RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf Locatie Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/870630-18 (P) Uitspraakdatum: 19 januari 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 januari 2020, 3 februari 2020, 7 april 2020, 2 juli 2020, 16 september 2020, 4 december 2020, 19 februari 2021, 28, 29 en 30 april 2021, 25 mei 2021, 1 en 22 juni 2021, 30 augustus 2021, 4, 20 en 29 oktober 2021, 1 december 2021 en 19 januari 2022 in de zaak tegen de verdachte: [G.C.] , geboren op [geboortedatum 1] 1988 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in [penitentiaire inrichting] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie [zaaksofficier 1] , [zaaksofficier 2] en [zaaksofficier 3] (hierna gezamenlijk aangeduid als het Openbaar Ministerie) en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.L.M. Ficq, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen van: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en drie familieleden [familienaam] en van hetgeen zij en mr. A.J.J.G. Schijns, advocaat te Amsterdam, ter toelichting op deze vorderingen naar voren hebben gebracht; [slachtoffer 2] en van hetgeen hij en mr. F.A. ten Berge, advocaat te Utrecht, ter toelichting op deze vordering naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is – na nadere omschrijving van de tenlastelegging zoals bedoeld in artikel 314a Sv op de terechtzitting van 4 december 2020 – ten laste gelegd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, heeft schuldig gemaakt aan: Feit 1 (Himalaya) primair: medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] op 20 februari 2014; subsidiair: medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 1] in de periode van 14 februari 2014 tot en met 20 februari 2014; meer subsidiair: voorbereiding van de moord op [slachtoffer 1] in de periode van 14 februari 2014 tot en met 20 februari 2014; Feit 2 (Tienshan) primair: medeplegen van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 2] in de periode van 24 juli 2014 tot en met 17 september 2014; subsidiair: medeplichtigheid aan de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 2] in dezelfde periode; Feit 3 (criminele organisatie) - het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (moord, voorbereiding van moord en wapenbezit) in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2015. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten. Wat betreft feit 3 heeft het Openbaar Ministerie een bewezenverklaring gevorderd van de periode van 1 januari 2014 tot en met 7 juni 2015. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Ennetcom-verweren Door verschillende raadslieden in de megazaak Himalaya zijn verweren gevoerd met betrekking tot de rechtmatigheid van de verkrijging van de zogenoemde Ennetcom-berichten en de bruikbaarheid van die berichten voor het bewijs. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende. Inleiding Ennetcom betreft een Nederlands bedrijf dat in binnen- en buitenland, ook via resellers, beveiligde BlackBerry-telefoons verkocht waarmee het mogelijk was om versleutelde, geëncrypte berichten en notities op te stellen en te verzenden. Deze telefoons worden ook wel aangeduid als ‘crypto-telefoons’ of ‘PGP-toestellen’, waarbij de letters PGP staan voor Pretty Good Privacy. Uit gegevens van de Nederlandse politie bleek dat criminelen uit de zware en georganiseerde misdaad veelvuldig gebruik maakten van deze telefoons. Op 8 april 2016 heeft de officier van justitie van het Landelijk Parket een rechtshulpverzoek gericht aan de bevoegde autoriteiten van Canada. Dit rechtshulpverzoek is gedaan in vier strafrechtelijke onderzoeken: het onderzoek 26DeVink: het onderzoek tegen het bedrijf Ennetcom en diens directeur en enig