RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf Locatie Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummers: 15/860205-19 en 15/860071-20 (gevoegd) (P) Uitspraakdatum: 19 januari 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 januari 2020, 7 april 2020, 2 juli 2020, 16 september 2020, 13 oktober 2020, 4 december 2020, 19 februari 2021, 4, 6, 7 en 25 mei 2021, 3 en 22 juni 2021, 30 augustus 2021, 4, 12 en 29 oktober 2021, 1 december 2021 en 19 januari 2022 in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] . De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de terechtzitting van 4 december 2020 gevoegd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie [zaaksofficier 1] , [zaaksofficier 2] en [zaaksofficier 3] (hierna gezamenlijk aangeduid als het Openbaar Ministerie) en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. L.J.B.G. van Kleef, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging zoals bedoeld in artikel 313 Sv in de eerstgenoemde zaak op de terechtzitting van 4 december 2020 – ten laste gelegd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, heeft schuldig gemaakt aan: parketnummer 15/860205-19 - als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (moord, voorbereiding van moord en wapenbezit) in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 oktober 2015; parketnummer 15/860071-20 primair: medeplegen van de moord op [M.A.H.] op 3 september 2014; subsidiair: uitlokking van de moord op [M.A.H.] in de periode van 20 augustus 2014 tot en met 3 september 2014. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2(Voorwaardelijke) Verzoeken tot nader onderzoek 2.1 Het verzoek in verband met de Dubai-observatie De raadsman heeft op de zitting van 3 juni 2021 het verzoek gedaan om de behandeling van de zaak aan te houden met het oog op de uitvoering van onderzoekshandelingen, te weten het horen van een achttal personen als getuige en het toevoegen aan het dossier van diverse stukken. De onderbouwing van dit verzoek is vermeld op pagina’s 6-15 van de op die zitting voorgedragen pleitaantekeningen. Kort gezegd, komt het erop neer dat de verdediging nader onderzoek nodig acht naar (
(26)” – dat [N.B.] (‘Chavez’) en de verdachte (‘Oog’) het nu ook zien en wel ‘pap’ gaan trekken. Op 5 september 2014 zegt [I.K.] tegen [D.M.] : ‘is ze eigen schuld bro serieus hoefte niet maar ja hij koos er voor’. [D.M.] reageert: ‘Klopt bro (…) die man heeft ons verraden bro en dat is een les voor anderen bro’. Financiële notities In de Ennetcom-data van een door [N.B.] gebruikt e-mailadres zijn financiële notities aangetroffen. Uit deze notities blijkt dat er niet alleen bedragen aan personen worden betaald, maar ook betalingen worden verricht ten behoeve van ‘huur’, ‘pantser’ en ‘belhuis’. Ook in de Ennetcom-data van een door de verdachte gebruikt e-mailadres worden financiële overzichten aangetroffen. In een in het appartement van [S.I.] in Benidorm (Spanje) in beslag genomen telefoon is voorts de volgende financiële notitie aangetroffen: In deze notitie, genaamd ‘Nieuwe boekH’ (nieuwe boekhouding), is naast een overzicht van betalingen aan personen, ook een overzicht opgenomen van PGP-toestellen, bij wie deze in gebruik zijn en of ze verlengd of nieuw zijn, dan wel vervangen of geactiveerd moeten worden. In bijlage II bij dit vonnis zijn de bewijsmiddelen opgenomen waaruit blijkt dat de volgende bijnamen bij de volgende personen horen: - Elvis: [D.M.] - Nemoes: [S.I.] - Lip: [I.K.] - Spartan: [G.C.] - Oog: de verdachte. Uit de PGP-berichten blijkt dat [I.K.] in eerste instantie een maandelijkse bijdrage van de organisatie kreeg van € 2.500,-. [I.K.] geeft op 18 september 2014 aan de verdachte aan dat hij het met dat bedrag niet redt: ‘betaal ik net huis en borg mee en ik deel altijd geld met 2 jongens die autos halen en die alles zeggen’. De verdachte antwoordt: ‘Bro we kunnen niet maandelijks iedereen geven (…) die jongens moeten krijge voor wat ze doen die 2500 is voor jou om je kostEn te betalen ik kan geen 10 man maandelijks geld geven’. [I.K.] stuurt het antwoord van de verdachte door aan [S.I.] en [D.M.] . De drie personen beklagen zich vervolgens over hun inkomen. Zo zegt [I.K.] : ‘Kan liever uitkering nemen komt bijna op zelfde neer en broodjes verkopen bij kappie’. [S.I.] zegt dat ze aan het lijntje worden gehouden. Uit de berichten en de financiële notities kan worden opgemaakt, dat [S.I.] en [D.M.] elk € 5.000,- per maand van de organisatie ontvangen, dat de maandelijkse bijdrage van [I.K.] is verhoogd tot € 3.000,- en dat ook [G.C.] (‘Spartan’) als werker € 2.000,- ontvangt. Dodenlijst In de Ennetcom-data van het tijdens zijn aanhouding op 7 juni 2015 onder [G.C.] aangetroffen PGP-toestel is een ‘To Do’ lijst aangetroffen. De lijst is op 23 maart 2015 aangemaakt en op 7 mei 2015 aangepast. Op de lijst staan onder meer adressen van de moeder en zussen van [slachtoffer 2] (‘ [bijnaam slachtoffer 2] ’), [slachtoffer 3] (‘Boeloe’), [O.L.] en de broers [naam 4] , althans adressen die met deze personen in verband kunnen worden gebracht. [slachtoffer 2] was het beoogde slachtoffer in de zaak Tienshan. [O.L.] was het beoogde slachtoffer in de zaak Dollar. [O.L.] is, zoals vermeld, de broer van de in de Staatsliedenbuurt doodgeschoten [Y.L.] . Hij lijkt een sturende rol te hebben gekregen in de groepering rond [H.A.S.] . Ook [slachtoffer 3] en de broers [naam 4] waren beoogde doelwitten van de organisatie. De rechtbank roept in herinnering dat in één van de berichten in het onderzoek Tienshan over ‘dodenlijst’ wordt gesproken. [I.K.] heeft bij de politie verklaard dat er inderdaad een dodenlijst bestond. Ook is in de Ennetcom-data van dit toestel een notitie aangetroffen met de naam ‘Kennie’s allemaal OT, AT en recherche’. Deze notitie is eveneens op 23 maart 2015 aangemaakt en bevat gegevens van diverse voertuigen (merk, type, kenteken). Uit navraag bij het RDW, de Rijksdienst voor het wegverkeer, is gebleken dat het gaat om voertuigen van de politie dan wel politiemedewerkers. Reek [slachtoffer 3] was het beoogde