RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9142961 \ CV EXPL 21-2400 Uitspraakdatum: 2 maart 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht AirHelp GmbH statutair gevestigd te Berlijn (Duitsland) eiseres hierna te noemen AirHelp gemachtigde Lof Legal Services tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Austrian Airlines AG statuair gevestigd te Wenen, Oostenrijk, mede kantoorhoudende te Schiphol gedaagde hierna te noemen de vervoerder gemachtigde mr. P.C.X. de Leede en mr. E.A. Pluijm (Russell Advocaten B.V.) 1Het procesverloop 1.1. AirHelp heeft bij dagvaarding van 17 maart 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. AirHelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.1. [de passagier] (hierna: de passagier) heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Vienna International Airport (Oostenrijk) en via Bole Airport (Ethiopië) naar Moi Internationaal Airport (Kenia) op 31 maart 2019. 2.2. Vlucht OS 376 van Amsterdam-Schiphol Airport naar Vienna Internationaal Airport (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd als gevolg waarvan de passagier haar aansluitende vluchten heeft gemist. 2.3. AirHelp heeft namens de passagier compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging. 2.4. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering 3.1. AirHelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente- de nakosten. 3.2. AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00. 4Het verweer 4.1. De vervoerder betwist de vordering. Daartoe heeft de vervoerder primair aangevoerd dat AirHelp niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie. Subsidiair stelt de vervoerder zich op het standpunt dat de vertraging van de vlucht het gevolg is geweest van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. 5De beoordeling 5.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 5.2. De vervoerder voert primair aan dat AirHelp niet-ontvankelijk is in haar vordering, omdat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie van AirHelp Limited aan AirHelp. Daartoe heeft de vervoerder, onder meer, aangevoerd dat uit de beschikking van 12 juni 2019 van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2019:4769) blijkt dat voor een rechtsgeldige cessie een akte is vereist die zowel door de cedent als cessionaris zijn ondertekend. Hierbij heeft de vervoerder aangevoerd dat de handtekeningen onder de tweede cessieakte niet rechtsgeldig zijn. De handtekeningen zijn vanuit de eerste cessieakte digitaal geknipt en geplakt naar de tweede cessieakte, aldus de vervoerder. AirHelp betwist het voorgaande en stelt dat AirHelp eigenaar is van de claim. Voldoende is gebleken dat AirHelp Limited, nadat de passagier haar vermeende vorderingsrecht heeft overgedragen, op haar beurt het vorderingsrecht heeft gecedeerd aan AirHelp. Niet betwist is dat de akte van cessie zowel door een daartoe bevoegde persoon van AirHelp Limited als AirHelp zijn ondertekend. De vervoerder stelt zich op het standpunt dat de handtekeningen onder de tweede cessieakte niet rechtsgeldig zijn, aangezien deze digitaal geknipt en geplakt zijn. De vervoerder heeft dit echter niet voldoende onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbij gaat. AirHelp kan dan ook worden ontvangen in haar vordering. 5.3. Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen is op de overeengekomen eindbestemming Moi Internationaal Airport, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden. 5.4. De vraag die voorligt is of de vervoerder met de overgelegde producties en zijn toelichting daarop, voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de passagier het gevolg is geweest van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. 5.5. De vervoerder heeft aangevoerd dat onderhavige vlucht (vlucht OS 376) onderdeel was van rotatievlucht Zürich-Wenen-Amsterdam-Wenen (vluchten OS 570, OS 375 en OS 376) die met hetzelfde toestel (toestel OELDE) zijn uitgevoerd. Voorgenoemde vluchten hebben vertraging opgelopen als gevolg van ATC-slotrestricties, aldus de vervoerder. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de vervoerder, onder meer, de ‘slot history’ van de vlucht in kwestie en van de twee voorafgaande vluchten overgelegd, alsmede de vluchtrapporten van voorgenoemde vluchten (producties 1-7 bij conclusie van antwoord). In het vluchtrapport van vlucht OS 570 (Zürich naar Wenen) staat als oorzaak van de vertraging vertragingscode 82 genoemd, hetgeen staat voor: “ATFM due to ATC STAFF/EQUIPMENT EN-route, reduced capacity caused by industrial action or staff shortage, equipment failure, military exercise or extraordinary demand due to capacity reduction in neighboring area.” Hierbij heeft de vervoerder aangevoerd dat vlucht OS 570 vertraagd werd uitgevoerd door een besluit van de luchtverkeersleiding om de vlucht langer aan de grond te houden in verband met ATFM. Aan deze vlucht werden meerdere CTOT’s opgelegd. Hierbij verwijst de vervoerder naar punt 16 bij conclusie van antwoord waaruit het voorgenoemde blijkt. Uiteindelijk werd middels een Slot Revision Messages een CTOT van 13:48 UTC (15:48 uur lokale tijd) aan de vlucht toegekend, waardoor de vlucht 23 minuten later dan gepland vanuit Zürich is vertrokken. De kantonrechter is van oordeel dat de opgelegde CTOT’s wegens code 82 aangemerkt kunnen worden als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Wanneer een vlucht één of meerdere CTOT(’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.