RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 22/77 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2022 in de zaak tussen Stichting Stadslandbouw Hoorn, uit Hoorn, verzoekster, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder, (gemachtigde: mr. A. Speekenbrink). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Hoorn (gemachtigde: mr. A. van der Weijden). Procesverloop Bij besluit van 23 november 2021 heeft verweerder verzoekster, op straffe van een dwangsom van € 25.000 ineens, gelast om uiterlijk op 1 mei 2022 uitvoering te geven aan de in het besluit omschreven herstelplicht. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 maart 2022 via een beeldverbinding (skype) op zitting behandeld. Namens verzoekster zijn verschenen [naam 1] , [functie] en mr. [naam 2] , [functie] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 3] (ecoloog) en [naam 4] . De gemeente Hoorn heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 5] . Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Voor het wettelijk kader verwijst de voorzieningenrechter naar de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. 3. Verzoekster heeft in april 2021 op een perceel grond tussen de Opperweg en het bedrijventerrein Hoorn 80 te Hoorn ter grootte van ongeveer 700 m2 (hierna: de groenstrook) alle aanwezige bomen, struiken en bosschages laten verwijderen en de grond laten frezen ten behoeve van de realisering van een voedselbos. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door een loonwerkersbedrijf in opdracht van verzoekster. Dat is niet in geschil. Verder is niet in geschil dat verzoekster voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden niet heeft laten onderzoeken welke negatieve effecten deze werkzaamheden zouden (kunnen) hebben op (wettelijk beschermde) planten- en diersoorten. 4. Na melding hiervan door de derde-partij aan verweerder is de last onder dwangsom opgelegd en is verzoekster gelast de groenstrook in de oude toestand te herstellen door het herplanten van de in het besluit van 23 november 2021 beschreven soorten en aantallen bomen en struiken op de in het besluit voorgeschreven wijze. 5.1 Verweerder heeft aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat met het handelen van verzoekster sprake is van overtreding van: - de zorgplicht neergelegd in artikel 1.11, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) door het kappen van de bomen en het verwijderen van de bosschages/ struiken - het verbod van artikel 3.1 van de Wnb door het verstoren van in het wild levende vogels en hun nesten - het verbod van artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb door het vernielen van voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van vleermuizen en - het verbod van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wnb door het vernielen van vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van kleine marterachtigen (hermelijn en wezel). 5.2 Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de bevindingen van ecologisch onderzoek dat in opdracht van derde-partij is uitgevoerd door [bedrijf 1] BV (verder: [bedrijf 1] ). In het rapport van 1 september 2021 is vermeld dat op basis van de verspreidingsgegevens en het aanwezige biotoop wordt verwacht dat in de groenstrook jaarlijks diverse (in het rapport genoemde) vogelsoorten tot broeden komen. Omdat de kap- en freeswerkzaamheden in het broedseizoen hebben plaatsgevonden, kan worden aangenomen dat op het moment van de werkzaamheden een aantal van de genoemde vogelsoorten op en rond de locatie van de ingrepen bezig was met nestbouw, broeden of het verzorgen van de jongen. Aannemelijk is dat door de werkzaamheden (de functionaliteit van) nesten zijn aangetast en niet is uit te sluiten dat nesten zijn verlaten. Met betrekking tot de vleermuizen wordt in het rapport vermeld dat uit verspreidingsgegevens uit de NDFF en uit eigen onderzoek van [bedrijf 1] in de omgeving bekend is dat ter plaatse meerdere vleermuizensoorten voorkomen, waarvan een aantal gebruik maakt van bomen als verblijfplaats. Hoewel de kans op aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen gering wordt geacht, is het niet geheel uit te sluiten dat door de kapwerkzaamheden verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vernield. Verder komen in de omgeving onder meer de wezel en hermelijn voor. Het is aannemelijk dat door de uitgevoerde werkzaamheden (de functionele leefomgevingen van) verblijfplaatsen van deze zoogdiersoorten zijn aangetast. Ten slotte wordt geconcludeerd dat bij de ingrepen niet is voldaan aan de zorgplicht omdat geen natuurwaardenonderzoek (quick scan) is uitgevoerd voorafgaand aan de ingrepen. 5.3 Ter zitting heeft de ecoloog van verweerder toegelicht dat de in het rapport van [bedrijf 1] beschreven bevindingen het resultaat zijn van een quick scan. Deze quick scan is louter bedoeld om te bezien of het gebied potentie heeft als het gaat om de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten. Gewoonlijk wordt na de quick scan een gericht (diepgaand) onderzoek naar de aanwezigheid van bepaalde beschermde soorten verricht als die soorten in potentie aanwezig kunnen zijn. In dit geval was vanwege de volledige kaalslag geen vervolgonderzoek mogelijk, zodat het onderzoek noodzakelijkerwijs beperkt is gebleven tot de quick scan. 6. Verzoekster bestrijdt dat zij de Europeesrechtelijke regels voor beschermde soorten heeft overtreden en voert daartoe in de eerste plaats aan dat uit het onderzoek van [bedrijf 1] niet volgt dat de genoemde beschermde soorten zich daadwerkelijk in de groenstrook bevonden en dat daarom niet vaststaat dat er sprake is van het vernielen van nesten of verblijfplaatsen van beschermde soorten. Verder verwijst verzoekster naar het rapport van [bedrijf 2] van 28 januari 2021 en stelt zij zich daarbij op het standpunt dat hieruit blijkt dat er geen sprake is van ecologische schade bij gebruik van de voormalige groenstrook als voedselbos. In de derde plaats wijst verzoekster erop dat door het Openbaar Ministerie (OM) is vastgesteld dat niet bewezen kan worden dat verzoekster bomen heeft gekapt. Tot slot stelt eiseres dat de aanleg van een voedselbos leidt tot grotere biodiversiteit, waardoor de natuurwaarden ter plaatse juist beter worden. 7.1 Op verweerder rust de bewijslast rust van de overtreding(en). Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn er geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van [bedrijf 1] . Verzoekster heeft deze bevindingen en conclusies ook niet bestreden aan de hand van een ecologisch (tegen)rapport. In het door verzoekster genoemde onderzoeksrapport van [bedrijf 2] zijn de bevindingen en conclusie van een verricht bodemonderzoek vermeld. Omdat [bedrijf 2] de aanwezigheid van beschermde diersoorten niet heeft onderzocht, doet de conclusie van [bedrijf 2] niet af aan de conclusies van [bedrijf 1] . Dat geldt evenzeer voor de verwijzing van verzoekster naar de sepotbeslissing door het OM. Daarbij ging het immers alleen om vraag of de op het perceel gekapte bomen konden worden aangemerkt als bomen in de zin van de APV, en niet of de kap daarvan heeft geleid tot een overtreding van de Wnb. Verweerder mocht het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom dan ook op het rapport van [bedrijf 1] baseren. 7.2 Bij de vraag of is gehandeld in strijd met de Wnb is de omstandigheid of na de aanleg van het voedselbos ter plaatse meer biodiversiteit zal ontstaan, anders dan verzoekster betoogt, niet relevant. Waar het in deze zaak om gaat is dat voor aanvang van de werkzaamheden eerst gericht onderzoek naar de bestaande natuurwaarden in de groenstrook had moeten plaatsvinden, zodat beoordeeld had kunnen worden of (risico bestond dat) met het kappen van de bomen en het verwijderen van de bosschages in de Wnb opgenomen verboden (verstoring en vernieling van nesten en/of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten) zouden worden overtreden. Dat onderzoek heeft - zoals verzoekster ook erkent - niet plaatsgehad. 7.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster door zonder eerst een gedegen natuuronderzoek te (laten) verrichten de groenstrook te kappen en te rooien kennelijk onzorgvuldig gehandeld. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de vaste contactpersoon van derde-partij verzoekster bij e-mail van 23 november 2020 heeft bericht dat de gemeente zich zal inspannen een alternatieve locatie te vinden mocht onverhoopt blijken dat bijvoorbeeld vanwege kwetsbare natuurwaarden aanleg van een bijentuin en/of voedselbos ter plaatse van de groenstrook niet mogelijk is. Verzoekster is er verder door derde-partij ook bij e-mail van 14 december 2020 op gewezen dat onbekend is welke al dan niet kwetsbare natuurwaarden zich in het gebied bevinden en of het voedselbos het leefgebied van mogelijk aanwezige planten- en diersoorten kan verstoren, en dat mogelijk een natuurwaardenonderzoek noodzakelijk is. Verzoekster was er aldus van op de hoogte dat een natuurwaardenonderzoek nodig was. Nu uit het rapport van [bedrijf 1] blijkt dat inderdaad ter plaatse mogelijk nesten en verblijfplaatsen van beschermde soorten zijn aangetast, staat de schending van zorgplicht uit artikel 1.11, eerste lid, van de Wnb vast. 7.4 Met betrekking tot de overtreding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.