slachtoffer in de zaak Reek. Ook hij maakte deel uit van de groepering rond [H.A.S.] . Uit berichten aangetroffen op de door het NFI gedecrypte telefoon van [S.I.] blijkt dat er op 3 oktober 2015 een observatie heeft plaatsgevonden op [slachtoffer 3] , die zich op dat moment in de Sporthallen Zuid in Amsterdam bevond, met als doel hem die dag op straat te liquideren. In de zaak tegen [R.P.] acht de rechtbank bewezen dat hij zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 3] . Hij stond op 3 oktober 2015 in contact met de door hem geregelde schutter – die op een brug nabij de sporthal [slachtoffer 3] stond op te wachten – en daarnaast met [S.I.] , die op zijn beurt weer contact had met [I.K.] . Beoogde doelwitten In een andere, op 30 november 2015, onder [S.I.] in beslag genomen telefoon is een notitie aangetroffen genaamd ‘Gesprek eye’, opgeslagen op 26 oktober 2015. Hieruit blijkt dat [S.I.] en de verdachte op 25 oktober 2015 een gesprek hebben gevoerd over (kort gezegd) ‘het boven aan de lijst zetten van [slachtoffer 2] (“ [bijnaam slachtoffer 2] ’) omdat dit wel een mannetje van hun is waar ze hun wel pijn mee doen’. Ook wordt er gesproken over [naam 4] en over het bedrag dat betaald kan worden voor [slachtoffer 3] (‘die bolle’). De verdachte geeft aan niet meer dan 100 te geven omdat hij ‘geen hotspot is’. Vanuit het onderzoek 26Sassenheim is een proces-verbaal verstrekt met betrekking tot het e-mailadres [e-mailadres I.K.] . De rechtbank acht voldoende komen vast te staan dat dit e-mailadres in gebruik is geweest bij [I.K.] . In de berichten van dit e-mailadres, in mei 2016, wordt gesproken over of ‘die bolle’ is gespot, waar ‘Boeloeloe’ rijdt en het ‘plakken’ van een scooter. Op 27 mei 2016 wordt door een onbekend gebleven persoon aan [I.K.] gevraagd wat een ‘driver’ krijgt voor rijden bij een ‘veegje’. [I.K.] antwoordt dat hij een keer 25 heeft gegeven en een keer 30, voor alleen rijden en niets anders. De ‘hitter’ kreeg toen 75. Uit de communicatie met een andere onbekend gebleven persoon op 29 mei 2016 blijkt dat er nog steeds maandelijks ‘pap’ van oog wordt gekregen, maar dat men dit liever op een vaste dag, bijvoorbeeld iedere 15e van de maand, zou willen ontvangen. Conclusie Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat zich meerdere jaren, in wisselende samenstelling, maar met een vaste kern, heeft beziggehouden met het plegen van liquidaties, dan wel voorbereidingen daartoe, alsmede het bezit van vuurwapens en munitie. Daarbij werd een dodenlijst gehanteerd. De leden van de organisatie maakten gebruik van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Ook maakten zij gebruik van vuurwapens, (gestolen) voertuigen en bakens, zoals in de afzonderlijke zaaksdossiers bewezen is verklaard. Zij werden voor hun werkzaamheden door de organisatie betaald. Een groot deel van de leden kreeg een maandelijks inkomen, dat niet anders kan worden gezien dan een (vast) salaris voor een crimineel dienstverband. Dat enkele leden van de organisatie ook in andere samenwerkingsverbanden opereerden, bijvoorbeeld met het doel om plofkraken of overvallen te plegen, dan wel zich met cocaïnehandel bezighielden, doet aan het voorgaande niet af. Dat het oogmerk van de organisatie niet alleen zag op moord en de voorbereiding daarvan, maar ook op het bezit van vuurwapens en munitie, volgt reeds uit het feit dat voor liquidaties wapens en munitie noodzakelijk zijn. Hierbij roept de rechtbank in herinnering dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot het oogmerk van de organisatie ook moet worden gerekend het naaste doel dat de organisatie nastreeft. Het plegen van liquidaties heeft als noodzakelijk, en daarmee door de organisatie gewild gevolg dat tevens overtredingen van de Wet wapens en munitie worden begaan. Bij de liquidatie van [slachtoffer 1] is gebruik gemaakt van twee vuurwapens, een semiautomatisch pistool en een machinepistool van het type Skorpion. Ná deze liquidatie wordt in PGP-berichten gesproken over het uit elkaar halen van deze wapens. Bij de liquidatie van [slachtoffer 4] is gebruik gemaakt van een pistoolmitrailleur van het merk CZ. Zoals hiervoor vermeld, is dit wapen ná de liquidatie bij [E.L.] aangetroffen. En ook bij de liquidatie van [M.A.H.] is gebruik gemaakt van een vuurwapen, vermoedelijk een semiautomatisch pistool. [I.K.] heeft bij de politie verklaard dat wapens op een locatie werden bewaard. Daarnaast werd er ook over wapens gecommuniceerd. Op 7 maart 2014 stuurt [N.B.] aan [I.K.] : ‘ik heb zo ie zoe pippa hier ligt doorgeladen op de tafel’. Op 23 augustus 2014 vraagt [I.K.] aan [D.M.] , in het kader van de voorgenomen liquidatie van [M.A.H.] , of er wel ‘apparaten’ zijn. [D.M.] antwoordt daarop dat die bij Reus ( [G.C.] ) liggen. Deelnemen aan een criminele organisatie Juridisch kader Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn indien de verdachte: 1. behoort tot het samenwerkingsverband en 2. een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. (Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264) In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr ligt tevens een opzetvereiste van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor "deelneming" voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. (Hoge Raad 18 november 1997, NJ 1998/225) Ook hoeft de verdachte geen opzet op die concrete misdrijven te hebben. (Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651) Dit is niet anders indien het oogmerk van de organisatie is gericht op het plegen van misdrijven van uiteenlopende aard. (Hoge Raad 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122) De verdachte De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de verdachte aan de criminele organisatie heeft deelgenomen en zo ja, gedurende welke periode. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Op 27 december 2013 heeft een poging tot liquidatie van [G.M.] plaatsgevonden op de Vaartstraat in Amsterdam. [G.M.] had op dat moment, zoals vermeld, een afspraak met de verdachte, die zich ten tijde van de aanslag in een café/internetwinkel in de buurt bevond. Tijdens een getuigenverhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard, dat [G.M.] een goede vriend van hem was en dat hij via [G.M.] (onder andere) [N.B.] en [D.M.] kende. Ter terechtzitting van 23 januari 2020 heeft de verdachte verklaard dat hij ook [N.B.] heeft gekend. In de dagen na deze aanslag worden er via PGP-toestellen meerdere berichten tussen [G.M.] en de verdachte gewisseld. In deze berichten wordt onder meer besproken wie er achter de aanslag zit. De verdachte zegt in dat verband: “denk dat we hem even op de stoel moeten gooien dan…”. Ook zegt de verdachte dat hij zich ‘faya’ voelt als er aan hem wordt getwijfeld. Op 28 december 2013 stuurt de verdachte de volgende berichten aan [G.M.] : “Bro scotoe gaat masten plaatsen bij de winkel ofzo om alle tels terg te halen…zullen we vanaf morgen ook even op andere tels gaan anders zitten ze ook op al onze tels…!!!”, “Er moet iemand zijn die hun info geeft en zegt hoe het allemaal aan toe gaat bij ons (…) er zit gewoon een slang tussen ons in bro” en “(…) is toch faya dat we gewoon mensen zien die ons gewoon willen nakken man…we moeten spoken voor ze worden anders is het echt te laat straks…!!!”. De verdachte zegt dat hij snel een ‘panser’ (een gepantserde auto) moet hebben. Op 29 december 2013 stuurt de verdachte aan [G.M.] .: “(…) we moeten gewoon echt gaan zuiveren om ons heen en de boel strakker aantrekken…!!! Ik zeg je eerlijk (…) vanaf toen waren ze al bezig…!!! Ik ga ook even vaker hotel pitten enzo” en “Bro het belangerijkste is dat het hun niet gelukt is…maar het moet gewoon een zware les voor ons zijn…!!! Jij al helemaal bro je moet gewoon echt een spook worden (…) Ik ga ook ff verdwijnen…is beter want hier de hele tijd aangehouden worden is niks en als schietschijf rondlopen…!!”. Kennelijk heeft de verdachte zich vervolgens inderdaad op de achtergrond gehouden, althans voor de buitenwereld, want pas vanaf de tweede helft van 2014 komt hij weer in het dossier naar voren. Daarbij acht de rechtbank de volgende aspecten van belang. Op 17 september 2014 worden er meerdere berichten tussen [I.K.] en de verdachte gewisseld. [I.K.] heeft verklaard dat hij de verdachte sinds 2013 kent. De verdachte stuurt aan [I.K.] : “He bro ik hoor dat je pas al een tel hebt gepakt voor iemand die info zou geven dus begrijp niet waarom je nu weer nodig hebt…? Die tellies zijn niet gratis he bro”. [I.K.] antwoordt als volgt: “Klopt heb nu 3 pgps 1 ennet bro 1 pgp is voor die jongen die die autos haalt 1 tje voor die weet waar die [bijnaam slachtoffer 2] is 1 tje die weet waar boeloe weer is en die ennet is bij die buurjongen van die broers [naam 5] dat als die ze ziet zegt die het meteen”. Hierop reageert de verdachte met de berichten: “Bro maar je kan toch niet iedereen die maar iets kan of weet meteen een tel geven dan moet ik er 200 uitdelen bro pas als ze zeker zijn dat ze iemand hebben nemen ze contact op en dan kunnen ze meteen 1 krijgen” en “(…) We hebben nog 45 kop te betalen bij die belhuis en we blijven maar tels pakken begrijp me niet verkeerd maar ik moet straks weer aftikken. En zolang er nog niet echt gewerkt word en doekoe verdiend word dan is het lastig om zo door te gaan”. [I.K.] antwoordt als volgt: “Je hebt gelijk bro snap je ben zo gefocust op die honden wil ze echt weg hebben en die gene kan er voor zogen daarom dacht ik zo bro”. De verdachte sluit deze berichtenwisseling af met het bericht: “Ik weet het ik denk ook zo en dat is niet verkeerd bro. Maar kijk of je die tel van die man van [bijnaam slachtoffer 2] kan doorgeven aan die andere want die [bijnaam slachtoffer 2] is toch in mokro en zo kan je alsnog gefocusd zijn op ze”. Uit de inhoud van deze berichten tussen [I.K.] en de verdachte leidt de rechtbank af dat de verdachte zeggenschap had over de verstrekking en verdeling van PGP-toestellen aan/over de leden van de criminele organisatie, ten behoeve van het observeren van personen (het zogenoemde spotten), en dat de verdachte verantwoordelijk was voor de betalingen voor deze telefoons. Voorts blijkt uit deze berichten dat de verdachte [I.K.] ter verantwoording roept als die zonder toestemming, dan wel zonder voorafgaand contact, een dergelijke telefoon heeft gepakt. Naast de verantwoordelijkheid voor de PGP-toestellen was de verdachte ook beheerder van het geld van de criminele organisatie, door de verdachte “de pot” genoemd. In de Ennetcom-data van het e-mailadres EC8R, dat is gekoppeld aan een onder [S.I.] aangetroffen telefoon, is een notitie aangetroffen betreffende een gesprek tussen [S.I.] (‘Namoes’) en de verdachte op 24 maart 2015. De verdachte: “Kijk bro die man heeft me niks uitgelegd over wat hij wil doen ... of met wie hij iets wil doen hij zei alleen iemand in een shisha dus ik weeet niet wat de bedoeling is namoes en ik kan niet iedereen gaan geven die maar wat roept zo blijft er weinig over hoe ik bij hem doe doe ik ook bij ieddereen want het is geen grabbelton .. .is er iets serieus en moet iemand wat krijgen zeg me wat het is en we trekken meteen uit de pot..!! (…) Ik ga je vanavond berekeningen van [naam 6] sturen dan geef ik jullie alvast geld voordat we wat ontvangen hebben van [naam 6] geen probleem .. .!! Berekeningen van ons ben ik mee bezig bro die krijg je ook snel van me heb nu alles ontvangen ervan en ga nu even alles opstellen en opnieuw maken dan stuur ik je die ook op”. In Ennetcom-berichten tussen leden van de criminele organisatie wordt veelvuldig over “pap” (geld) gesproken. Uit deze berichten leidt de rechtbank af dat de verdachte (“oog”) het geld verstrekt aan de leden van de criminele organisatie. Op 1 augustus 2014 vindt de volgende berichtenwisseling plaats tussen [I.K.] en [D.M.] . [I.K.] vraagt aan [D.M.] : “(…) heb je nog wat gehoord van pap ofzo bro”. [D.M.] antwoordt hierop met het bericht: “Bro ik ga zo weer mailen vraag hem ook bro leg hem uit dat je helemaal zonder zit en die gasten ook niet bewegen”. Enkele uren later vraagt [D.M.] aan [I.K.] : “(…) had je chavez nog gesproken” en “(…) wat zei hij over doekoe”. Zoals hiervoor reeds vermeld, is Chavez een bijnaam van [N.B.] . [I.K.] antwoordt hierop met de berichten: “(…) chavez kan liever oog vragen die is teminsten nog serieus met dit” en “(…) ik zeg wel tegen hem is 1ste we zijn blut (…)”. [D.M.] stuurt vervolgens aan [I.K.] : “Bro sprak oog net hij zei hij is richting spanje en spreekt met nemoes af zodat ie ff met jou ook kan zitten praten en geeft ie je”. Uit het onderzoek is gebleken dat [I.K.] in deze periode in Spanje, en soms in Marokko, verbleef. Op 4 augustus 2014 stuurt [N.B.] aan [I.K.] het bericht: “Ga douchem kleed je om bro en kom oog gaat je pap geven dan”. Door [I.K.] is verklaard dat hij maandelijks een geldbedrag van (oorspronkelijk) € 2.500,- ontving van de criminele organisatie. Uit berichten van 18 september 2014, die hierboven ook reeds zijn aangestipt, leidt de rechtbank af dat [I.K.] zijn beklag doet bij de verdachte over de hoogte van zijn maandelijkse vergoeding; [I.K.] redt het niet met € 2.500,-. [I.K.] aan de verdachte: “Yo bro hoe s het dan heb die tel gegeven en heb meteen kenteken gekregen wat die nu rijdt vanaf morgen gaat die jongen daar altijd zitten tot dat die komt en bro nog vraagje he sorry dat ik je er mee lastig val maar 2500 red ik nooit betaal ik net huis en borg mee en ik deel altijd geld met 2 jongens die autos halen en die alles zeggen zo ga ik ze kwijt raken”. De verdachte antwoordt hierop met het bericht: “Bro we kunnen niet maandelijks iedereen geven begrijp je ik begrijp je zeker niet verkeerd maar die jongens moeten krijge voor wat ze doen die 2500 is voor jou en om je kostEn te betalen ik kan geen 10 man maandelijks geld geven.”. Op 3 september 2014 is [M.A.H.] geliquideerd. Zoals hiervoor is vermeld, geeft [I.K.] de volgende dag – naar aanleiding van een artikel op de website van AT5 – aan [D.M.] aan, dat Chavez ( [N.B.] ) en Oog (de verdachte) het nu ook zien en wel “pap” gaan trekken. Hierop volgend vindt de volgende berichtenwisseling plaats tussen [I.K.] en [D.M.] . [I.K.] : “Had je ze we’ll al gemeld van ja eentje is gedaan dat ze moeten geven en zeiden ze niks der over ofzo”. [D.M.] : “Krijgen weekend pap bro chavez stuurde net dat op internet staat dat hij aleke had gedaan (…)”. [I.K.] : “Oke bro is goed en die pap van de eerste wnnr is dat”. [D.M.] : “Denk ook dan heb bevestiging van oog gehad snap je”. In de Ennetcom-data van het door de verdachte gebruikte e-mailadres beginnend met 8475 zijn twee financiële overzichten aangetroffen, aangemaakt op respectievelijk 18 juli 2014 en 1 augustus 2014. De rechtbank leidt uit deze notities af dat er niet alleen bedragen aan personen worden betaald, maar ook betalingen worden verricht voor “ennet(pgp)”, huur en Spanje. In een onder [S.I.] in beslag genomen telefoon is ook een financiële notitie aangetroffen, genaamd “Nieuwe boekH”. Deze notitie is eerder weergegeven. Uit deze notitie blijkt dat er geldbedragen zijn betaald via de verdachte (“oog”). Dat de verdachte verantwoordelijk was voor de financiën binnen de criminele organisatie vindt naar het oordeel van de rechtbank ook steun in het gesprek tussen [S.I.] en de verdachte op 24 maart 2015, waarin de verdachte nota bene tegen [S.I.] zegt dat hij hem berekeningen zal sturen. Dat de verdachte wetenschap had van het oogmerk van de criminele organisatie baseert de rechtbank, naast het voorgaande – in het bijzonder de berichten uit december 2013 en van 17 september 2014 – met name op het volgende. Op 6 september 2014 worden er diverse berichten tussen [I.K.] en de verdachte gewisseld. [I.K.] vraagt aan de verdachte: “(…) bro mag die andere trouwens ook die 2 ling maar die van verlof”. De verdachte antwoordt hierop: “Ja dat kan wel maar die bemoeid toch niet zoveel? Die andere is wel belangerijk volgens mij die is echt actief bezig”. [I.K.] aan de verdachte: “Ja dat we’ll maar deze heeft die van laatst gelokt 100% van oost kreeg gisteren bevestiging”. De verdachte aan [I.K.] : “Bro doe maar ze zij sowieso 4 handen op 1 buik (…)”. Naar aanleiding van het bericht van [I.K.] “Ik weet hij komt elke vrijdag tussen half 6 deur uit half open kamp scheveningen en zondag gaat die terug” stuurt de verdachte: “Oke staat bro”. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat met “die 2 ling” de tweelingbroers [broer 1] en [broer 2] worden bedoeld. Dit waren doelwitten van de criminele organisatie. Uit detentiegegevens van [broer 1] blijkt dat hij in 2014 gedetineerd heeft gezeten en vanaf 17 juli 2014 deelnam aan een penitentiair programma met Elektronisch Toezicht (enkelband). Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de berichten van 6 september 2014 – in samenhang met de overige bewijsmiddelen – dat [I.K.] aan de verdachte vraagt of [broer 1] ook geliquideerd mag worden. De verdachte zegt dat dit goed is (“doe maar”). Op 18 september 2014 worden de volgende berichten gewisseld tussen [I.K.] en de verdachte. [I.K.] aan de verdachte: “Is goed bro ik ga even kijken hoe en wat bro deze dagen bro laat ie mannen klaar staan aub dat die hond teminsten weg is”. De verdachte antwoordt hierop met het bericht: “Oke is goed bro als je me een dag eerder aan geeft dat ik klaar moet staan dan kan ik alles voorbereiden”. [I.K.] aan de verdachte: “Olke bro deze dagen bro klaar staan morgen geef ik je dan adres van die cafe en nr kenteken heb ik net aan chavez gegeven al”. In de berichten wordt besproken dat “laat ie mannen klaar staan aub dat die hond teminsten weg is”. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze bewoordingen dat er iemand dood moet. Kennelijk gaat de verdachte hiervoor voorbereidingen treffen. Op 25 oktober 2015, een jaar later, worden de volgende berichten gewisseld tussen [S.I.] en de verdachte. [S.I.] aan de verdachte: “(…) Heb iemand die graag naar die bolle wil Maar die gasten willen geen 100 Zeggen is hot-spot enzo snap je Willen meer En die kk [naam 4] maar hij kwam in een tent daar komt die tijd niet meer, hij is iemand aan het vragen om voor ze te werken zoals is je kaatst al vertelde , En die [bijnaam slachtoffer 2] bro kifesh met die ?”