RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.047404.21 (P) Uitspraakdatum: 11 maart 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 februari 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum- en plaats], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Sarian en van hetgeen de verdachte en haar raadsman, mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat: Feit 1 zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 februari 2021 tot en met 18 februari 2021, te Bergen aan Zee en/of Katwoude en/of te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten - een of meer geldbedrag(
- en)van in totaal (ongeveer) EUR 498.150 (kamer 819, kledingkast en Samsonite koffer) en/of - een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.850 (kamer 819, geld op bed) en/of - een of meer geldbedrag(
- en)van in totaal (ongeveer) EUR 1.545 (kamer 820, in portemonnee en kluis), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die voorwerp(
- en)gebruik heeft gemaakt, en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(
- en)voorhanden had(den), terwijl zij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze voorwerp(
- en)- onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf; Feit 2 zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks 18 februari 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten - een of meer geldbedrag(
- en)van in totaal (ongeveer) EUR 3.000 (Moneytransfers), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een of meer van die voorwerp(
- en)gebruik heeft gemaakt, en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(
- en)voorhanden had(den), terwijl zij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit/deze voorwerp(
- en)- onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Standpunten van partijen 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft ten aanzien van het tweede feit onder meer naar voren gebracht dat – zakelijk weergegeven – de verklaring van de verdachte over het doel van haar reis naar Nederland en haar contact met de medeverdachte [naam 1] zeer ongeloofwaardig is en dat dit – in combinatie met de wijze waarop de moneytransfers door de verdachte zijn verricht – tot de conclusie dient te leiden dat de verdachte wist dat het geld voor de moneytransfers een criminele herkomst had. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken met aftrek ex artikel 27 Wetboek van Strafrecht. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan haar ten laste gelegde feiten. 3.3. Vrijspraak Feit 1 Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de geldbedragen opgenomen in de tenlastelegging. Feit 2 Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 is ten laste gelegde. Uit het dossier volgt dat de verdachte op 15 februari 2021 in Nederland is aangekomen. Zij heeft over het doel van haar reis bij de politie verklaard dat zij op uitnodiging van de medeverdachte [naam 1] naar Nederland is gekomen en zij daarop is ingegaan omdat zij in een relatieconflict zat en behoefte had aan ruimte. De verdachte heeft verder verklaard dat zij in het [naam 2] aanwezig was om de haren van de vrouwen te doen, hetgeen bevestiging vindt in de door de medeverdachte [naam 3] en de reeds in onderhavig dossier veroordeelde medeverdachte [naam 4] afgelegde verklaringen. Voorts heeft de verdachte (maar ook [naam 1]) verklaard dat zij en [naam 1] vrienden van elkaar zijn. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank op grond van het bovenstaande de verklaring van de verdachte omtrent haar reisdoel en relatie met [naam 1] niet zonder meer ongeloofwaardig. Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte tweemaal geld heeft overgemaakt via een moneytransfer. Zij heeft dit gedaan op dezelfde dag op twee verschillende locaties, de eerste maal een bedrag van € 2.000,- en de tweede maal een bedrag van € 1.000,-. De verdachte heeft verklaard dat zij deze moneytransfers heeft gedaan op verzoek van [naam 1] en dat hij haar daarvoor de geldbedragen heeft verschaft. Ze heeft niet gezien waar deze gelden vandaan kwamen. Ze zag [naam 1] als zakenman en zag geen probleem om de geldbedragen te versturen. Verder heeft [naam 1] aan haar uitgelegd dat zij naar twee verschillende wisselkantoren moest gaan, aldus de verdachte. Op grond van het bovenstaande heeft de rechtbank niet de overtuiging dat de verdachte wist dat het geld van de door haar verrichte moneytransfers een criminele herkomst had. Ook zijn deze feiten en omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat zij had moeten vermoeden dat genoemd geld van enig misdrijf afkomstig was. Daarom komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen. 4Onttrekking aan het verkeer De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten twee pistolen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Die voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan zij wordt verdacht. Het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met de wet en het algemeen belang. 5Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij. Onttrekt aan het verkeer: 1 STK Pistool; 1 STK Pistool. Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter, mr. C.A.M. van der Heijden en mr. S.J. Richters, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A.K. Ramdjan, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 maart 2022.