aandeelhouder [naam 1] ; de onderzoeken 26Koper, 13Rendlia en 13Rooibos: drie zogenoemde liquidatieonderzoeken, althans onderzoeken naar (voorbereidingen van en/of pogingen tot) ernstige geweldsdelicten, waarbij gebruik is gemaakt van BlackBerry-telefoons van het bedrijf Ennetcom. De verzochte rechtshulp zag – voor zover hier van belang – op het (forensisch) veiligstellen van de data op de door Ennetcom gehuurde servers van Bitflow Technologies Inc. in Toronto (Canada), teneinde deze data te kunnen gebruiken in de genoemde onderzoeken. Door de autoriteiten van Canada is uitvoering gegeven aan dit rechtshulpverzoek en de vermelde data (hierna ook: Ennetcom-data) zijn op of vanaf 19 april 2016 veiliggesteld. Het gaat om een zeer grote hoeveelheid data, afkomstig van (tien)duizenden gebruikers van de diensten van Ennetcom. De beslissing(
(26)” – dat [N.H.] (‘Chavez’) en [K.J.] (‘Oog’) het nu ook zien en wel ‘pap’ gaan trekken. Op 5 september 2014 zegt [I.K.] tegen [D.M.] : ‘is ze eigen schuld bro serieus hoefte niet maar ja hij koos er voor’. [D.M.] reageert: ‘Klopt bro (…) die man heeft ons verraden bro en dat is een les voor anderen bro’. Financiële notities In de Ennetcom-data van een door [N.H.] gebruikt e-mailadres zijn financiële notities aangetroffen. Uit deze notities blijkt dat er niet alleen bedragen aan personen worden betaald, maar ook betalingen worden verricht ten behoeve van ‘huur’, ‘pantser’ en ‘belhuis’. Ook in de Ennetcom-data van een door [K.J.] gebruikt e-mailadres worden financiële overzichten aangetroffen. In een in het appartement van [S.I.] in Benidorm (Spanje) in beslag genomen telefoon is voorts de volgende financiële notitie aangetroffen: In deze notitie, genaamd ‘Nieuwe boekH’ (nieuwe boekhouding), is naast een overzicht van betalingen aan personen, ook een overzicht opgenomen van PGP-toestellen, bij wie deze in gebruik zijn en of ze verlengd of nieuw zijn, dan wel vervangen of geactiveerd moeten worden. In bijlage II bij dit vonnis zijn de bewijsmiddelen opgenomen waaruit blijkt dat de volgende bijnamen bij de volgende personen horen: - Elvis: [D.M.] - Nemoes: [S.I.] - Lip: [I.K.] - Spartan: de verdachte - Oog: [K.J.] Uit de PGP-berichten blijkt dat [I.K.] in eerste instantie een maandelijkse bijdrage van de organisatie kreeg van € 2.500,-. [I.K.] geeft op 18 september 2014 aan [K.J.] aan dat hij het met dat bedrag niet redt: ‘betaal ik net huis en borg mee en ik deel altijd geld met 2 jongens die autos halen en die alles zeggen’. [K.J.] antwoordt: ‘Bro we kunnen niet maandelijks iedereen geven (…) die jongens moeten krijge voor wat ze doen die 2500 is voor jou om je kostEn te betalen ik kan geen 10 man maandelijks geld geven’. [I.K.] stuurt het antwoord van [K.J.] door aan [S.I.] en [D.M.] . De drie personen beklagen zich vervolgens over hun inkomen. Zo zegt [I.K.] : ‘Kan liever uitkering nemen komt bijna op zelfde neer en broodjes verkopen bij kappie’. [S.I.] zegt dat ze aan het lijntje worden gehouden. Uit de berichten en de financiële notities kan worden opgemaakt, dat [S.I.] en [D.M.] elk € 5.000,- per maand van de organisatie ontvangen, dat de maandelijkse bijdrage van [I.K.] is verhoogd tot € 3.000,- en dat ook de verdachte (‘Spartan’) als werker € 2.000,- ontvangt. Dodenlijst In de Ennetcom-data van het tijdens zijn aanhouding op 7 juni 2015 onder de verdachte aangetroffen PGP-toestel is een ‘To Do’ lijst aangetroffen. De lijst is op 23 maart 2015 aangemaakt en op 7 mei 2015 aangepast. Op de lijst staan onder meer adressen van de moeder en zussen van [slachtoffer 2] (‘ [bijnaam] ’), [slachtoffer 3] (‘Boeloe’), [O.L.] en de broers [naam 2] , althans adressen die met deze personen in verband kunnen worden gebracht. [slachtoffer 2] was het beoogde slachtoffer in