RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9139610 \ CV EXPL 21-2302 Uitspraakdatum: 23 maart 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de vennootschap naar het recht van haar vestiging AirHelp GmbH gevestigd te Berlijn (Duitsland) eiseres hierna te noemen: AirHelp gemachtigde mr. D.E. Lof tegen de vennootschap naar buitenlands recht Lot Polish Airlines Polskie Linie Lotnicze "Lot" gevestigd te Warschau (Polen) gedaagde hierna te noemen de vervoerder gemachtigde A. Rotchimmel 1Het procesverloop 1.
- AirHelp heeft bij dagvaarding van 12 maart 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- AirHelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. AirHelp heeft zich bij akte uitgelaten over de producties bij de schriftelijke reactie van de vervoerder. 2De feiten 2.
- [de passagier] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam naar Warschau (Polen) met vlucht LO268 (hierna: de vlucht) en aansluitend van Warschau naar Kiev (Oekraïne) op 24 maart
- 2.
- De vlucht is vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft hierdoor haar aansluitende vlucht gemist en is door de vervoerder naar een vervangende vlucht omgeboekt, waarmee de passagier op 25 maart 2019 op de eindbestemming is aangekomen. 2.
- De passagier heeft haar vermeende vorderingsrecht gecedeerd aan Airhelp Limited. AirHelp Limited heeft het vermeende vorderingsrecht vervolgens gecedeerd aan AirHelp. 2.
- De gemachtigde van AirHelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging. 2.
- De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering 3.
- AirHelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening; - de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten. 3.
- AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,
- 3.
- De vervoerder betwist de vordering. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Voorts stelt de kantonrechter vast dat de conclusie van dupliek bij e-mail van 13 juli 2021 voor de rol van 14 juli 2021 en daarmee tijdig is ontvangen bij de griffie van de rechtbank. Voor zover AirHelp zich op het standpunt stelt dat de conclusie van dupliek te laat is ingediend en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten, volgt de kantonrechter dit standpunt dus niet. 4.
- Niet in geschil is dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is gearriveerd, zodat er in beginsel een compensatieplicht op de vervoerder rust. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. Echter, wat er ook zij van eventuele bijzondere omstandigheden, niet gebleken is dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de passagier zo spoedig mogelijk naar haar eindbestemming te vervoeren. Daartoe wordt als volgt overwogen. 4.
- Uit het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) volgt dat, indien de passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt, dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Het Hof heeft in voormeld arrest van 11 juni 2020 onder andere overwogen: “De zorgvuldigheid die van deze luchtvaartmaatschappij wordt vereist om te kunnen worden vrijgesteld van haar verplichting tot compensatie, veronderstelt immers dat zij alle haar ter beschikking staande middelen aanwendt om ervoor te zorgen dat er bij de eerste gelegenheid en onder bevredigende voorwaarden een redelijk alternatief vervoer beschikbaar is”. AirHelp heeft gesteld dat de passagier is omgeboekt naar een vlucht (LO747) op de volgende dag, te weten 25 maart 2019 die gepland stond te landen om 22:55 uur. Dit terwijl er volgens AirHelp een andere vlucht beschikbaar was (W61567) die gepland stond om 14 uur eerder te landen, te weten om 08:55 uur. Hierop heeft de vervoerder enkel in algemene zin aangevoerd dat de vervangende vlucht de eerst beschikbare vlucht was, maar hij heeft niet de specifieke stelling van AirHelp met betrekking tot de beschikbaarheid van een eerdere vlucht betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter had het op de weg van de vervoerder gelegen te onderbouwen dat de aangeboden alternatieve vlucht een redelijke maatregel is in de zin van het bovengenoemde arrest. Nu de vervoerder dit heeft nagelaten, is onvoldoende komen vast te staan dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om te kunnen worden vrijgesteld van zijn verplichting tot compensatie. 4.
- Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment zou komen vast te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder gehouden is de compensatie te betalen in verband met de vertraging op de eindbestemming. De vordering tot betaling van de hoofdsom van € 400,00 zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. 4.
- Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door AirHelp worden gemaakt. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling aan AirHelp van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van AirHelp tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd: dagvaarding € 103,83griffierecht € 126,00salaris gemachtigde € 150,00vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 37,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door AirHelp worden gemaakt; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter