré Wonen streeft naar beëindiging van de huurovereenkomst. Pré Wonen heeft [gedaagde] verzocht vrijwillig de huurovereenkomst op te zeggen en het gehuurde in de oorspronkelijke staat terug te brengen. 2.11. De destijds gemachtigde van [gedaagde] heeft bij brief van 5 februari 2021 aangegeven dat [gedaagde] niet bereid is om de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen en heeft een uitgebreide toelichting gegeven. Pré Wonen heeft bij monde van haar gemachtigde hierop nog bij brief van 22 februari 2021 gereageerd. 2.12. [gedaagde] huurt ook een sociale huurwoning in [gemeente B] . Deze woning heeft zij door middel van huisbewaring aan haar dochter in gebruik gegeven. 3De vordering 3.1. Pré Wonen vordert dat de kantonrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad; I. [gedaagde] veroordeelt tot het verwijderen van de aangebrachte veranderingen en het terugbrengen van het gehuurde in de oorspronkelijke staat, binnen 30 dagen na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 100.000,00, althans een nader in goede justitie te bepalen termijn en bedrag; II. de huurovereenkomst ontbindt op een zodanige termijn dat [gedaagde] uitvoering kan geven aan hetgeen onder I. wordt gevorderd; III. [gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde binnen drie dagen na ontbinding, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 20.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag; IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van de ontruiming; V. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten. 3.2. Pré Wonen legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat het [gedaagde] op grond van de wet (artikel 7:215 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) en de huurovereenkomst verboden is veranderingen aan het gehuurde aan te brengen zonder toestemming van (de rechtsvoorgangster van) Pré Wonen. De aangebrachte veranderingen zijn niet eenvoudig ongedaan te maken. Verwijdering ervan zal aanzienlijke kosten met zich meebrengen. Daarnaast schaadt de verbouwing de verhuurbaarheid van het gehuurde, aangezien het gehuurde niet meer kan gelden als sociale huurwoning. De onderhoudskosten van het gehuurde zullen bovendien hoger zijn. Pré Wonen mocht dan ook in dit geval haar toestemming onthouden. Omdat [gedaagde] geen toestemming heeft gevraagd voor de verbouwing, is ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd. 3.3. Voorts stelt Pré Wonen dat [gedaagde] van 11 augustus 2020 tot maart 2021 niet haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad. Zij stond al die tijd nog ingeschreven in de gemeente [gemeente B] , waar zij ook een sociale huurwoning huurt. Dit is in strijd met artikel 7:213 BW, artikel 4.2 van de huurovereenkomst en de checklist voor nieuwe huurders. [gedaagde] pleegt vermoedelijk woonfraude door het huren van twee sociale huurwoningen tegelijkertijd. Ook heeft zij vermoedelijk onjuiste inkomensgegevens verstrekt, gelet op de geschatte kosten van de verbouwing, € 100.000,00, en de huurprijs van twee sociale huurwoningen. Ook deze tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst dienen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te leiden, aldus Pré Wonen. 3.4. Pré Wonen vordert ontruiming op straffe van een dwangsom, omdat van haar niet kan worden gevergd de eerstvolgende ‘ontruimingsronde’ van de deurwaarder af te wachten en omdat een dwangsom een prikkel voor [gedaagde] biedt om het gehuurde zonder (kostbare) gedwongen ontruiming te verlaten. 3.5. Voor het geval [gedaagde] niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming voldoet, vordert Pré Wonen veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de ontruiming. 4Het verweer 4.1. [gedaagde] voert – samengevat – aan dat zij op grond van artikel 6.1 van de huurovereenkomst bevoegd is de inrichting van het gehuurde te veranderen, zonder op voorhand toestemming te vragen. Daarnaast heeft [gedaagde] hierover afspraken gemaakt met De Key. [gedaagde] heeft de brochure waarnaar in artikel 6 van de huurovereenkomst wordt verwezen, niet ontvangen. [gedaagde] dient de veranderingen slechts ongedaan te maken op het moment dat zij het gehuurde zal verlaten. 4.2. In de brief van 11 november 2020 wordt ook niets gezegd over handelen in strijd met de huurovereenkomst. Hieruit volgt juist dat [gedaagde] de inrichting van het gehuurde mocht veranderen maar dat zij, als gevolg van de veranderingen, niet bij De Key moet aankomen met reparatieverzoeken. [gedaagde] diende alleen voor 1 december 2020 alle aanvragen op orde te hebben als zij nog wel gebruik wenste te maken van het onderhoud van De Key. Dit heeft zij op 23 november 2020 gedaan. 