de zaak Tienshan. [O.L.] was het beoogde slachtoffer in de zaak Dollar. [O.L.] is, zoals vermeld, de broer van de in de Staatsliedenbuurt doodgeschoten [Y.L.] . Hij lijkt een sturende rol te hebben gekregen in de groepering rond [H.A.S.] . Ook [slachtoffer 3] en de broers [naam 2] waren beoogde doelwitten van de organisatie. De rechtbank roept in herinnering dat in één van de berichten in het onderzoek Tienshan over ‘dodenlijst’ wordt gesproken. [I.K.] heeft bij de politie verklaard dat er inderdaad een dodenlijst bestond. Ook is in de Ennetcom-data van dit toestel een notitie aangetroffen met de naam ‘Kennie’s allemaal OT, AT en recherche’. Deze notitie is eveneens op 23 maart 2015 aangemaakt en bevat gegevens van diverse voertuigen (merk, type, kenteken). Uit navraag bij het RDW, de Rijksdienst voor het wegverkeer, is gebleken dat het gaat om voertuigen van de politie dan wel politiemedewerkers. Reek [slachtoffer 3] was het beoogde slachtoffer in de zaak Reek. Ook hij maakte deel uit van de groepering rond [H.A.S.] . Uit berichten aangetroffen op de door het NFI gedecrypte telefoon van [S.I.] blijkt dat er op 3 oktober 2015 een observatie heeft plaatsgevonden op [slachtoffer 3] , die zich op dat moment in de Sporthallen Zuid in Amsterdam bevond, met als doel hem die dag op straat te liquideren. In de zaak tegen [R.P.] acht de rechtbank bewezen dat hij zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 3] . Hij stond op 3 oktober 2015 in contact met de door hem geregelde schutter – die op een brug nabij de sporthal [slachtoffer 3] stond op te wachten – en daarnaast met [S.I.] , die op zijn beurt weer contact had met [I.K.] . Beoogde doelwitten In een andere, op 30 november 2015, onder [S.I.] in beslag genomen telefoon is een notitie aangetroffen genaamd ‘Gesprek eye’, opgeslagen op 26 oktober 2015. Hieruit blijkt dat [S.I.] en [K.J.] op 25 oktober 2015 een gesprek hebben gevoerd over (kort gezegd) ‘het boven aan de lijst zetten van [slachtoffer 2] (“ [bijnaam] ’) omdat dit wel een mannetje van hun is waar ze hun wel pijn mee doen’. Ook wordt er gesproken over [naam 2] en over het bedrag dat betaald kan worden voor [slachtoffer 3] (‘die bolle’). [K.J.] geeft aan niet meer dan 100 te geven omdat hij ‘geen hotspot is’. Vanuit het onderzoek 26Sassenheim is een proces-verbaal verstrekt met betrekking tot het e-mailadres [e-mailadres 4] . De rechtbank acht voldoende komen vast te staan dat dit e-mailadres in gebruik is geweest bij [I.K.] . In de berichten van dit e-mailadres, in mei 2016, wordt gesproken over of ‘die bolle’ is gespot, waar ‘Boeloeloe’ rijdt en het ‘plakken’ van een scooter. Op 27 mei 2016 wordt door een onbekend gebleven persoon aan [I.K.] gevraagd wat een ‘driver’ krijgt voor rijden bij een ‘veegje’. [I.K.] antwoordt dat hij een keer 25 heeft gegeven en een keer 30, voor alleen rijden en niets anders. De ‘hitter’ kreeg toen 75. Uit de communicatie met een andere onbekend gebleven persoon op 29 mei 2016 blijkt dat er nog steeds maandelijks ‘pap’ van oog wordt gekregen, maar dat men dit liever op een vaste dag, bijvoorbeeld iedere 15e van de maand, zou willen ontvangen. Conclusie Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat zich meerdere jaren, in wisselende samenstelling, maar met een vaste kern, heeft beziggehouden met het plegen van liquidaties, dan wel voorbereidingen daartoe, alsmede het bezit van vuurwapens en munitie. Daarbij werd een dodenlijst gehanteerd. De leden van de organisatie maakten gebruik van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Ook maakten zij gebruik van vuurwapens, (gestolen) voertuigen en bakens, zoals in de afzonderlijke zaaksdossiers bewezen is verklaard. Zij werden voor hun werkzaamheden door de organisatie betaald. Een groot