. De verdachte aan [S.I.] : “Die bolle gaan we echt niet meer dan 100 geven bro Even eerlijk wat is er nou hotspot aan hem man…!!! Wat denk jij erover? Je zei me die [naam 4] is weer weg toch… Die [bijnaam slachtoffer 2] is wel een mannetje van hun en zullen we ze ook wel pijn mee doen maar denk je dat we hem boven aan de lijst moeten zetten?”. [S.I.] aan de verdachte: “Die locatie enigst plek die te vinden is Andere momenten moeten we ff goed gaan spitten Ja wilde jou vragen hoe je erover denk Die kk vetlap moest allang gaan Nee [naam 4] is hier maar in die cafe waar die kwam is die opeens niet meer te zien die kk flikker Die [bijnaam slachtoffer 2] als we die pakken bro En direct wat plannen pakken die kk flikkers Want ze gaan direct komen bro Zo komen dat ff buiten desnoods 2 team als ze op afscheid komen, dat wilde we toen al doen toen met die brada van hem”. De verdachte aan [S.I.] : “Klopt die locatie is heel kut bro en kunnen we beter vermijden…. maar doe man komt toch ook ergens anders en we moeten gewoon kijken hoe wat waar met hem…want hij moet ook na huis…!! Oke dat is geen verkeerde plan dan alleen is hij dan zo belangrijk of willen we hem gebruiken om de rest te krijgen Ik bedoel meer we kunnen wel die slappe gasten eromheen doen maar daar raken we hun echt niet mee bro maar laten we even bekokstoven en dan kijken wat we het beste kunnen doen”. In de berichten wordt gesproken over personen die aangeduid worden als “bolle”, “ [bijnamen] ” en “ [bijnaam slachtoffer 2] ”. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat met deze namen [slachtoffer 3] , de tweelingbroers [naam 4] en [slachtoffer 2] worden bedoeld. Dat de berichten zien op het liquideren van personen leidt de rechtbank af uit de bewoordingen “Die kk vetlap moest allang gaan”, “Die [bijnaam slachtoffer 2] als we die pakken bro. En direct wat plannen pakken die kk flikkers (…) 2 team als ze op afscheid komen, dat wilde we toen al doen toen met die brada van hem” en “hij moet ook na huis”. Zoals bekend, was [slachtoffer 2] de neef van [slachtoffer 1] . De rechtbank leidt uit de inhoud van deze berichten af dat door [S.I.] en de verdachte wordt besproken of [slachtoffer 2] bovenaan de lijst van te liquideren personen moet komen te staan, en hoe en waar ze de genoemde personen kunnen liquideren. Ook wordt besproken hoeveel geld er betaald wordt voor een liquidatie. Daarbij is het de verdachte die zegt dat ze voor [slachtoffer 3] niet meer dan 100 gaan geven omdat die “bolle” geen hotspot is. Op 29 november 2015 worden er, tot slot, ook nog diverse berichten tussen [S.I.] en de verdachte gewisseld. De verdachte aan [S.I.] : “(…) Ik denk dat je het ook we’ll gehoord hebt maar ik hoor dat die flikkers op iemand uit zijn om te doen dus laat iedereen op scherp staan” en “Die slang volgens mij bro hij staat klaar om iets te doen hebben we gehoord dus aub waarschuw iedereen”. Uit de inhoud van deze berichten leidt de rechtbank af dat de verdachte opdracht geeft aan [S.I.] om iedereen te waarschuwen en op scherp te laten staan. [S.I.] doet dit en stuurt het bericht van de verdachte onder meer door aan [I.K.] (“Borat / bro !”) met daarbij de vermelding: “Bro krijg dit van oog binnen”. De verdachte en [S.I.] praten met elkaar verder. Ze zeggen tegen elkaar “dat ze (zwaar) slapen”. De verdachte zegt uiteindelijk: “We slapen echt bro dat komt ook omdat veel van ons niet meer op het veld staan we moeten meer op de plein zetten”. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft behoord tot het samenwerkingsverband, wetenschap had van het criminele oogmerk van de organisatie en een aandeel heeft gehad in, dan wel ondersteund heeft, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr, en wel gedurende de gehele ten laste gelegde periode. De rechtbank dient vervolgens nog de vraag te beantwoorden of ook de strafverzwarende omstandigheid kan worden bewezen dat de verdachte leider was van de criminele organisatie. Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het bij deze strafverzwarende omstandigheid niet om leiding geven of opdracht geven aan een strafbaar feit, maar om het leiden van een criminele organisatie. De ‘leider’ hoeft daarbij niet de hoogste leider te zijn en het leiderschap hoeft op geen enkele wijze geformaliseerd te zijn. Van belang is of andere deelnemers aan de organisatie op aanwijzing van de betrokkene handelen. Als de betrokkene andere deelnemers bevelen geeft, kan hij eerder als leider gelden dan wanneer hij alleen maar raad verstrekt. Doorslaggevend is uiteindelijk of de betrokkene binnen de organisatie een bepaalde macht heeft; een bepaald gezag bezit. Als de betrokkene dwingende aanwijzingen kan geven, kan zo'n machtspositie al gauw worden aangenomen. Een dergelijke positie kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de betrokkene aan deelnemers bevelen kan geven, en uit de omstandigheid dat de betrokkene bij het optreden van het verband al dan niet spontane initiatieven ontplooit waarnaar anderen zich richten. (…) het zich daarnaar richten door andere deelnemers is van belang, aldus de wetsgeschiedenis. (Zie de conclusie van Advocaat-Generaal Vegter voor Hoge Raad 18 december 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:1192), in welk arrest de Hoge Raad oordeelde dat een organisatie meerdere leiders kan hebben (ECLI:NL:HR:2018:2331).) Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte een centrale rol had binnen de criminele organisatie en dat hij binnen deze organisatie over belangrijke zaken feitelijke zeggenschap en beslismacht had. Het was de verdachte die ging over de verstrekking en verdeling van de PGP-toestellen, het gebruik van welke toestellen cruciaal was voor de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. De rechtbank wijst op het bericht van de verdachte aan [G.M.] van 28 december 2013 en op het berichtenverkeer tussen de verdachte en [I.K.] van 17 september 2014. In deze berichten dient [I.K.] verantwoording af te leggen aan de verdachte. De verdachte was voorts een belangrijke financiële man binnen de organisatie. De verdachte was verantwoordelijk voor (maandelijkse) betalingen aan onder andere de leden van de organisatie, maar ook voor de PGP-toestellen en huur. Uit de berichten van 18 september 2014 blijkt dat [I.K.] zich tot de verdachte wendt om – de rechtbank kan het niet anders duiden – een salarisverhoging te krijgen. De verdachte wijst dit af, waarna [I.K.] dit met [S.I.] en [D.M.] bespreekt. [S.I.] zegt vervolgens dat ze aan het lijntje worden gehouden. De verdachte was ook iemand met wie overleg werd gevoerd over het wel of niet liquideren van een persoon en over het prioriteren van een beoogd doelwit op de dodenlijst waarvan de organisatie gebruik maakte. De rechtbank wijst op de berichten tussen de verdachte en [I.K.] van 6 september 2014, waarin [I.K.] aan de verdachte vraagt of [broer 1] ook geliquideerd mag worden. De verdachte zegt dat dit goed is. De rechtbank wijst ook op de berichten tussen de verdachte en [S.I.] van 25 oktober 2015, waarin het gaat over het bovenaan de dodenlijst zetten van [slachtoffer 2] en dat de verdachte voor de liquidatie van [slachtoffer 3] niet meer dan 100 gaat geven, omdat [slachtoffer 3] geen ‘hotspot’ is. De verdachte was in de positie om te beslissen wie er (met prioriteit) geliquideerd zou worden en bepaalde ook de hoogte van het geldbedrag dat daarvoor (maximaal) betaald zou worden. Uit de hiervoor weergegeven Ennetcom-berichten blijkt bovendien dat de verdachte binnen de organisatie gezag genoot. Op 1 augustus 2014 zegt [I.K.] bijvoorbeeld in een bericht dat het beter is dat het aan de verdachte wordt gevraagd, omdat die tenminste nog serieus is met dit. Op 4 september 2014 zegt [D.M.] tegen [I.K.] dat hij van de verdachte “bevestiging” heeft gehad. Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat de verdachte (een van
- de)leider(
- s)was van de criminele organisatie, zodat de rechtbank ook de strafverzwarende omstandigheid bewezen acht, ten aanzien van de gehele ten laste gelegde periode. Reeds in december 2013 zegt de verdachte tegen [G.M.] : “we moeten gewoon echt gaan zuiveren om ons heen en de boel strakker aantrekken” en “het moet gewoon een zware les voor ons zijn”. Na afloop van de ten laste gelegde periode, in november 2015, zegt de verdachte nog steeds tegen [S.I.] : “laat iedereen op scherp staan” en “waarschuw iedereen”. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 oktober 2015 als leider heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. 4.3.6 Vrijspraak parketnummer 15/860071-20 (onderzoek Theezeef) Liquidatie [M.A.H.] Op 3 september 2014 omstreeks 12.42 uur is [M.A.H.] op de Pisuissehof in Amsterdam dood aangetroffen op de bestuurdersstoel van zijn auto. Door een patholoog van het NFI is sectie op het slachtoffer verricht. [M.A.H.] had meerdere schotletsel aan het hoofd en volgens de patholoog hebben deze letsels tot het overlijden geleid. Op basis van het dossier acht de rechtbank bewezen dat [M.A.H.] is geliquideerd en dat in elk geval medeverdachte [I.K.] en [D.M.] medeplegers van deze liquidatie waren. De vraag die thans voorligt is, of de verdachte ook een medepleger van deze liquidatie is geweest en zo nee, of de verdachte uitlokker van deze liquidatie is geweest, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en). Primair: medeplegen Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (Hoge Raad 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, met noot N. Rozemond) In zijn standaardarrest over medeplegen had de Hoge Raad reeds herhaald dat bij medeplegen het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, met noot P. Mevis) De rechtbank is van oordeel, zoals ook door het Openbaar Ministerie gerekwireerd en door de raadsman bepleit, dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte medepleger is geweest. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde op de zittingen kan niet worden bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij de feitelijke uitvoering van de liquidatie van [M.A.H.] op 3 september 2014. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet gebleken van een zodanige samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [I.K.] en/of [D.M.] , of van een zodanige bijdrage van de verdachte aan de liquidatie van [M.A.H.] , dat de kwalificatie medeplegen niettemin gerechtvaardigd is. Zo is geen communicatie aangetroffen tussen enerzijds verdachte en anderzijds [I.K.] en/of [D.M.] voorafgaand aan de liquidatie. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen is dat de verdachte in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 oktober 2015 als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit onder meer [I.K.] en [D.M.] . Hoewel de verdachte binnen deze organisatie zeggenschap had over uit te voeren liquidaties kunnen de enkele berichten tussen [I.K.] en [D.M.] op 23 augustus 2014 inhoudende: “Oke bro is goed had jenog bevesteging gekregen van oog gwn gassen” en “Gassen bro gelijk daarom ga hem lekker maken zodat ie komt” naar het oordeel van de rechtbank – wegens het ontbreken van context – niet zonder meer tot de conclusie leiden dat er daadwerkelijk contact is geweest met de verdachte en dat de verdachte ook (beslissende) zeggenschap heeft gehad over de liquidatie van [M.A.H.] . Dat de verdachte ná de liquidatie van [M.A.H.] mogelijk voor geld heeft gezorgd – op 4 september 2014 stuurt [I.K.] aan [D.M.] het bericht: “(…) nu zien chavez en oog het ook bro gaan ze we’ll pap trekken” – is voor een bewezenverklaring van medeplegen onvoldoende. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking niet is komen vast te staan. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde medeplegen van de moord op [M.A.H.] . Subsidiair: uitlokking Van uitlokking is sprake als de uitlokker een ander heeft aangezet tot het begaan van een strafbaar feit, in dit geval moord. Daarbij moet de uitlokker bij de ander “de wil hebben wakker geroepen” om dit feit te plegen. (Hoge Raad 22 februari 1977, NJ 1978/38). Uit de inhoud van de door [I.K.] verstuurde berichten op 21 augustus 2014 om 06.35 uur (aan medeverdachte [Y.A.] : “Ik ga zorgen dat hij weg gaat bro maak je niet druk om iraan ze laatste week iss geteld (…)”) en 23.23 uur (aan [D.M.] : “Bro het is iran die met ze praat gwn vegen direct”) leidt de rechtbank – in het licht van de voorafgaande communicatie tussen [I.K.] en [D.M.] – af dat [I.K.] en [D.M.] zelf hebben besloten dat [M.A.H.] geliquideerd moest worden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de verdachte enige handeling heeft verricht die [I.K.] en/of [D.M.] ertoe heeft aangezet om [M.A.H.] te (laten) liquideren. De verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van de subsidiair tenlastegelegde uitlokking van de moord op [M.A.H.] . 4.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 15/860205-19 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 oktober 2015, in Nederland, als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en onder andere * [D.M.] en * [I.K.] en * [S.I.] en * [G.C.] en * [H.M.] en * [El H.] en * [N.H.] en * [A.G.] en * [M.A.H.] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in - artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord) en - artikel 46 jo. 289 van het Wetboek van Strafrecht (voorbereiding van moord) en - artikel 26 van de Wet wapens en munitie (bezit vuurwapens en munitie). Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 5Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is strafbaar. 6Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is strafbaar. 7Motivering van de straf 7.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en 5 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat hiermee wordt gevorderd dat aan de verdachte de, met inachtneming van artikel 63 Sr, maximaal resterende gevangenisstraf wordt opgelegd. 7.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de zware detentieomstandigheden van de verdachte, die sinds zijn aankomst in Nederland in [penitentiaire inrichting] verblijft. De detentieomstandigheden in [penitentiaire inrichting] moeten als bovengemiddeld zwaar worden aangemerkt, nu de verdachte met slechts één medegedetineerde contact heeft. Ook is sprake van een verzwaarde detentiebeleving door de verdachte, doordat er privégegevens, waaronder de woonplaats en het telefoonnummer, van diverse familieleden van de verdachte in het dossier zijn opgenomen. De raadsman heeft verzocht om ook rekening te houden met de omstandigheid dat de vriendin van de verdachte op 28 februari 2021 de toegang tot Nederland is geweigerd, omdat zij wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde en de binnenlandse veiligheid. 7.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Criminele organisatie De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, gericht op het plegen van moord, het voorbereiden van moord en het bezit van vuurwapens en munitie. Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt bepaald door het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde én de (daarmee samenhangende) aard van de misdrijven die worden beoogd. Binnen dit criminele samenwerkingsverband zijn meerdere buitengewoon ernstige en schokkende feiten begaan. Door (leden van) de organisatie zijn drie afzonderlijke liquidaties gepleegd, te weten de moorden op [slachtoffer 1] (30 jaar) en [M.A.H.] (26 jaar) en de vergismoord op [slachtoffer 4] (30 jaar). Daarnaast zijn er, in het kader van de organisatie, voorbereidingen getroffen om ook andere beoogde doelwitten te liquideren, onder wie [slachtoffer 2] , [O.L.] en [slachtoffer 3] . De wijze waarop de organisatie opereerde is zonder meer als professioneel te kenschetsen. Binnen de organisatie werden opdrachten gegeven om doelwitten te liquideren. Deze opdrachten werden verder uitgezet onder de leden van de organisatie. Er werden zogenoemde ‘spotters’ ingezet om de doelwitten te observeren en ‘hitters’ die de liquidaties uitvoerden. Voor deze werkzaamheden werden (gestolen) voertuigen geregeld en vuurwapens. Een groot deel van de leden van de organisatie werd hiervoor (maandelijks) betaald. Van de financiën werd een boekhouding bijgehouden. Door de leden van de organisatie werd gebruik gemaakt van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Binnen de organisatie bestond een dodenlijst met namen en adressen van de verschillende doelwitten. Uit de aangetroffen communicatie doemt een verontrustend beeld op van een organisatie die zich fulltime, zo nodig 24 uur per dag, met het plegen van liquidaties bezig hield. In huiveringwekkende berichten werd gesproken over hoe de beoogde doelwitten het beste geliquideerd konden worden en over de hoogte van het te betalen bedrag daarvoor. De leden van de organisatie, die zich onbespied waanden, spreken in de berichten gewetenloos over andere (mensen)levens, die in hun ogen kennelijk niets waard zijn. De wijze waarop de liquidaties werden uitgevoerd zijn, tot slot, als extreem gewelddadig te kenschetsen. Zo werd, op de openbare weg, vaak in het bijzijn van getuigen, gebruik gemaakt van (semi) automatische wapens waarbij meerdere kogels van dichtbij – onder meer in het hoofd – werden afgevuurd. Bijdrage verdachte De verdachte heeft gedurende een periode van bijna 2 jaren als leider deelgenomen aan deze organisatie. Dit leiderschap is hiervoor uitgebreid beschreven. De verdachte had (onder meer) zeggenschap over de verstrekking en verdeling van de PGP-toestellen, was een belangrijke financiële man binnen de organisatie, maar was bovenal in de positie om te beslissen wie er (met prioriteit) geliquideerd zou worden en bepaalde ook de hoogte van het geldbedrag dat daarvoor (maximaal) betaald zou worden. De rechtbank vestigt nogmaals de aandacht op de volgende berichten van de verdachte: - “(…) we moeten gewoon echt gaan zuiveren om ons heen en de boel strakker aantrekken” (28 december 2013);- (op de vraag van [I.K.] of [broer 1] ook geliquideerd mag worden) “Bro doe maar ze zij sowieso 4 handen op 1 buik” (6 september 2014); - “Die bolle gaan we echt niet meer dan 100 geven bro. Even eerlijk wat is er nou hotspot aan hem man”, “Die [bijnaam slachtoffer 2] is wel een mannetje van hun en zullen we ze