RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf Locatie Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/860116-19 (P) Uitspraakdatum: 19 januari 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 januari 2020, 3 februari 2020, 4 december 2020, 6 en 25 mei 2021, 22 juni 2021, 30 augustus 2021, 4, 11, 26 en 29 oktober 2021, 26 november 2021 en 19 januari 2022 in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie [zaaksofficier 1] , [zaaksofficier 2] en [zaaksofficier 3] (hierna gezamenlijk aangeduid als het Openbaar Ministerie) en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. J. de Vries, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, heeft schuldig gemaakt aan: - het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (moord, voorbereiding van moord en wapenbezit) in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 juni 2015. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Naar aanleiding van het pleidooi van de raadsman wenst de rechtbank daarbij wel nog het volgende op te merken. De verdachte is op 3 juni 2019 aangehouden en in verzekering gesteld in verband met het onderzoek Dollar. De verdachte is vervolgens op 5 juni 2019 voorgeleid aan de rechter-commissaris ter zake van twee verdenkingen, namelijk (feit 1) medeplegen van, dan wel medeplichtigheid aan, de liquidatie van [slachtoffer 1] op 13 juli 2014 en (feit 2) het overdragen, althans het voorhanden hebben, van een vuurwapen (artikel 31 respectievelijk artikel 26 van de Wet wapens en munitie) in de periode van 13 tot en met 22 juli 2014. De rechter-commissaris heeft op 5 juni 2019 de bewaring van de verdachte bevolen ter zake van feit 1 subsidiair (medeplichtigheid) en feit 2. De raadkamer van de rechtbank heeft op 12 juni 2019 – op basis van de destijds beschikbaar gestelde stukken – de vordering tot gevangenhouding ter zake van deze feiten afgewezen bij gebrek aan ernstige bezwaren. Bij brief van 31 oktober 2019 – aan de raadsman verzonden per e-mail van 4 november 2019 – heeft het Openbaar Ministerie de raadsman het volgende bericht: “Hierbij stel ik u op de hoogte van het voornemen van het Openbaar Ministerie om uw cliënt [verdachte] (verder) te vervolgen voor zijn betrokkenheid bij de in de onderzoeken Himalaya, Tienshan, Dollar en Theezeef naar voren gekomen strafbare feiten. Bij de huidige stand van zaken betreft het het feit, weergegeven in bijgevoegd concept tenlastelegging.” Het concept tenlastelegging vermeldde één feit, namelijk de verdenking van het deelnemen aan een criminele organisatie, zoals thans aan de verdachte is ten laste gelegd. De raadsman heeft op de regiezitting van 13 januari 2020 naar voren gebracht dat hij sinds de beslissing van de raadkamer van 12 juni 2019 regelmatig contact heeft gehad met het Openbaar Ministerie, tijdens welke contacten het Openbaar Ministerie hem niet kon vertellen of ze de verdachte (verder) zouden gaan vervolgen voor betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer 1] of, naar hem bleek, alleen ter zake van de verdenking van artikel 140 Sr (criminele organisatie). Eerst in oktober 2019 is hierover duidelijkheid verschaft, aldus de raadsman op die zitting. Tijdens zijn pleidooi op de zitting van 26 oktober 2021 heeft de raadsman meegedeeld (pagina 7, onder) dat er nooit een officiële sepotbeslissing is uitgegaan (naar de verdachte of naar hem als raadsman), maar dat uit het recente uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte blijkt dat de eerdere twee verdenkingen inzake Dollar zijn geseponeerd. De rechtbank ziet deze sepotbeslissingen inderdaad op de justitiële documentatie van de verdachte staan. De rechtbank leidt uit die documentatie af dat deze beslissingen zijn genomen in november 2019. Gelet op het bovenstaande komt het er in de visie van de rechtbank op neer dat het Openbaar Ministerie, na de beslissing van de raadkamer van 12 juni 2019, de verdenking(
(26)” – dat [N.H.] (‘Chavez’) en [K.J.] (‘Oog’) het nu ook zien en wel ‘pap’ gaan trekken. Op 5 september 2014 zegt [I.K.] tegen [D.M.] : ‘is ze eigen schuld bro serieus hoefte niet maar ja hij koos er voor’. [D.M.] reageert: ‘Klopt bro (…) die man heeft ons verraden bro en dat is een les voor anderen bro’. Financiële notities In de Ennetcom-data van een door [N.H.] gebruikt e-mailadres zijn financiële notities aangetroffen. Uit deze notities blijkt dat er niet alleen bedragen aan personen worden betaald, maar ook betalingen worden verricht ten behoeve van ‘huur’, ‘pantser’ en ‘belhuis’. Ook in de Ennetcom-data van een door [K.J.] gebruikt e-mailadres worden financiële overzichten aangetroffen. In een in het appartement van [S.I.] in Benidorm (Spanje) in beslag genomen telefoon is voorts de volgende financiële notitie aangetroffen: In deze notitie, genaamd ‘Nieuwe boekH’ (nieuwe boekhouding), is naast een overzicht van betalingen aan personen, ook een overzicht opgenomen van PGP-toestellen, bij wie deze in gebruik zijn en of ze verlengd of nieuw zijn, dan wel vervangen of geactiveerd moeten worden. In bijlage II bij dit vonnis zijn de bewijsmiddelen opgenomen waaruit blijkt dat de volgende bijnamen bij de volgende personen horen: - Elvis: [D.M.] - Nemoes: [S.I.] - Lip: [I.K.] - Spartan: [G.C.] - Oog: [K.J.] . Uit de PGP-berichten blijkt dat [I.K.] in eerste instantie een maandelijkse bijdrage van de organisatie kreeg van € 2.500,-. [I.K.] geeft op 18 september 2014 aan [K.J.] aan dat hij het met dat bedrag niet redt: ‘betaal ik net huis en borg mee en ik deel altijd geld met 2 jongens die autos halen en die alles zeggen’. [K.J.] antwoordt: ‘Bro we kunnen niet maandelijks iedereen geven (…) die jongens moeten krijge voor wat ze doen die 2500 is voor jou om je kostEn te betalen ik kan geen 10 man maandelijks geld geven’. [I.K.] stuurt het antwoord van [K.J.] door aan [S.I.] en [D.M.] . De drie personen beklagen zich vervolgens over hun inkomen. Zo zegt [I.K.] : ‘Kan liever uitkering nemen komt bijna op zelfde neer en broodjes verkopen bij kappie’. [S.I.] zegt dat ze aan het lijntje worden gehouden. Uit de berichten en de financiële notities kan worden opgemaakt, dat [S.I.] en [D.M.] elk € 5.000,- per maand van de organisatie ontvangen, dat de maandelijkse bijdrage van [I.K.] is verhoogd tot € 3.000,- en dat ook [G.C.] (‘Spartan’) als werker € 2.000,- ontvangt. Dodenlijst In de Ennetcom-data van het tijdens zijn aanhouding op 7 juni 2015 onder [G.C.] aangetroffen PGP-toestel is een ‘To Do’ lijst aangetroffen. De lijst is op 23 maart 2015 aangemaakt en op 7 mei 2015 aangepast. Op de lijst staan onder meer adressen van de moeder en zussen van [slachtoffer 3] (‘ [bijnaam] ’), [slachtoffer 4] (‘Boeloe’), [O.L.] en de broers [naam 3] , althans adressen die met deze personen in verband kunnen worden gebracht. [slachtoffer 3] was het beoogde slachtoffer in de zaak Tienshan. [O.L.] was het beoogde slachtoffer in de zaak Dollar. [O.L.] is, zoals vermeld, de broer van de in de Staatsliedenbuurt doodgeschoten [Y.L.] . Hij lijkt een sturende rol te hebben gekregen in de groepering rond [H.A.S.] . Ook [slachtoffer 4] en de broers [naam 3] waren beoogde doelwitten van de organisatie. De rechtbank roept in herinnering dat in één van de berichten in het onderzoek Tienshan over ‘dodenlijst’ wordt gesproken. [I.K.] heeft bij de politie verklaard dat er inderdaad een dodenlijst bestond. Ook is in de Ennetcom-data van dit toestel een notitie aangetroffen met de naam ‘Kennie’s allemaal OT, AT en recherche’. Deze notitie is eveneens op 23 maart 2015 aangemaakt en bevat gegevens van diverse voertuigen (merk, type, kenteken). Uit navraag bij het RDW, de Rijksdienst voor het wegverkeer, is gebleken dat het gaat om voertuigen van de politie dan wel politiemedewerkers. Reek [slachtoffer 4] was het beoogde slachtoffer in de zaak Reek. Ook hij maakte deel uit van de groepering rond [H.A.S.] . Uit berichten aangetroffen op de door het NFI gedecrypte telefoon van [S.I.] blijkt dat er op 3 oktober 2015 een observatie heeft plaatsgevonden op [slachtoffer 4] , die zich op dat moment in de Sporthallen Zuid in Amsterdam bevond, met als doel hem die dag op straat te liquideren. In de zaak tegen [R.P.] acht de rechtbank bewezen dat hij zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 4] . Hij stond op 3 oktober 2015 in contact met de door hem geregelde schutter – die op een brug nabij de sporthal [slachtoffer 4] stond op te wachten – en daarnaast met [S.I.] , die op zijn beurt weer contact had met [I.K.] . Beoogde doelwitten In een andere, op 30 november 2015, onder [S.I.] in beslag genomen telefoon is een notitie aangetroffen genaamd ‘Gesprek eye’, opgeslagen op 26 oktober 2015. Hieruit blijkt dat [S.I.] en [K.J.] op 25 oktober 2015 een gesprek hebben gevoerd over (kort gezegd) ‘het boven aan de lijst zetten van [slachtoffer 3] (“ [bijnaam] ’) omdat dit wel een mannetje van hun is waar ze hun wel pijn mee doen’. Ook wordt er gesproken over [naam 3] en over het bedrag dat betaald kan worden voor [slachtoffer 4] (‘die bolle’). [K.J.] geeft aan niet meer dan 100 te geven omdat hij ‘geen hotspot is’. Vanuit het onderzoek 26Sassenheim is een proces-verbaal verstrekt met betrekking tot het e-mailadres [e-mailadres] . De rechtbank acht voldoende komen vast te staan dat dit e-mailadres in gebruik is geweest bij [I.K.] . In de berichten van dit e-mailadres, in mei 2016, wordt gesproken over of ‘die bolle’ is gespot, waar ‘Boeloeloe’ rijdt en het ‘plakken’ van een scooter. Op 27 mei 2016 wordt door een onbekend gebleven persoon aan [I.K.] gevraagd wat een ‘driver’ krijgt voor rijden bij een ‘veegje’. [I.K.] antwoordt dat hij een keer 25 heeft gegeven en een keer 30, voor alleen rijden en niets anders. De ‘hitter’ kreeg toen 75. Uit de communicatie met een andere onbekend gebleven persoon op 29 mei 2016 blijkt dat er nog steeds maandelijks ‘pap’ van oog wordt gekregen, maar dat men dit liever op een vaste dag, bijvoorbeeld iedere 15e van de maand, zou willen ontvangen. Conclusie Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat zich meerdere jaren, in wisselende samenstelling, maar met een vaste kern, heeft beziggehouden met het plegen van liquidaties, dan wel voorbereidingen daartoe, alsmede het bezit van vuurwapens en munitie. Daarbij werd een dodenlijst gehanteerd. De leden van de organisatie maakten gebruik van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Ook maakten zij gebruik van vuurwapens, (gestolen) voertuigen en bakens, zoals in de afzonderlijke zaaksdossiers