RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15-137304-20 (P) en 15-199369-20 (gev. ttz) Uitspraakdatum: 17 maart 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 augustus 2021 en 3 maart 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in PI Alphen a/d Rijn, Maatsch.ln HvB. De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting van 26 augustus 2021gevoegd. De zaken zijn hierna voor de leesbaarheid doorgenummerd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. T. den Haan, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: feit 1: primair hij op of omstreeks 22 mei 2020 te Hoorn, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, over het hoofd en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer] benzine, in elk geval een brandbare vloeistof heeft gegoten en/of daarbij heeft gezegd 'fire' en/of 'ik ga jullie allemaal in de fik steken, kutgemeente' of woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) heeft gezocht naar een aansteker, en/of vervolgens opzettelijk brand heeft gesticht door die aansteker aan te steken en/of open vuur in aanraking te brengen met die benzine, althans met een brandbare stoften gevolge waarvan het benzinestation en/of de inventaris daarvan geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 22 mei 2020 te Hoorn, in elk geval in Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door benzine, in elk geval een brandbare vloeistof over die [slachtoffer] te gieten en/of te zoeken naar een aansteker en/of daarbij dreigend de woorden toe te voegen: 'fire' en/of 'ik ga jullie allemaal in de fik steken, kutgemeente', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; feit 2:hij op of omstreeks 22 mei 2020 te Hoorn, in elk geval in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan het bezinestation en/of de inventaris daarvan geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor het benzinestation en de inventaris daarvan, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor in het benzinestation aanwezige personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in het benzinestation aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was. 15-119369-20 feit 3 hij op of omstreeks 30 april 2020 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een aantal auto's, zijnde:- een auto (Renault Mégane) toebehorend aan [benadeelde 1] en/of- een auto (Citroen C4 Picasso) toebehorend aan [benadeelde 2] en/of- een auto (Audi A4) toebehorend aan [benadeelde 3] en/of- een auto (Skoda Fabia) toebehorend aan [benadeelde 4] en/of- een auto (Seat Mii) toebehorend aan [benadeelde 5]heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt door tegen voornoemde auto's aan te trappen en/of met een (hard) voorwerp tegen voornoemde auto's te slaan en/of te gooien. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.
- Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot moord. Volgens de officier van justitie zijn er teveel contra-indicaties dat er bij de verdachte sprake was van een opwelling, waardoor niet aan de vereisten van voorbedachte rade kan worden voldaan. Wel bevat het dossier volgens de officier van justitie voldoende wettig en overtuigend bewijs voor poging tot doodslag, met dien verstande dat er sprake was van vol opzet op de dood van het slachtoffer. Ook ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring. 3.
- Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van zowel de poging tot moord als de poging tot doodslag. Primair heeft de raadsman aangevoerd dat de handelingen van de verdachte zich niet laten kwalificeren als een poging tot moord danwel doodslag gericht op de aangever nu de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van een dergelijk misdrijf. Het opzet van de verdachte was ook niet gericht op het doden van de aangever, ook niet in voorwaardelijke zin. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van voorbedachte raad waardoor de verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot moord. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Partiele vrijspraak feit 1 primair De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van de verdachte van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad te kunnen komen. De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van poging tot moord. 3.3.2 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.3 Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 primair Feiten en omstandigheden Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder bekeken camerabeelden, stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte is op 22 mei 2020 naar het BP tankstation gegaan aan de Zwaagmergouw in Hoorn. Aldaar heeft de verdachte een gieter gevuld met benzine. De verdachte is het tankstation binnengelopen en hij heeft het slachtoffer – die in de richting van de uitgang liep en hem tegemoet kwam – met benzine overgoten. De rest van de inhoud van de gieter heeft hij verspreid over de grond leeggegooid. De verdachte heeft vervolgens in zijn tas gezocht naar een aansteker en heeft daarbij gezegd ‘fire’ en ‘ik ga jullie allemaal in de fik steken’. Twee mannen hebben geprobeerd de verdachte naar buiten te duwen, waardoor er een worsteling ontstond bij de toegangsdeur. Hierdoor kon het slachtoffer het tankstation niet via deze weg verlaten. De verdachte heeft uiteindelijk met een aansteker de benzine die op de grond lag aangestoken. Hierdoor ontstond direct een enorme vlammenzee. Het slachtoffer heeft het tankstation kunnen verlaten, omdat een van de medewerkers achter de kassa de afgesloten toegangsdeur van het beveiligde gebied voor hem heeft geopend, waarna hij via de achteruitgang het benzinestation heeft kunnen verlaten. (poging tot) doodslag De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte de dood van het slachtoffer had kunnen veroorzaken. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. De verdachte heeft het slachtoffer overgoten met benzine en heeft de resterende benzine over de vloer van het tankstation verspreid. Door de worsteling met de verdachte die hierna bij de toegangsdeur ontstond, kon het slachtoffer het tankstation niet verlaten. Vervolgens heeft de verdachte brand gesticht in het tankstation door de benzine die op de grond lag aan te steken. Het slachtoffer was toen nog in het tankstation aanwezig. Door adequaat optreden van een van de medewerkers van het tankstation heeft het slachtoffer net op tijd via het beveiligde gebied en de achteruitgang het tankstation kunnen verlaten. Als deze weg voor het slachtoffer niet, of niet op tijd was geopend, had hij hoogstwaarschijnlijk vlam gevat, nu de kleding van het slachtoffer doordrenkt was met benzine en het vuur nadat het werd aangestoken snel oplaaide. Het is een feit van algemene bekendheid dat een persoon die in de brand staat, daaraan dood kan gaan. Zeker als de kleding van die persoon is doordrenkt van een brand versnellende stof als benzine, waardoor het snel vlam vat en het vuur moeilijk te doven is. Gelet op vorenstaande bestond er een realistische kans dat het slachtoffer, door de handelingen van de verdachte had kunnen overlijden. Opzet De verdachte heeft, nadat hij het slachtoffer had overgoten met benzine, de woorden ‘fire’ en ‘ik ga jullie allemaal in de fik steken’ uitgesproken. Na het incident heeft de verdachte tijdens zijn transport naar het ziekenhuis tegen een verbalisant gezegd dat hij de mensen in het tankstation in de fik wilde steken. Ook in het ziekenhuis heeft de verdachte gezegd dat hij de mensen in het tankstation in brand wilde steken, en ook dat hij iemand met benzine had overgoten en dat hij die persoon in brand had willen zetten. Niet alleen uit de aard van de handelingen van de verdachte, maar ook uit zijn uitlatingen kort voor en na de brandstichting, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Poging Anders dan de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, te weten het overgieten van het slachtoffer met benzine, en het vervolgens in brand steken van uitgegoten benzine in dezelfde ruimte als waar het slachtoffer zich bevond en waaruit het slachtoffer niet gemakkelijk kon vluchten, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zonder meer zijn aan te merken als te zijn gericht op de voltooiing van doodslag. Er was dus sprake van een begin van uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen acht. 3.
- Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat feit 1 hij op 22 mei 2020 te Hoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, over het hoofd en lichaam van voornoemde [slachtoffer] benzine heeft gegoten en daarbij heeft gezegd 'fire' en 'ik ga jullie allemaal in de fik steken’ en vervolgens opzettelijk brand heeft gesticht door een aansteker aan te steken en in aanraking te brengen met benzine, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2 hij op 22 mei 2020 te Hoorn, opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met benzine ten gevolge waarvan het benzinestation en de inventaris daarvan gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor het benzinestation en de inventaris daarvan en levensgevaar voor aanwezige personen te duchten was; feit 3 hij op 30 april 2020 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een aantal auto's, zijnde:- een auto (Renault Mégane) toebehorend aan [benadeelde 1] en- een auto (Citroen C4 Picasso) toebehorend aan [benadeelde 2] en- een auto (Audi A4) toebehorend aan [benadeelde 3] en- een auto (Skoda Fabia) toebehorend aan [benadeelde 4] en- een auto (Seat Mii) toebehorend aan [benadeelde 5]heeft beschadigd door tegen voornoemde auto's aan te trappen en/of met een (hard) voorwerp tegen voornoemde auto's te slaan en/of te gooien; De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: feit 1 poging tot doodslag feit 2 opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is feit 3 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen, meermalen gepleegd Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat verzocht aansluiting te zoeken bij gevangenisstraffen die doorgaans worden opgelegd voor brandstichting en vindt een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden meer passend. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Aard en ernst van de feiten De verdachte is op klaarlichte dag naar een benzinestation gegaan, waar hij een gieter heeft gevuld met benzine en hiermee een nietsvermoedende bezoeker heeft overgoten. Vervolgens heeft de verdachte ‘fire’ en ‘ik ga jullie allemaal in de fik steken’ geroepen. De verdachte is hierop naar buiten gewerkt door omstanders maar is weer terug naar binnengegaan en heeft daadwerkelijk in het tankstation brand gesticht door een aansteker aan te steken en in aanraking te brengen met de benzine die hij eerder op de grond had verspreid. Het met benzine overgoten slachtoffer heeft samen met twee aanwezige medewerkers ternauwernood via het beveiligde gebied en de achteruitgang het pand kunnen verlaten, waardoor letsel, of erger, bij hen is uitgebleven. De verdachte heeft zich hiermee allereerst schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van de man die hij met benzine had overgoten. Dit is een zeer ernstig feit dat niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer maar ook bij de samenleving in het algemeen en de getuigen van dit feit in het bijzonder veroorzaakt. Uit de toelichting van het slachtoffer bij de vordering benadeelde partij blijkt hoe groot de impact is die dit feit op hem heeft gehad en nog altijd heeft. Het slachtoffer heeft werkelijk doodsangsten uitgestaan. Daarnaast heeft de verdachte door de brandstichting veel schade veroorzaakt aan het tankstation en de inventaris daarvan, en ook een zeer