vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/324723 / HA ZA 22-84 Vonnis in incident van 16 maart 2022 in de zaak van 1 [eiser 1],
- [eiser 2], beiden wonende te [plaats 1], eisers in de hoofdzaak, eisers in het incident, advocaat mr. R.V. de Lauwere te Hilversum, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats 2], gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat mr. W. Schellart te Haarlem. Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties, tevens houdende de incidentele vordering tot verwijzing de incidentele conclusie van antwoord. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De beoordeling in het incident 2.
- [eiser 1] c.s. vordert in de hoofdzaak onder meer een verklaring voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort geschoten is, althans onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling van schadevergoeding. Hij stelt dat [gedaagde] hem als adviseur op het gebied van onder meer hypotheken verkeerd heeft geïnformeerd en geadviseerd als gevolg waarvan hij schade heeft geleden. Hij voert aan dat hij zich voor financieel advies over en begeleiding bij de mogelijkheden om naar een andere woning te verhuizen heeft gewend tot [betrokkene] en vervolgens is begeleid door [gedaagde]. Hij stelt dat [gedaagde] hem meermalen heeft voorgehouden dat een hypothecaire geldlening tot een bedrag van € 276.000,- tot de mogelijkheden zou behoren. Nadat hij, uitgaande van die informatie, een andere woning had gekocht en zijn eigen woning had verkocht bleek echter dat hij niet de benodigde hypothecaire financiering rond kon krijgen omdat het inkomen van zijn echtgenote door de bank niet meegeteld werd. Hij verklaart dat hij over dit geschil bij de rechtbank Zutphen een zaak aanhangig heeft gemaakt tegen [betrokkene] Groep Apeldoorn en dat de rechtbank [betrokkene] in een tussenvonnis van 19 augustus 2020 heeft toegelaten tot bewijs. In dat tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen dat van [gedaagde] als redelijk handelend en redelijk bekwaam hypotheekadviseur zonder meer verwacht had mogen worden dat hij aanstonds aan [eiser 1] c.s. duidelijk gemaakt had dat geen rekening zou worden gehouden met de WGA-uitkering van mevrouw [eiser 1] bij de hypotheekaanvraag zodat [eiser 1] c.s. zich ervan bewust was geworden dat hij niet over de financiële middelen beschikte om zijn toenmalige woning ‘in te ruilen’ voor een vergelijkbare gelijkvloerse koopwoning en dus zou zijn aangewezen op de huurmarkt, hetgeen niet zijn bedoeling was. [eiser 1] c.s. voert aan dat in die procedure is gebleken dat [gedaagde] niet in loondienst is bij [betrokkene] waarna hij [gedaagde] heeft aangemaand om met een voorstel te komen voor schadeafhandeling, maar dat hij niet met een voorstel is gekomen, zodat hem niets anders rest dan de onderhavige procedure aanhangig te maken tegen [gedaagde]. 2.
- [eiser 1] c.s. stelt dat hij er belang bij heeft dat de onderhavige zaak gevoegd wordt met de lopende zaak bij de rechtbank Zutphen, omdat het hier feitelijk om hetzelfde geschil gaat en hij vordert in het incident dat de hoofdzaak voor dat doel wordt verwezen naar de rechtbank Zutphen, Team kanton en handelsrecht. 2.
- [gedaagde] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 2.
- De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen. 2.
- De verwijzing leidt van rechtswege tot voeging van de beide zaken. 2.
- Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3De beslissing De rechtbank in het incident 3.
- wijst de vordering tot verwijzing toe, 3.
- compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, in de hoofdzaak 3.
- verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Gelderland, Team kanton en handelsrecht, 3.
- stelt vast dat de onderhavige zaak van rechtswege is gevoegd met de bij die rechtbank aanhangige zaak met het zaaknummer / rolnummer C/05 /360048 HZ ZA 19-63 . Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 16 maart
- Conc.: 1155