bewezen is verklaard. Zij werden voor hun werkzaamheden door de organisatie betaald. Een groot deel van de leden kreeg een maandelijks inkomen, dat niet anders kan worden gezien dan een (vast) salaris voor een crimineel dienstverband. Dat enkele leden van de organisatie ook in andere samenwerkingsverbanden opereerden, bijvoorbeeld met het doel om plofkraken of overvallen te plegen, dan wel zich met cocaïnehandel bezighielden, doet aan het voorgaande niet af. Dat het oogmerk van de organisatie niet alleen zag op moord en de voorbereiding daarvan, maar ook op het bezit van vuurwapens en munitie, volgt reeds uit het feit dat voor liquidaties wapens en munitie noodzakelijk zijn. Hierbij roept de rechtbank in herinnering dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot het oogmerk van de organisatie ook moet worden gerekend het naaste doel dat de organisatie nastreeft. Het plegen van liquidaties heeft als noodzakelijk, en daarmee door de organisatie gewild gevolg dat tevens overtredingen van de Wet wapens en munitie worden begaan. Bij de liquidatie van [slachtoffer 2] is gebruik gemaakt van twee vuurwapens, een semiautomatisch pistool en een machinepistool van het type Skorpion. Ná deze liquidatie wordt in PGP-berichten gesproken over het uit elkaar halen van deze wapens. Bij de liquidatie van [slachtoffer 1] is gebruik gemaakt van een pistoolmitrailleur van het merk CZ. Zoals hiervoor vermeld, is dit wapen ná de liquidatie bij [E.L.] aangetroffen. En ook bij de liquidatie van [M.A.H.] is gebruik gemaakt van een vuurwapen, vermoedelijk een semiautomatisch pistool. [I.K.] heeft bij de politie verklaard dat wapens op een locatie werden bewaard. Daarnaast werd er ook over wapens gecommuniceerd. Op 7 maart 2014 stuurt [N.H.] aan [I.K.] : ‘ik heb zo ie zoe pippa hier ligt doorgeladen op de tafel’. Op 23 augustus 2014 vraagt [I.K.] aan [D.M.] , in het kader van de voorgenomen liquidatie van [M.A.H.] , of er wel ‘apparaten’ zijn. [D.M.] antwoordt daarop dat die bij Reus ( [G.C.] ) liggen. Deelnemen aan een criminele organisatie Juridisch kader Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn indien de verdachte: 1. behoort tot het samenwerkingsverband en 2. een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. (Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264) In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr ligt tevens een opzetvereiste van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor "deelneming" voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. (Hoge Raad 18 november 1997, NJ 1998/225) Ook hoeft de verdachte geen opzet op die concrete misdrijven te hebben. (Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651) Dit is niet anders indien het oogmerk van de organisatie is gericht op het plegen van misdrijven van uiteenlopende aard. (Hoge Raad 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122) De verdachte De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de verdachte aan de criminele organisatie heeft deelgenomen en zo ja, gedurende welke periode. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen is voor de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte heeft behoord tot het samenwerkingsverband en dat hij wist dat de criminele organisatie tot oogmerk had het plegen van de misdrijven van moord, voorbereiding van moord en het bezit van vuurwapens en munitie. Reeds in december 2012 schrijft [D.M.] , de broer van de verdachte, in een brief aan [G.M.] (Swa) – die is aangetroffen op de computer van de vriendin van [D.M.] – het volgende: “Swa er gaan wat dingen niet goed buiten, van onze kant staat het stil omdat er geen pap is voor bepaalde dingen (…) onze mensen staan stil. (…) Swa toen je binnen kwam te zitten heeft chaviz 25 bij mo genomen en daar heb ik het volgende mee gedaan namelijk 5 vaste lasten 3 dani 4 camera’s 10 heb ik gebruikt voor 4 kattepulten 1500 aan [verdachte] . Swa ze zijn met mij en [verdachte] bezig ze zijn bij mijn moeder aan de deur geweest 1 belde aan (…) met zijn hand in zijn zak en die ander achter het stuur in de auto (…) of [D.M.] of [verdachte] aanwezig waren of waar ze wonen (…)” Ook al staat niet vast dat deze brief daadwerkelijk aan [G.M.] is verstuurd, het document behelst wel een schriftelijke verklaring van [D.M.] , waarin wordt gesproken over “onze kant” (de groep van [G.M.] en [D.M.] ), “pap” (geld) en een kennelijk geldbedrag waarvan onder andere vaste lasten, katapulten (wapens) en de verdachte zijn betaald. Op 3 juni 2015 vindt een telefoongesprek plaats tussen [D.M.] , die op dat moment in Spanje verblijft, en de verdachte, in de taal Papiaments. In dit gesprek, dat is afgeluisterd en vertaald, wordt onder meer het volgende gezegd: D: Hey luister wat ik je zeggen ... ik heb net gehoord dat vanaf nu binnen een week, willen ze je te pakken nemen (…) (…) D: (…) want ze hebben gezegd dat er iemand bij jou in de buurt (uit je buurt) je gaat lokken, zodat je daar naartoe komt en dan gaan ze je pakken (afmaken). Dus luister wat ik ga doen ik regel morgen een ticket swa ... dan kom je naar me toe broer ... hoor je me? H: (stil) ... jah. (…) D: (…) zeg tegen je vrouw en kinderen dat je (…) maar zeg niet waar je naar toe gaat, vertel het aan (de rechtbank begrijpt:) niemand waar je naartoe gaat (…) ik ga je ticket boeken en ik stuur je zo hoe laat je moet vliegen (…) Gebleken is dat de verdachte – die bij de politie heeft verklaard dat hij in 2015 is gewaarschuwd dat hij op een dodenlijst zou staan – in de dagen na dit telefoongesprek naar Spanje is vertrokken. De verdachte kende vele andere deelnemers aan de organisatie. Naast zijn broer [D.M.] , kende hij [G.M.] , [N.H.] (Ziggy), [K.J.] , [E.L.] , [I.K.] , [G.C.] en [M.A.H.] , die hij kende onder de bijnamen “Jack Sparrow” en “Iran”. De verdachte maakte, toen [G.M.] nog leefde, gebruik van een PGP telefoon. Hij liet [M.A.H.] ook van deze telefoon gebruikmaken. Van PGP telefoons is algemeen bekend – hetgeen de medeverdachte [I.K.] heeft bevestigd – dat deze worden gebruikt om heimelijk te kunnen communiceren in verband met criminele activiteiten. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte in het bezit was van een of meer vuurwapens en dat hij regelmatig een kogelwerend vest droeg, althans bij zich had. De rechtbank wijst in dit verband op de OVC-gesprekken van de verdachte – waarin wordt gesproken over vesten, ‘strep’ (straattaal voor vuurwapen) en ‘een hele lange loop’ – die steun bieden aan de verklaringen van [I.K.] over dit onderwerp. In een van deze OVC-gesprekken, dat van 26 februari 2015, zegt de verdachte bovendien: “(…), maar ik heb geen tijd voor die kat en muis spel, wanneer het tijd voor hem is is het tijd, weet je hoeveel mensen, dat ik alleen hoef te zeggen hé gi, je weet toch, en die man heeft een probleem”. In een ander OVC-gesprek, dat van 23 april 2015, waarin wordt gesproken over een artikel in het tijdschrift Panorama over Ziggy en zijn (omgebrachte) vriendin [naam 4] , geliquideerd in Amsterdam op 8 december 2014 – zegt de verdachte onder meer: “Swa heeft ons allemaal groot gebracht” en (in reactie op het artikel) “Hun hadden ruzie over het feit dat zij wou gaan ‘snitchen’ bij die vrouw van Swa, dat ‘hij’ het had gedaan. Maar hij wou dat niet. Dat is de waarheid, dat weten hun weer niet. Snap je wat ik bedoel? Ze schrijven dingen mooier dan het is, maar ik weet het dieper (fon.) dan hun”. De bewijsmiddelen houden verder in dat: de verdachte op 24 december 2013 de gepantserde BMW van zijn broer [D.M.] naar [G.M.] heeft gebracht, die deze auto gebruikte voor zijn veiligheid; na de poging tot liquidatie van [G.M.] in de vroege avond van 27 december 2013, als [G.M.] op het politiebureau is, de verdachte in de buurt van dat politiebureau is, samen met [naam 5] , en dat beiden daar ook contact hebben met [D.M.] en [K.J.] ; de telefoon (met daarin het toenmalige nummer) van de verdachte in de middag van 28 december 2013 een beweging maakt richting Amsterdam Noord, waar volgens PGP communicatie – zoals hiervoor in de algemene overwegingen is vermeld – de groep van [G.M.] bijeenkomt. Uit de voorafgaande PGP communicatie tussen [D.M.] en [E.L.] volgt dat met de komst van “lieve” (een bijnaam van de verdachte) de groep compleet is. Deze laatste bevindingen bieden naar het oordeel van de rechtbank steun aan de verklaringen van [I.K.] , inhoudende dat er regelmatig bijeenkomsten/ontmoetingen van de groep waren en dat de verdachte er bijna altijd was. Volgens [I.K.] kwam de verdachte of alleen, of met [G.C.] en/of [M.A.H.] , vrienden van de verdachte. De verdachte heeft dit laatste bevestigd. Volgens [I.K.] zijn [G.C.] en [M.A.H.] (deelnemers aan de criminele organisatie) via de verdachte in contact gekomen met [D.M.] . De rechtbank acht deze verklaring geloofwaardig. In dat verband wijst de rechtbank ook op een OVC-gesprek van de verdachte, dat van 2 maart 2015, waarin over “reus” (een bijnaam van [G.C.] ) wordt gesproken. De verdachte zegt in dit gesprek: “(…) hij is echt, hij is m’n brother man (…) die man is gewoon ready voor (…)” en “Iedereen is ready, maar die man is je weet toch, hij heeft een tijdje meegelopen met mij en [E.L.] toch”. Tot slot wijst de rechtbank nog op de WhatsApp-berichten tussen [G.C.] en [D.M.] die zijn aangetroffen op de in 2019 in Spanje inbeslaggenomen mobiele telefoon van [D.M.] . Ook al stammen die berichten uit 2017-2018, geven zij naar het oordeel van de rechtbank een treffend inkijkje in de onderlinge contacten. [G.C.] zit in deze periode vast in verband met het onderzoek 13Sulafat, waarin hij uiteindelijk tot 5 jaren gevangenisstraf is veroordeeld wegens het medeplegen van het voorbereiden van brandstichting en wapenbezit (ECLI:NL:GHAMS:2017:5436); van de verdenking van het medeplegen van het voorbereiden van een liquidatie is [G.C.] vrijgesproken. [G.C.] zegt in de berichten dat hij [D.M.] en (een) ander(
- en)(“jullie”) heel erg mist, hij bedankt [D.M.] voor alles dat die voor hem en zijn vrouw doet (onder andere het sturen van “pap”) en hij zegt dat als hij weer buiten is (terug komt), [D.M.] het dubbele kan verwachten. Ook wordt in de berichten over de verdachte, [S.I.] (Nemoes) en [I.K.] (Lomba) gesproken, die kennelijk tot de “boys”, de “familie”, behoren. Met betrekking tot de verdachte zegt [G.C.] : dat niemand aan “kleine” komt, dat “kleine” zijn broeder (brada) is, dat “H” er altijd voor hem is geweest en hij voor “H”, dat hij “H” vanaf dag 1 heeft beloofd dat hij op hem zou passen, tot het einde; familie, nummer 1; dat [D.M.] en (een) ander(
- en)(“jullie”) ook goed op “H” moeten letten. De raadsman heeft in zijn pleidooi (vanaf pagina 30) bepleit dat onvoldoende bewijs voor wetenschap voorhanden is. Zoals uit het voorgaande volgt, gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij. De feiten en omstandigheden die de raadsman in dit verband naar voren heeft gebracht – onder meer dat er geen PGP communicatie van de verdachte is aangetroffen, dat de verdachte niet in de verschillende (financiële) administraties van de organisatie wordt genoemd en dat de verdachte in OVC-gesprekken zegt dat hij nooit tot de groep heeft behoord en dat hij zijn eigen dingen is gaan doen – leggen, in het licht van het voorgaande, onvoldoende gewicht in de schaal. Om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit te kunnen komen, is vereist dat tevens is bewezen dat de verdachte een aandeel heeft gehad in, dan wel ondersteund heeft, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft de verdachte op 24 december 2013 de gepantserde BMW naar [G.M.] gebracht en was hij op 28 december 2013 bij de bijeenkomst van (leden van) de criminele organisatie in Amsterdam Noord aanwezig, na de poging tot liquidatie van [G.M.] de dag ervoor. Het dossier bevat diverse aanwijzingen voor andere, concrete deelnemersgedragingen van de verdachte, zoals: het aantreffen van het DNA-profiel van de verdachte op een huls op de plaats delict van de poging tot liquidatie van [naam 6] op 17 augustus 2013 in Amsterdam (map 3, pagina 44); eventuele betrokkenheid van de verdachte in het deelonderzoek Himalaya, blijkende uit de Ennetcom berichten van [G.C.] (zijnde de gebruiker van het e-mailadres beginnend met 26v0) van 16 februari 2014 om 05.45 uur (“En kan je ff lieve voor me mailen dat ik voor ze deur sta”) en 22 februari 2014 om 15.22 uur (ten aanzien van het uit elkaar halen van de ‘radio’s’ (de bij de liquidatie van [slachtoffer 2] gebruikte vuurwapens): “Is ook al gebeurd door die kleine”) (map 2, pagina’s 118 en 132); eventuele betrokkenheid van de verdachte in het deelonderzoek Dollar. Anders dan het Openbaar Ministerie en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat het wat betreft de eventuele betrokkenheid van de verdachte in het deelonderzoek Dollar niet bij aanwijzingen is gebleven, maar dat voldoende bewijs voorhanden is om betrokkenheid van de verdachte in dit deelonderzoek vast te stellen. De rechtbank motiveert dit als volgt. Op 22 juli 2014 is onder [E.L.] een vuurwapen in beslag genomen. [E.L.] verbleef in die tijd bij zijn vriendin [naam 7] , in haar woning aan de [adres 2] . Kort voor zijn aanhouding had [E.L.] de doos met daarin (onder andere) de tas waarin het vuurwapen zat, op het balkon van de buren gegooid. Het vuurwapen betrof een pistoolmitrailleur dan wel machinepistool. Op grond van het onderzoek van het NFI is komen vast te staan, dat dit het vuurwapen was waarmee [slachtoffer 1] op 13 juli 2014 is geliquideerd. In het vonnis in de strafzaak tegen de medeverdachte [I.K.] heeft de rechtbank vastgesteld dat deze liquidatie feitelijk is gepleegd door [M.A.H.] , maar dat – ook al was sprake van een zogenoemde vergismoord – [I.K.] en [D.M.] voor deze liquidatie mede verantwoordelijk zijn, en dat zij deze moord tezamen en in vereniging met elkaar hebben gepleegd. De moord is gepleegd in “de jacht op [O.L.] ”, een van de beoogde doelwitten van de criminele organisatie. Ergens ná de liquidatie van [slachtoffer 1] , in de periode van 13-22 juli 2014, moet het vuurwapen van [M.A.H.] – al dan niet via een of meer anderen – naar [E.L.] zijn gegaan, die, net als [M.A.H.] , ook een deelnemer aan de criminele organisatie was. Dit laatste baseert de rechtbank met name op: het feit dat ook [E.L.] de gebruiker was van een e-mailadres van Ennetcom (u0z3), welk adres in onder meer de PGP telefoons van [G.M.] , [D.M.] en [I.K.] stond opgeslagen (map 15, pagina 309 e.v.); de betrokkenheid van [E.L.] bij de hiervoor beschreven gebeurtenissen van eind december 2013 (PGP communicatie en aanwezigheid bij de bijeenkomst in Amsterdam Noord, na de poging tot liquidatie van [G.M.] ); de omstandigheid dat [E.L.] in de avond en nacht van 25 op 26 mei 2013 met onder andere [D.M.] en [S.I.] op het feest Waterfront in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam was (map 3, pagina 55) en dat hij na de dodelijke schietpartij die nacht in dat museum – gepleegd door [S.I.] , waarbij [naam 8] om het leven is gebracht – werd aangetroffen in een auto met daarin een vuurwapen, terwijl hij bovendien een kogelwerend vest droeg (map 3, pagina 92); als ook de hierna vermelde OVC-gesprekken. [E.L.] is op 7 november 2015 in Krommenie geliquideerd. In zijn allereerste politieverklaringen na zijn aanhouding op 22 juli 2014 heeft [E.L.] verklaard dat de afgelopen zaterdag, 19 juli 2014, in de middag een kennis was langs geweest die hem de tas had gegeven waarin het vuurwapen zat met het verzoek dit te bewaren. Bij zijn voorgeleiding aan de rechter-commissaris heeft [E.L.] deze verklaring bevestigd en daaraan toegevoegd dat hij die kennis op de zondag, 20 juli 2014, nog had gebeld. Ook [naam 7] heeft het in haar allereerste politieverklaringen over de zaterdagmiddag, 19 juli 2014: “Zaterdag in de middag, vijf dagen geleden, ik weet niet meer precies hoe laat, misschien tussen 12.00 en 13.00 uur, belde er (…) iemand aan, diegene kwam bij ons aan de deur. En toen zag ik dat [E.L.] ineens een (…) tas vast had. Het merk was volgens mij “LV” (Louis Vuitton). Hij kreeg die tas van degene die aan de deur stond. Hij wilde niet zeggen wie er aan de deur stond”, aldus [naam 7] . De rechtbank acht deze verklaringen van [E.L.] en [naam 7] geloofwaardig. Ten tijde van de inbeslagname bevond het wapen zich in een tas van het merk Louis Vuitton, in een rode plastic tas. Naast het wapen (inclusief patroonhouder) werden in die tas aangetroffen: een paar oranjekleurige handschoenen en een demper. Het wapen bleek al ontladen te zijn. Op het balkon van de buren werd ook nog een zakje met daarin 4 patronen aangetroffen. In een van zijn latere verhoren heeft [E.L.] verklaard dat het wapen inderdaad in een tas van Louis Vuitton zat. Op de vraag van de politie te omschrijven wat er allemaal in de tas zat, antwoordde [E.L.] : “Alles was los van elkaar. Ik zag het wapen, een demper, een zakje met 4 kogeltjes [naam 10] en handschoenen in de kleur grijs met rood of oranje. Ik heb die handschoenen aangedaan omdat ik het wapen wilde bekijken.” De tas van het merk Louis Vuitton en ook de handschoenen zijn voor onderzoek ingestuurd naar het NFI. Uit het onderzoek van NFI is gebleken dat in de bemonstering van de rand van de flap van de tas een DNA-mengprofiel is aangetroffen met een DNA-hoofdprofiel dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte (onbekende man A, later geïdentificeerd als de verdachte); de matchkans is kleiner dan 1 op 1 miljard. In de bemonsteringen van de schouderband van de tas, de bodem van het kleine zakje in de tas en de bodem van de tas is telkens een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal vier personen. DNA van onbekende man A kan hieraan hebben bijgedragen. Ook in de bemonsteringen van de binnenzijden van de rechter- en linkerhandschoen is een DNA-mengprofiel van minimaal vier personen aangetroffen. DNA van [E.L.] , maar ook DNA van onbekende man A, kan hieraan hebben bijgedragen. De rechtbank stelt voorop dat het enkele aantreffen van het DNA-profiel van de verdachte op de flap van de Louis Vuitton tas – als hoofdprofiel in een mengprofiel – onvoldoende is voor de conclusie dat het de verdachte moet zijn geweest die deze tas, met daarin onder meer het vuurwapen, op 19 juli 2014 aan [E.L.] heeft gegeven. Dit ook gezien de verklaring van de verdachte, dat de Louis Vuitton tas volgens hem van [M.A.H.] was en dat hij die tas wel eens gebruikte, hetgeen het aangetroffen DNA-profiel zou kunnen verklaren. Er is echter meer bewijsmateriaal. Volgens [E.L.] kwam [M.A.H.] nooit bij hem over de vloer en is [M.A.H.] ook niet bij [naam 7] thuis geweest. Voorts is uit onderzoek van de politie gebleken dat het bij [E.L.] in gebruik zijnde telefoonnummer [telefoonnummer] op 19 en 20 juli 2014 geen telefonische contact(
- en)heeft gehad met nummers waarvan de politie wist dat zij in gebruik waren bij [M.A.H.] . De verdachte kende [M.A.H.] , die volgens hem vuurwapens had en deze altijd liet zien. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat [M.A.H.] zélf tegen hem heeft gezegd dat hij, [M.A.H.] , [slachtoffer 1] had doodgeschoten. Uit onderzoek van de historische verkeersgegevens van het bij de verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer [telefoonnummer verdachte] is gebleken dat (de gebruiker van) dit telefoonnummer op 19 juli 2014 tussen 13.00 uur en 13.30 uur een reisbeweging maakt van Hoofddorp naar de omgeving van de [adres 2] . Het hiervoor genoemde telefoonnummer van [E.L.] heeft in deze tijd alleen contact met dit nummer van de verdachte. Dit nummer van [E.L.] heeft op 20 juli 2014 met dit nummer van de verdachte gebeld. Zoals hiervoor is vermeld, zat het DNA van de verdachte op de Louis Vuitton tas, maar kan dit DNA ook hebben bijgedragen aan het DNA-mengprofiel in de handschoenen. Na de aanhouding van [E.L.] op 22 juli 2014 onderhouden [E.L.] en de verdachte contact. In een afgeluisterd telefoongesprek van 2 oktober 2014 zegt [E.L.] – die op dat moment nog steeds gedetineerd is – tegen de verdachte, dat de politie vroeg wie [verdachte] is, dat de verdachte rustig moet doen buiten en dat de politie alles meeluistert. Verder vertelt [E.L.] de verdachte in dit gesprek wat de politie allemaal vroeg in het verhoor. Tijdens eerdere, ook afgeluisterde, bezoeken van de verdachte aan [E.L.] in het huis van bewaring ging het onder andere over iemand die “die waggies nakte”, de liquidatie van [naam 9] op 18 augustus 2014 en dat de verdachte “die black moet wegdoen”. In een afgeluisterd telefoongesprek tussen [E.L.] en [naam 10] , een (ex-)vriendin van [E.L.] , van 16 oktober 2014 wordt voorts het volgende gezegd: [naam 10] : Ja maar, ja wacht even ... Ik moest zeggen: Dinges vindt het erg dat hij je niet straight kan spreken. Hij heeft al zijn nu ... al zijn dingen even weg gedaan ... [E.L.] : Hmm. [naam 10] : En hij denkt aan je, dit en dat. En je moet zeggen: Dat ding is van Sparrow. [E.L.] : Watte? [naam 10] : Dat dat ding van ... dat dat ding van Sparrow is. [E.L.] : Ja, hmm. Ja, ik begrijp hem. [naam 10] : Ik moest dat even doorgeven, ja? [E.L.] : Ik begrijp hem, ja. [naam 10] : Oké. [E.L.] : Maar ik kan hem helemaal niet bellen? [naam 10] : Eehh ... Voorlopig even niet want ze zitten een beetje op zijn lip. [E.L.] : Ja ... Zeg tegen hem: Doe tranqui. Ohhh ... Zeg tegen hem ... [naam 10] : Ja? [E.L.] : Als je hem spreekt, zeg je tegen hem: Ik zeg hij moet naar Bamisoep gaan. [naam 10] : Oké. [E.L.] : Ja? Hij moet! Verplicht. Verplicht. [naam 10] : Is goed. [E.L.] : Zeg tegen hem: Ik denk ook aan hem, 24/7, je weet toch. [naam 10] : Hmm ... [E.L.] : Zeg tegen hem ook, je weet toch. Double check, je weet toch. [naam 10] : Oké. [E.L.] : En doe rustig, ik ben d’r, gek, je weet toch. [naam 10] : Hmm. Ik zal hem zeggen. [E.L.] : I know ... (zucht). Zeg tegen die nigger, doe tranquilo man. [naam 10] : Je moet niet stressen. Nee, je moet niet stressen. [E.L.] : Zeg ik ... ik bel Eems (fon.) wel. [naam 10] : Oké. De verdachte is tijdens zijn politieverhoor met dit tapgesprek geconfronteerd. De verdachte heeft verklaard dat hij tegen [naam 10] heeft gezegd dat zij tegen [E.L.] moest zeggen dat hij, [E.L.] , de waarheid moest verklaren; de verdachte had in de media gehoord over de tas en het vuurwapen. De rechtbank hecht enkel geloof aan deze verklaring voor zover de verdachte heeft verklaard dat hij [naam 10] heeft gevraagd iets tegen [E.L.] te zeggen. De verklaring van de verdachte dat [naam 10] tegen [E.L.] moest zeggen dat hij, [E.L.] , de waarheid moest verklaren, wordt door de rechtbank niet geloofd. Immers, het geciteerde tapgesprek wijst duidelijk anders uit. De rechtbank kan dit tapgesprek niet anders duiden dan dat de verdachte zich bemoeit met de verklaring van [E.L.] over van wie hij (de tas met) het vuurwapen (“dat ding”) heeft gekregen. Kennelijk wordt, in strijd met de waarheid (zie hiervoor), voorgesteld/gezegd te verklaren dat dit van [M.A.H.] (“Sparrow”) is verkregen. [M.A.H.] , die inmiddels dood is. Al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, laten naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat het de verdachte is geweest die op 19 juli 2014 de Louis Vuitton tas met daarin het (ontladen) vuurwapen bij [E.L.] heeft gebracht met het verzoek dit te bewaren. Dit is evident een deelnemersgedraging. Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is dat de verdachte, voorafgaand aan de liquidatie van [slachtoffer 1] , het wapen aan [M.A.H.] heeft geleverd. De verklaringen van de broer van [M.A.H.] , [naam 11] , acht de rechtbank niet betrouwbaar genoeg om deze voor het bewijs te gebruiken. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [I.K.] , dat de verdachte een rol zou hebben gehad bij de liquidatie van [M.A.H.] op 3 september 2014 (deelonderzoek Theezeef), op zichzelf staan en niet, althans onvoldoende, worden ondersteund door ander bewijsmateriaal. Concluderend, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in de periode van 1 december 2013 tot en met 30 juni 2015 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, waarbij de belangrijkste deelnemersgedraging is verricht in juli 2014. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij in de periode van 1 december 2013 tot en met 30 juni 2015, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en onder andere * [D.M.] en * [I.K.] en * [S.I.] en * [G.C.] en * [El H.] en * [N.H.] en * [K.J.] en * [A.G.] en * [M.A.H.] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in - artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord) en - artikel 46 jo. 289 van het Wetboek van Strafrecht (voorbereiding van moord) en - artikel 26 van de Wet wapens en munitie (bezit vuurwapens en munitie). Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is strafbaar. 6Motivering van de straf 6.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft, zoals hiervoor vermeld, vrijspraak gevorderd. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de strafoplegging. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Criminele organisatie De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, gericht op het plegen van moord, het voorbereiden van moord en het bezit van vuurwapens en munitie. Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt bepaald door het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde én de (daarmee samenhangende) aard van de misdrijven die worden beoogd. Binnen dit criminele samenwerkingsverband zijn meerdere buitengewoon ernstige en schokkende feiten begaan. Door (leden van) de organisatie zijn drie afzonderlijke liquidaties gepleegd, te weten de moorden op [slachtoffer 2] (30 jaar) en [M.A.H.] (26 jaar) en de vergismoord op [slachtoffer 1] (30 jaar). Daarnaast zijn er, in het kader van de organisatie, voorbereidingen getroffen om ook andere beoogde doelwitten te liquideren, onder wie [slachtoffer 3] , [O.L.] en [slachtoffer 4] . De wijze waarop de organisatie opereerde is zonder meer als professioneel te kenschetsen. Binnen de organisatie werden opdrachten gegeven om doelwitten te liquideren. Deze opdrachten werden verder uitgezet onder de leden van de organisatie. Er werden zogenoemde ‘spotters’ ingezet om de doelwitten te observeren en ‘hitters’ die de liquidaties uitvoerden. Voor deze werkzaamheden werden (gestolen) voertuigen geregeld en vuurwapens. Een groot deel van de leden van de organisatie werd hiervoor (maandelijks) betaald. Van de financiën werd een boekhouding bijgehouden. Door de leden van de organisatie werd gebruik gemaakt van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Binnen de organisatie bestond een dodenlijst met namen en adressen van de verschillende doelwitten. Uit de aangetroffen communicatie doemt een verontrustend beeld op van een organisatie die zich fulltime, zo nodig 24 uur per dag, met het plegen van liquidaties bezig hield. In huiveringwekkende berichten werd gesproken over hoe de beoogde doelwitten het beste geliquideerd konden worden en over de hoogte van het te betalen bedrag daarvoor. De leden van de organisatie, die zich onbespied waanden, spreken in de berichten gewetenloos over andere (mensen)levens, die in hun ogen kennelijk niets waard zijn. De wijze waarop de liquidaties werden uitgevoerd zijn, tot slot, als extreem gewelddadig te kenschetsen. Zo werd, op de openbare weg, vaak in het bijzijn van getuigen, gebruik gemaakt van (semi) automatische wapens waarbij meerdere kogels van dichtbij – onder meer in het hoofd – werden afgevuurd. Bijdrage verdachte De verdachte heeft gedurende een periode van ruim 1,5 jaar deelgenomen aan deze organisatie. De bewezen verklaarde deelname van de verdachte spitst zich echter met name toe op de maand juli 2014. Op 13 juli 2014 is [slachtoffer 1] geliquideerd, in de jacht van de organisatie op [O.L.] . De verdachte heeft het vuurwapen dat is gebruikt bij die liquidatie, een pistoolmitrailleur van het type Skorpion, enkele dagen daarna, naar [E.L.] gebracht met het verzoek dit te bewaren. Hiermee heeft de verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan de criminele organisatie. Ook is bewezen dat de verdachte bij bijeenkomsten van de criminele organisatie aanwezig was, dat hij in het bezit was van vuurwapens, en dat hij bijvoorbeeld een gepantserde auto naar [G.M.] bracht, die deze gebruikte voor zijn veiligheid. Het deelnemen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van moord, het voorbereiden van moord en het bezit van vuurwapens en munitie kan in beginsel niet anders worden bestraft dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 13 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, geen reden voor strafvermindering. Gelet op de aard van de organisatie, de periode waarin de verdachte daaraan heeft deelgenomen en de bewijsbare rol van de verdachte daarin, die relatief beperkt is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden is. Redelijke termijn In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet per definitie als een zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak – waarin de verdachte zich (na twee weken bewaring) niet in voorlopige hechtenis bevindt – te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 3 juni 2019, de datum waarop de verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de termijn van twee jaren is overschreden. De rechtbank is echter van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die met name zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak. De eerste aanhoudingen in deze megazaak hebben in april 2018 plaatsgevonden. De politie heeft het einddossier – ondanks voortdurende activiteit – echter niet eerder kunnen afronden dan in oktober 2019, als gevolg van met name het intensieve onderzoek aan de Ennetcom-berichten. Vervolgens is het dossier in november 2019 door het Openbaar Ministerie onder de rechtbank en de raadslieden verspreid, waarna reeds in januari 2020 een regiezitting is gehouden. Oorspronkelijk waren in deze zaak tien verdachten gedagvaard. Het dossier beslaat in totaal meer dan vijftig ordners. Naar aanleiding van de regiezitting zijn in meerdere zaken diverse getuigen gehoord bij de rechter-commissaris en hebben ook verschillende raadslieden het NFI bezocht voor inzage in het systeem Hansken. Voor de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting – waarbij, in het belang van alle zaken, sprake was van gelijktijdige behandeling van alle zaken – dienden vele zittingsdagen te worden uitgetrokken, ook in verband met het uitoefenen van het spreekrecht door diverse nabestaanden/slachtoffers en het bespreken van vorderingen van benadeelde partijen. Daarbij heeft de rechtbank bovendien rekening moeten houden met de omstandigheid dat vanwege veiligheidsaspecten rondom deze zaak, de behandeling grotendeels heeft moeten plaatsvinden in een extra beveiligde zittingszaal, waarvan de beschikbare capaciteit beperkt is. De rechtbank acht vanwege deze bijzondere omstandigheden een redelijke termijn van drie jaren gerechtvaardigd. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is. 7Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikelen 63 en 140 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. 8Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jongeling, voorzitter, mr. C.A.M. van der Heijden en mr. M.E. Allegro, rechters, in tegenwoordigheid van de griffiers mr. Z.T. Pronk en mr. J. Dommershuijzen, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 januari 2022.