ook wel pijn mee doen” en “(…) we kunnen wel die slappe gasten eromheen doen maar daar raken we hun echt niet mee” (25 oktober 2015). Het behoeft geen betoog dat liquidaties voor grote onrust en een groot gevoel van onveiligheid zorgen in de samenleving. Moord is als zodanig al een van de ergste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht dat ongekend leed veroorzaakt voor nabestaanden. De meedogenloosheid waarmee de onderhavige moorden op de openbare weg, met zware vuurwapens, zijn gepleegd, komt daar echter nog bij. Het is ontluisterend dat de verdachte met zijn organisatie op deze manier over leven en dood denkt te kunnen beschikken. Het achterliggend motief lijkt in alle gevallen macht, wraak en/of status te zijn. Kennelijk is dit voor de verdachte meer waard dan een mensenleven. Het als leider deelnemen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van moord, het voorbereiden van moord en het bezit van vuurwapens en munitie kan in beginsel niet anders worden bestraft dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De persoon van de verdachte Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 13 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte in 2015, ter zake van overtreding van de Wet wapens en munitie, oplichting en valsheid in geschrifte, is veroordeeld tot een gevangenisstaf van 7 maanden en in 2019, ter zake van openlijke geweldpleging, is veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren. Het thans bewezen verklaarde feit is begaan vóór deze veroordelingen, zodat artikel 63 Sr van toepassing is. Het Openbaar Ministerie gaat ervan uit dat toepassing van deze bepaling maakt dat de resterende maximaal aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf, een straf is van 7 jaren en 5 maanden, namelijk het in 2014-2015 wettelijk strafmaximum voor het onderhavige feit van 8 jaren minus de eerder opgelegde 7 maanden. Dit berust naar het oordeel van de rechtbank echter op een onjuiste toepassing van artikel 63 Sr. Indien de rechtbank thans alle feiten (ook die van de veroordelingen uit 2015 en 2019) gelijktijdig zou bestraffen, zou het wettelijk strafmaximum (ingevolge artikel 57 Sr) 10 jaren en 8 maanden zijn. De rechtbank mag bij haar strafoplegging niet boven dat maximum uit gaan, waarbij geldt dat de rechtbank ook is gebonden aan het wettelijk strafmaximum van het voorliggende feit. Dit betekent dat de maximaal aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf, een gevangenisstraf van 8 jaren is. De rechtbank ziet in de door de raadsman naar voren gebrachte (persoonlijke) omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om hier in strafmatigende zin rekening mee te houden, te minder nu de verdachte zich op de terechtzittingen, bij vragen over het aan hem tenlastegelegde, nagenoeg consequent op zijn zwijgrecht heeft beroepen en aldus geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij niet gaat over de vraag of een verdachte in [penitentiaire inrichting] moet worden geplaatst – en dat daar aparte procedures voor gelden – maar dat als een verdachte in [penitentiaire inrichting] zit, daar terecht een zwaar detentieregime geldt. Gelet op de aard van de organisatie, de periode waarin de verdachte daaraan heeft deelgenomen en de leidinggevende rol van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat enkel oplegging van de maximum gevangenisstraf passend is. Redelijke termijn In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet per definitie als een zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 19 januari 2020, de datum waarop de verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de termijn van 16 maanden is overschreden. De rechtbank is echter van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die met name zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak. De eerste aanhoudingen in deze megazaak hebben in april 2018 plaatsgevonden. De politie heeft het einddossier – ondanks voortdurende activiteit – echter niet eerder kunnen afronden dan in oktober 2019, als gevolg van met name het intensieve onderzoek aan de Ennetcom-berichten. Vervolgens is het dossier in november 2019 door het Openbaar Ministerie onder de rechtbank en de raadslieden verspreid, waarna reeds in januari 2020 een regiezitting is gehouden. Oorspronkelijk waren in deze zaak tien verdachten gedagvaard. Het dossier beslaat in totaal meer dan vijftig ordners. Naar aanleiding van de regiezitting zijn in meerdere zaken diverse getuigen gehoord bij de rechter-commissaris en hebben ook verschillende raadslieden het NFI bezocht voor inzage in het systeem Hansken. Voor de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting – waarbij, in het belang van alle zaken, sprake was van gelijktijdige behandeling van alle zaken – dienden vele zittingsdagen te worden uitgetrokken, ook in verband met het uitoefenen van het spreekrecht door diverse nabestaanden/slachtoffers en het bespreken van vorderingen van benadeelde partijen. Daarbij heeft de rechtbank bovendien rekening moeten houden met de omstandigheid dat vanwege veiligheidsaspecten rondom deze zaak, de behandeling grotendeels heeft moeten plaatsvinden in een extra beveiligde zittingszaal, waarvan de beschikbare capaciteit beperkt is. De rechtbank acht vanwege deze bijzondere omstandigheden een redelijke termijn van drie jaren gerechtvaardigd. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 63 en 140 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. 9Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 15/860071-20 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 15/860205-19 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren. Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast de teruggave aan de verdachte van één Apple iPhone, zoals vermeld op de beslaglijst. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jongeling, voorzitter, mr. C.A.M. van der Heijden en mr. M.E. Allegro, rechters, in tegenwoordigheid van de griffiers mr. Z.T. Pronk en mr. J. Dommershuijzen, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 januari 2022.