gevaarlijke situatie gecreëerd. Brandstichting in een tankstation is levensgevaarlijk. De brand had zich door de nabijheid van brandbare stoffen heel snel kunnen verspreiden of een ontploffing kunnen veroorzaken. Bovendien waren er op het moment van brandstichting meerdere mensen aanwezig in en rondom het tankstation. Dat de gevolgen beperkt zijn gebleven tot aanzienlijke materiële schade en letsel bij de verdachte zelf, is niet aan de verdachte te danken. Het had veel erger kunnen aflopen. Met zijn handelen heeft de verdachte andere mensen ernstig in gevaar gebracht. Dit heeft geleid tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij, en bij de in en om het tankstation aanwezige personen in het bijzonder. Uit de slachtofferverklaringen van de in het tankstation aanwezige medewerkers blijkt dat zij tot de dag van vandaag veel last hebben van deze traumatische gebeurtenis. De verdachte heeft verklaard dat hij de betreffende dag boos was op de politie en de gemeente. Hij was die dag vrijgekomen en naar het gemeentehuis in Hoorn gegaan omdat hij geen woonplek had. Hij kreeg daar te horen dat ze hem niet konden helpen. Naar eigen zeggen zat de verdachte in het nauw, wilde hij aandacht en aangehouden worden. Door zijn handelwijze, zoals hiervoor beschreven, heeft de verdachte zijn gevoelens van boosheid op een volstrekt onjuiste manier geuit en daarbij onschuldige derden betrokken, die niets met zijn conflict met de gemeente te maken hadden. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Daarnaast heeft de verdachte, nadat hij was vrijgelaten voor een verdenking van vernieling, auto’s van politiemedewerkers beschadigd. De verdachte heeft hiermee de benadeelden schade en ernstige overlast bezorgd. De persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 26 augustus
- Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. - een Pro Justitia rapport gedateerd 16 februari 2021 door [psychiater], psychiater, en [psycholoog], psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC). Uit dit rapport blijkt onder meer met volgende: Betrokkene heeft, na zijn weigering zich ambulant te laten onderzoeken in augustus 2020, nu ook zijn medewerking geweigerd aan de observatie in het PBC. Betrokkene was geen weigeraar die de hele dag in zijn cel bleef, wat heeft bijgedragen aan een compleet groepsobservatie- verslag, maar heeft niet of nauwelijks willen praten met onderzoekend psycholoog en psychiater. Aan testpsychologisch onderzoek wilde hij evenmin meewerken. Met de forensisch milieuonderzoeker heeft hij meer gesproken, maar zij kreeg geen toegang tot referenten of referenten lieten haar weten niet mee te willen werken. Onderzoekers hebben op basis van de beschikbare informatie alleen kunnen constateren dat betrokkene geen symptomen vertoonde van een psychotische stoornis, noch van een maniforme ontremming, of van enig ander ernstig 'toestandsbeeld'. Er zijn wel aanwijzingen voor diverse functionele beperkingen en voor beperkte adaptieve vermogens, al is het niet helder of die beperkingen ook tot disfunctioneren op meerdere levensgebieden geleid hebben. Hooguit valt nog in algemene zin op te merken dat een gebrekkige sociaalmaatschappelijke inbedding op zich risicofactoren (professionele ondersteuning, leefomstandigheden/huisvesting, persoonlijke ondersteuning, de aanwezigheid van veel stressoren) impliceert voor een recidive in agressieve zin. - het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 12 april 2021 van [reclasseringswerker], als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden nu zij geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De op te leggen straf De rechtbank stelt, met de raadsman en de officier van justitie, vast dat door de deskundigen onvoldoende kan worden vastgesteld of de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens die ook ten tijde van het plegen van het strafbare feit bestond. De rechtbank concludeert daarom dat niet aan de voorwaarden voor het opleggen van een TBS-maatregel wordt voldaan. De rechtbank is van oordeel dat alleen oplegging van een langdurige gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten. De straf zal hoger zijn dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de eis volgens de rechtbank onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren opleggen. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 7Vordering benadeelde partijen 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen van de benadeelde partijen, behalve de vordering van [benadeelde 1], geheel kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is volgens de officier van justitie onvoldoende onderbouwd, waardoor zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer] op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade moet worden gematigd. Ten aanzien van de vorderingen van de auto-eigenaren (feit 3) heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde verhoging van verzekeringspremie geen rechtstreekse schade is die voor vergoeding in aanmerking komt. Voor alle overige vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 7.3 Het oordeel van de rechtbank [slachtoffer] De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.051,99 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 1.051,99 materiële en € 5.000 immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Deze schadeposten, waartegen geen verweer is gevoerd, zullen worden toegewezen. Uit de onderbouwing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade blijkt dat de benadeelde als gevolg van wat hem is overkomen enige tijd niet heeft kunnen werken, zijn studie tijdelijk heeft moet stoppen en zich onder behandeling heeft laten stellen van een psycholoog, waar hij EMDR-therapie heeft gevolgd. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot het gevorderde bedrag van € 5.000 billijk voor. De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. [benadeelde 6] De benadeelde partij [benadeelde 6], een van de medewerksters die aanwezig was in het tankstation tijdens de brand, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Vergoeding van deze immateriële schade, waartegen geen verweer is gevoerd, komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: brandstichting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. [benadeelde 7] De benadeelde partij [benadeelde 7], een van de medewerksters die aanwezig was in het tankstation tijdens de brand, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Vergoeding van deze immateriële schade, waartegen geen verweer is gevoerd, komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: brandstichting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10,08 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Dit betreft kosten die gemaakt zijn om thuis te komen, nu zij geen gebruik kon maken van haar beschadigde auto. De rechtbank is van oordeel dat deze materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 bewezen verklaarde feit. De vordering, waartegen geen verweer is gevoerd, zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: beschadiging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. [benadeelde 2] De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 105,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De schade bestaat uit het eigen risico van de verzekering (€ 70) en schoonmaakkosten van de auto (€ 35). De rechtbank is van oordeel dat deze materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 bewezen verklaarde feit. De vordering, waartegen geen verweer is gevoerd, zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: beschadiging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Politie Noord-Holland De benadeelde partij Politie Noord-Holland heeft een vordering tot schadevergoeding van € 465,35 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade (ruitvervanging) die zij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank is van oordeel dat deze materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 bewezen verklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: beschadiging ] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. [benadeelde 5] De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 311,50 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit van € 211,50 materiële en € 100,- immateriële schade De benadeelde partij vordert een bedrag van € 200 omdat de premie van haar autoverzekering met dit bedrag is verhoogd. Uit de bijgevoegde correspondentie van de verzekeraar blijkt dat dit het rechtstreeks gevolg is van de schade die is geclaimd voor de beschadigingen die de verdachte aan de auto had aangericht. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank daarom van oordeel dat deze gestelde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 bewezen verklaarde feit. Dit onderdeel van de vordering zal dus worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde kosten (€ 11,50) gemaakt in verband met een leenauto, waartegen geen verweer is gevoerd. De rechtbank is echter van oordeel dat de gestelde immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, nu hiervoor, gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, geen wettelijke grondslag is. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. Gelet op het voorgaande zal de vordering worden toegewezen tot een bedrag van € 211,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: beschadiging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. [benadeelde 3] De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 360,- ingediend tegen materiële schade die hij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank stelt vast dat deze vordering niet met stukken is onderbouwd, zodat niet kan worden vastgesteld of de gevorderde schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 36f, 45, 57, 63, 157, 287, 350 van het Wetboek van Strafrecht. 9Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder
- vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven
(7)jaren. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 6.051,99, als vergoeding voor de materiële en immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.051,99, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 6] geleden schade tot een bedrag van € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 6], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 7] geleden schade tot een bedrag van € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 7], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 7] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 10,08, als vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10,08,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 105,- , als vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 105,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij Politie Noord-Holland geleden schade tot een bedrag van € 465,35 , als vergoeding voor materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan Politie Noord-Holland, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer Politie Noord-Holland de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 465,35 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 5] geleden schade tot een bedrag van € 211,50, als vergoeding voor de materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 5], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 211,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, voorzitter, mr. L. Boonstra en mr. D.J. Straathof, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.D. Renshof, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 maart 2022. mr. D.J. Straathof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.