RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8602328 \ CV EXPL 20-5388 Uitspraakdatum: 9 maart 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht Flightright GmbH statutair gevestigd te Hamburg (Duitsland) eiser hierna te noemen Flightright gemachtigde mr. H. Yildiz tegen de commanditaire vennootschap Transavia Airlines C.V. statutair gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer gedaagde hierna te noemen de vervoerder gemachtigde mr. M. Reevers 1Het procesverloop 1.
- Flightright heeft bij dagvaarding van 27 mei 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- Flightright heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. Flightright heeft hierna nog een akte genomen. 2De feiten 2.
- [passagier 1] en [passagier 2] (hierna: de passagiers) hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers dienden te vervoeren van Heraklion (Griekenland) via Amsterdam-Schiphol Airport naar Dublin Airport (Ierland) op 13 juni 2018 met vlucht HV6874, hierna: de vlucht. 2.
- De vlucht van Heraklion naar Amsterdam-Schiphol Airport is vertraagd uitgevoerd waardoor de passagiers hun aansluitende vlucht van Amsterdam-Schiphol Airport naar Dublin Airport hebben gemist. 2.
- De passagiers hebben hun vermeende vorderingsrecht overgedragen aan Flightright. 2.
- Flightright heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging. 2.
- De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering 3.
- Flightright vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum vlucht tot aan de dag der algehele voldoening; - € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten. 3.
- Flightright heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Flightright stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 800,
- 4Het verweer 4.
- De vervoerder betwist de vordering. Daartoe voert hij aan dat Flightright primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat de vordering moet worden afgewezen daar Flightright geen boekingsbescheiden van de passagiers heeft overgelegd. Zodoende is niet gebleken dat de vordering van de passagiers onder de werkingssfeer van artikel 3 van de Verordening valt. Subsidiair stelt de vervoerder zich op het standpunt dat geen sprake is van langdurige vertraging op de eindvertraging daar de vlucht met een vertraging van 36 minuten is aangekomen op Amsterdam-Schiphol Airport. Meer subsidiair betoogt de vervoerder dat sprake is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. 5De beoordeling 5.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 5.
- De vervoerder betwist primair dat de Verordening van toepassing is nu Flightright niet de boekingsbescheiden van de passagiers heeft overgelegd. De kantonrechter overweegt dienaangaande als volgt: artikel 3 lid 1 onder a van de Verordening bepaalt dat de Verordening van toepassing is op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is. Vervolgens staat in het tweede lid onder a van datzelfde artikel vermeld dat het eerste lid van toepassing is op voorwaarde dat de passagiers een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie hebben en zich – behalve in geval van annulering als bedoeld in artikel 5 – bij de incheckbalie melden, - zoals bepaald en op de tijd die van tevoren door de luchtvaartmaatschappij, de touroperator of een erkend reisbureau schriftelijk (waaronder via elektronische weg) is aangegeven. In artikel 2 onder g van de Verordening is de definitie van boeking opgenomen: “het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator.” In het arrest van het Hof van 21 december 2021 (C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270.20) is een ruimere definitie aan het begrip boeking toegekend. Als een passagier beschikt over een door de touroperator afgegeven ander bewijs in de zin van artikel 2 onder g van de Verordening, dan staat dit andere bewijs ook gelijk aan een boeking. Flightright heeft noch bij dagvaarding, noch bij conclusie van repliek en noch bij akte de boekingsbescheiden dan wel andere bewijzen van de passagiers overgelegd. Flightright heeft nog in haar conclusie van repliek een bewijsaanbod gedaan. De kantonrechter gaat hier echter aan voorbij nu de passagiers in hun e-mail aan Flightright hebben aangegeven dat zij op 9 januari 2021 de boekingsbescheiden kunnen overleggen, terwijl de conclusie van repliek dateert van 13 januari
- Niet gebleken is derhalve dat Flightright niet eerder in staat is geweest de boekingsbescheiden bij conclusie van repliek te overleggen. In de dagvaarding heeft Flightright verder nog verwezen naar productie één dat het vluchtschema van de passagiers zou moeten bevatten, echter valt het schema niet te herleiden tot de passagiers. Niet gebleken is dat passagiers daadwerkelijk van die vluchten gebruik hebben gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dan ook niet worden vastgesteld dat de passagiers een bevestigde boeking bij de vervoerder dan wel bij een touroperator hadden in de zin van de Verordening. Derhalve vallen de passagiers niet onder de werkingssfeer van de Verordening. De vordering op grond van artikel 7 van de Verordening wordt dan ook afgewezen. Nu het primaire verweer van de vervoerder slaagt, behoeven de overige verweren van de vervoerder geen bespreking meer. 5.
- De proceskosten komen voor rekening van Flightright, omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten komen voor rekening van Flightright, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
- wijst de vordering af; 6.
- veroordeelt Flightright tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 248,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagier tot betaling van € 62,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. 6.
- verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter