vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/321326 / HA ZA 21-552 Vonnis van 9 maart 2022 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. P.J.H. Vinke te Hoofddorp, tegen [de man] , wonende te [plaats] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. W.R.S. Ramhit te Hoofddorp. Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 15 december 2021 de conclusie van antwoord in reconventie van de zijde van de vrouw de akte indienen nadere producties 2 tot en met 15 van de zijde van de man de mondelinge behandeling van 28 januari 2022, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De zaak in het kort 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben met elkaar samengewoond. De relatie is geëindigd. Het geschil ziet op de vermogensrechtelijke afwikkeling van de relatie, waaronder de verdeling van de gezamenlijke woning. Daarnaast maken partijen aanspraak op diverse vergoedingsrechten. 3Feiten 3.1. Partijen hebben jarenlang een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. Uit de relatie is één kind geboren. Op 16 april 2010 hebben partijen een samenlevingscontract gesloten (hierna: het samenlevingscontract). 3.2. In het samenlevingscontract staat, voor zover van belang: ‘(…) GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING Artikel 3 1. (..) 2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. (…) 3. Het hiervoor in lid 2 bedoelde gedeelte van het inkomen of zoveel meer als partijen wensen, wordt gestort op een gemeenschappelijke bank- en/of girorekening en/of in een gemeenschappelijke kas. (…) 4. Indien slechts één van de partijen inkomen heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij. 5. Indien het inkomen niet toereikend is, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van haar vermogen het tekort aan te vullen. (…) Artikel 4 (…) 3. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. (…)’ 3.3. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning gelegen aan [adres], ([postcode]) te [plaats] (hierna: de woning). Ter financiering van de woning hebben partijen twee hypothecaire geldleningen afgesloten; een hypothecaire geldlening bij de Rabobank van € 201.400,00 en een hypothecaire geldlening bij de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (hierna: de stichting) van € 52.416,00. Aan de hypothecaire geldlening bij de Rabobank is een opbouwspaarrekening verbonden. 3.4. Bij akte van 12 november 2014 heeft de vrouw van haar ouders een bedrag van € 100.000,00 geschonken gekregen. Op 17 december 2014 is door de ouders van de vrouw twee keer een bedrag van € 50.000,00 aan de vrouw overgemaakt. In de schenkingsakte staat, voor zover van belang: ‘(…) Uitsluitingsclausule Deze schenking geschiedt onder de bepaling dat het bedrag der schenking, evenals de revenuen daarvan, niet zal vallen in enigerlei goederengemeenschap, waarin de begiftigde te eniger tijd mocht huwen of gehuwd mocht zijn of waarvan vanwege een geregistreerd partnerschap sprake is of nadien sprake zal zijn, noch zal worden betrokken in enigerlei verrekening tussen de begiftigde en zijn eventuele (gewezen) partner(s), in de meest ruime zin van het woord. (…)’ 3.5. Op 18 december 2014 heeft de vrouw uit haar privévermogen de hypothecaire geldlening bij de stichting afgelost door betaling van € 51.229,96. 3.6. Medio 2020, na beëindiging van de relatie, hebben de vrouw en het kind van partijen de woning verlaten. De man woont nog in de woning. 3.7. Op 4 november 2021 is de woning getaxeerd op een marktwaarde van € 390.000,00. Het taxatierapport vermeldt als doel van de taxatie: het verkrijgen van (hypothecaire) financiering. 4Het geschil in conventie 4.1. De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap te gelasten door het gemeenschappelijke registergoed van partijen staande en gelegen te [plaats] , gemeente [gemeente], aan het adres [adres] ([postcode]) op gezamenlijke opdracht en bij helfte te delen kosten van partijen door Hoekstra & Van Eck [gemeente] Makelaars te Hoofddorp, gemeente [gemeente] voor een zo hoog mogelijke verkoopprijs te verkopen, met een maximale opleveringstermijn van drie maanden, een en ander conform de adviezen van deze makelaar, te vermeerderen met de opbrengst van de aan de hypothecaire geldlening verbonden Rabo-opbouwspaarrekening ([nummer] in die zin dat de vrouw uit de netto verkoopopbrengst vermeerder met de opbrengst van de aan de hypothecaire geldlening verbonden Rabo-Opbouw-spaarrekening eerst krijgt vergoed een bedrag ad € 67.495,26 en de resterende opbrengst bij helfte tussen partijen wordt verdeeld; II. onder veroordeling van de man binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan het verstrekken van de gezamenlijke opdracht aan voormeld makelaarskantoor, met machtiging van de vrouw om bij gebreke van die medewerking van de man die gezamenlijke verkoopopdracht op gezamenlijke kosten mede namens de man te verstrekken; III. onder veroordeling van de man om voorts binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis alle vereiste medewerking te velrenen aan de verkoop en levering van dat registergoed aan de meest biedende derde, bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats zal treden van die vereiste medewerking van de man aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en aan de ondertekening van de notariële leveringsakte van dat gemeenschappelijk registergoed aan de meest biedende derde; IV. onder veroordeling van de man om alle noodzakelijke medewerking te verlenen om verkoop tot stand te brengen waaronder het toelaten van de makelaar en potentiële kopers tot de woning en de woning in goede staat te houden/brengen voor bezichtigingen en dat er een verkoopbord aan c.q. bij de woning zal worden bevestigd, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat de makelaar constateert dat de man in gebreke blijft hieraan te voldoen; subsidiair: geheel subsidiair en slechts voorzover de rechtbank het primair door de vrouw gevorderde niet (geheel) zal toewijzen, meent de vrouw dat de wijze van verdeling dient te worden vastgesteld door de rechtbank op een in goede justitie te bepalen wijze, rekening houdend met naar billijkheid met de belangen van alle partijen alsmede het algemeen belang; V. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure. 4.2. De man voert verweer. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in (voorwaardelijke) reconventie 4.4. De man vordert bij vonnis: II. te bepalen dat de man in de gelegenheid gesteld wordt om binnen zes maanden na het door de rechtbank te wijzen vonnis het eigendomsaandeel van de vrouw over te nemen onder de voorwaarde van ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid; III. te bepalen dat de man voor zijn werkzaamheden aan de woning een bedrag van 50.000 euro vergoed krijgt; IV. te bepalen dat de man de door hem gedane betalingen vergoed krijgt; V. dan wel de wijze van verdeling vast te stellen door de rechtbank op een in goede justitie te bepalen wijzen, rekening houdend met de belangen van alle partijen alsmede het algemeen belang; VI. te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 4.5. De vrouw voert verweer. 4.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie 5.1. Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de rechtbank deze hierna gezamenlijk behandelen. Woning 5.2. Vooropgesteld geldt dat partijen ter zitting zijn overeengekomen dat de man in de gelegenheid zal worden gesteld om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen, onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de in opdracht van de man uitgevoerde taxatie van 4 november 2021, omdat de woning getaxeerd is met als doel: het verkrijgen van (hypothecaire) financiering, en de vrouw niet in de gelegenheid is gesteld om de inspectie door de makelaar bij te wonen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze bezwaren gegrond. Er moet daarom een nieuwe taxatie van de woning plaatsvinden. 5.3. Ter zitting hebben partijen afgesproken op korte termijn gezamenlijk een opdracht te verstrekken aan Goedhart Makelaars En Taxateurs V.O.F. voor het laten verrichten van een taxatie met als doel: toedeling van de woning aan één van partijen. Bij de inspectie van de woning door de makelaar mogen beide partijen aanwezig zijn. De vrouw zal bij akte het taxatierapport in het geding brengen en heeft de mogelijkheid om zich in die akte eveneens uit te laten over die taxatie. Vervolgens mag de man bij antwoordakte reageren. Daarbij dient de man in te gaan op de vraag of hij de woning voor de getaxeerde waarde zoals vermeld in het nieuwe taxatierapport wenst toebedeeld te krijgen en of hij hiertoe over de financiële mogelijkheden beschikt. Indien de man de woning niet toebedeeld wenst te krijgen, dan zal de woning verkocht moeten worden. Vergoedingsrechten 5.4. Beide partijen stellen een vergoedingsrecht op de gemeenschap te hebben (dan wel voor de helft op elkaar). De vrouw voor een totaalbedrag van € 67.495,26 en de man voor een totaalbedrag van € 84.750,84. Als gevolg daarvan verschillen partijen van mening over de wijze waarop de overwaarde van de woning tussen hen verdeeld moet worden. Vergoedingsrechten vrouw? 5.5. De vrouw stelt dat zij in het kader van de verdeling nog recht heeft op een vergoeding van € 67.495,26. Dit bedrag bestaat uit de afbetaling door de vrouw van de gezamenlijke hypothecaire geldlening bij de stichting van € 51.229,96 en uit door haar uit privévermogen betaalde investeringen in de woning van in totaal € 16.265,30. 5.6. Ten aanzien van de aflossing van de hypothecaire geldlening bij de stichting betoogt de man primair dat de ouders van de vrouw destijds hebben toegezegd de schenking aan beide partijen te doen toekomen. Dit verweer van de man slaagt niet. Uit de schenkingsakte volgt dat de schenking alleen aan de vrouw is gedaan. Bovendien is de schenking onder uitsluitingsclausule verkregen (zie 3.4). Subsidiair voert de man aan dat slechts de helft van € 51.229,96 voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen, omdat met dit bedrag een gezamenlijke hypothecaire geldlening is afgelost. Dit verweer slaagt. Terecht heeft de man betoogd dat de hypothecaire geldlening een gezamenlijke schuld is, waarbij de vrouw voor de helft van die schuld draagplichtig is. De vrouw heeft dus een regresrecht op de man van € 25.614,98 (de helft van € 51.229,96). 5.7. Wat betreft de investeringen in de woning stelt de vrouw dat zij in 2017 en 2018 in totaal een bedrag van € 16.265,30 uit haar privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning. Dit bedrag bestaat volgens de vrouw uit: de aanschaf van badkamerartikelen € 1.474,00 de aanschaf van woningisolatie € 1.652,50 de aanschaf en plaatsing van kunststof kozijnen € 7.700,00 e aanschaf van zonnepanelen € 5.438,80 De man betwist dat de vrouw privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning en voert aan dat partijen op grond van het samenlevingscontract naar rato van inkomen moesten bijdragen in de kosten van de huishouding. Dit is volgens de man niet gebeurd. De man stortte verhoudingsgewijs een groter deel van zijn inkomen op de gezamenlijke en/of-bankrekening en betoogt dat deze extra stortingen en de door hem geleverde inspanningen bestaande uit het verrichten van werkzaamheden tot woningverbetering het door de vrouw gestelde geïnvesteerde privévermogen overstijgen. 5.8. De rechtbank stelt vast dat de vrouw vanuit haar privévermogen de betalingen zoals opgenomen onder 5.7 heeft verricht. De vrouw heeft ter onderbouwing van deze betalingen zowel de facturen als haar bankafschriften (waaruit de betalingen volgen) overgelegd. De vraag die voorligt is of de vrouw voor deze betalingen een vergoedingsrecht heeft. Uit artikel 3:172 Burgerlijk Wetboek volgt dat dit aan de orde is als wordt vastgesteld dat de uitgaven van de vrouw ten behoeve van de woning zijn gedaan.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.