4.3. [gedaagde] heeft zich voor de verbouwing laten inspireren door de buren die hun woningen ook hebben aangepast en allen huurder waren van De Key. Pré Wonen kan daarnaast de huurovereenkomst niet ontbinden, omdat dit in strijd is met artikel 6.5 van de huurovereenkomst. Dit artikel kent namelijk een eigen sanctie, te weten een ongedaanmakingsverplichting. Pré Wonen heeft bovendien niet eerst een ingebrekestelling gestuurd. 4.4. Voorts is geen sprake van woonfraude. Gelet op de staat van het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst, in combinatie met de veranderingen in de inrichting van het gehuurde, was het De Key reeds bij aanvang bekend dat [gedaagde] niet direct het gehuurde zou (en kon) betrekken. Daarbij komt dat haar zoon speciaal onderwijs volgt en toestemming van de gemeenten benodigd was voor het wisselen van school. Mede vanwege corona heeft alles langer geduurd. De Key heeft hier geen probleem van gemaakt. De kosten van de aanpassingen aan het gehuurde zijn bovendien vele malen lager dan de geïnsinueerde € 100.000,00. De huurwoning in [gemeente B] is, met toestemming van de gemeente, in huisbewaring gegeven. [gedaagde] betaalt dus niet de huur van twee woningen. 5De beoordeling 5.1. In artikel 7:215 lid 1 BW is bepaald dat de huurder niet bevoegd is de inrichting of gedaante van het gehuurde geheel of gedeeltelijk te veranderen dan na schriftelijke toestemming van de verhuurder, tenzij het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan gemaakt en verwijderd. Uit artikel 6.5 van de huurovereenkomst volgt dat de huurder de veranderingen die zonder voorafgaande toestemming van verhuurder (voor zover vereist) zijn aangebracht, op eerste aanzegging van verhuurder ongedaan moet maken. Toestemming nodig 5.2. Tussen partijen is ten eerste in geschil of [gedaagde] toestemming moest vragen voor de door haar aangebrachte veranderingen aan het gehuurde. Volgens [gedaagde] volgt uit artikel 6.1 van de huurovereenkomst dat zij bevoegd was om de inrichting van het gehuurde te veranderen, zonder op voorhand toestemming te vragen. Volgens Pre Wonen volgt uit het artikel dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen om hierover, in ieder geval, navraag te doen. 5.3. Zelfs als zou komen vast te staan dat [gedaagde] de brochure waarnaar artikel 6.1 verwijst niet heeft ontvangen, zou [gedaagde] in ieder geval uit het artikel hebben moeten afleiden dat er voorwaarden verbonden (konden) zijn aan verbouwingen aan het gehuurde. Dat in voorkomende gevallen toestemming nodig is volgt ook uit de wet (artikel 7:215 BW). [gedaagde] had de voorwaarden goed moeten nagaan, de genoemde brochure moeten opvragen (als zij die niet al had ontvangen) en zich hierbij desnoods moeten laten bijstaan. Dit zeker gelet op het ingrijpende karakter van de voorgenomen verbouwing. 5.4. Hoewel de brief van 11 november 2020 (zie 2.4.) ten aanzien van de consequenties tweeledig kan worden uitgelegd, staat daarin ook met zoveel woorden dat [gedaagde] toestemming nodig heeft voor de verbouwing. Voorts wordt in de brief van 11 november 2020 verwezen naar de website van De Key met de regels en voorwaarden voor verbouwingen. Uit de door Pré Wonen overgelegde screenshots van de website volgt duidelijk dat voor een ingrijpende verbouwing, zoals de onderhavige, toestemming moet worden gevraagd. [gedaagde] betwist niet dat het een ingrijpende verbouwing betreft. De tenzij-bepaling van artikel 7:215 lid 1 BW is dan ook niet van toepassing. Aan de stelling van [gedaagde] dat zij geen toestemming nodig had voor de veranderingen aan het gehuurde, wordt voorbij gegaan. Geen (impliciete) toestemming gegeven 5.5. [gedaagde] betoogt verder dat sprake was van (impliciete) toestemming van De Key. Uit de brief van 11 november 2020 volgt echter duidelijk dat geen toestemming is gegeven. Uit de brief van [gedaagde] van 23 november 2020 (zie 2.6.) volgt bovendien dat [gedaagde] hiervan op de hoogte was. Zij geeft immers aan al een verzoek te hebben ingediend. Als zij op dat moment al toestemming had gehad, dan mag aangenomen worden dat zij dat zou hebben opgemerkt. Zij geeft echter alleen maar aan dat ze, omdat ze niets gehoord had op haar eerdere verzoek, ervan uitging dat het in orde was. 5.6. Voorts heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat zij geen toestemming nodig had, omdat die alleen benodigd zou zijn indien zij gebruik wenste te maken van de mogelijkheid om (mogelijke toekomstige) reparaties uit te laten voeren door De Key. Dit strookt niet met de stellingen dat zij (toch) toestemming heeft gevraagd en (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.