deel van de leden kreeg een maandelijks inkomen, dat niet anders kan worden gezien dan een (vast) salaris voor een crimineel dienstverband. Dat enkele leden van de organisatie ook in andere samenwerkingsverbanden opereerden, bijvoorbeeld met het doel om plofkraken of overvallen te plegen, dan wel zich met cocaïnehandel bezighielden, doet aan het voorgaande niet af. Dat het oogmerk van de organisatie niet alleen zag op moord en de voorbereiding daarvan, maar ook op het bezit van vuurwapens en munitie, volgt reeds uit het feit dat voor liquidaties wapens en munitie noodzakelijk zijn. Hierbij roept de rechtbank in herinnering dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot het oogmerk van de organisatie ook moet worden gerekend het naaste doel dat de organisatie nastreeft. Het plegen van liquidaties heeft als noodzakelijk, en daarmee door de organisatie gewild gevolg dat tevens overtredingen van de Wet wapens en munitie worden begaan. Bij de liquidatie van [slachtoffer 1] is gebruik gemaakt van twee vuurwapens, een semiautomatisch pistool en een machinepistool van het type Skorpion. Ná deze liquidatie wordt in PGP-berichten gesproken over het uit elkaar halen van deze wapens. Bij de liquidatie van [slachtoffer 4] is gebruik gemaakt van een pistoolmitrailleur van het merk CZ. Zoals hiervoor vermeld, is dit wapen ná de liquidatie bij [E.L.] aangetroffen. En ook bij de liquidatie van [M.A.H.] is gebruik gemaakt van een vuurwapen, vermoedelijk een semiautomatisch pistool. [I.K.] heeft bij de politie verklaard dat wapens op een locatie werden bewaard. Daarnaast werd er ook over wapens gecommuniceerd. Op 7 maart 2014 stuurt [N.H.] aan [I.K.] : ‘ik heb zo ie zoe pippa hier ligt doorgeladen op de tafel’. Op 23 augustus 2014 vraagt [I.K.] aan [D.M.] , in het kader van de voorgenomen liquidatie van [M.A.H.] , of er wel ‘apparaten’ zijn. [D.M.] antwoordt daarop dat die bij Reus (de verdachte) liggen. Deelnemen aan een criminele organisatie Juridisch kader Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn indien de verdachte: 1. behoort tot het samenwerkingsverband en 2. een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. (Hoge Raad 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264) In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr ligt tevens een opzetvereiste van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor "deelneming" voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. (Hoge Raad 18 november 1997, NJ 1998/225) Ook hoeft de verdachte geen opzet op die concrete misdrijven te hebben. (Hoge Raad 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651) Dit is niet anders indien het oogmerk van de organisatie is gericht op het plegen van misdrijven van uiteenlopende aard. (Hoge Raad 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122) De verdachte De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat de verdachte aan de criminele organisatie heeft deelgenomen en zo ja, gedurende welke periode. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Dat de verdachte heeft behoord tot het samenwerkingsverband en dat hij wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de zaaksdossiers Himalaya en Tienshan. De verdachte was een van de medeplegers van de liquidatie van [slachtoffer 1] en hij was een medeplichtige aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 2] . De verdachte ontving een (vast) salaris van de organisatie, getuige de hiervoor weergegeven ‘nieuwe boekhouding’. De verdachte, alias Spartan, ontving als een van de zogenoemde werkers een bedrag van € 2.000,- per maand. De verdachte beschikte ook over PGP-toestellen, die hij (telkens) van de organisatie heeft ontvangen. Ten tijde van het zaaksdossier Himalaya was dit de 26v0, die hij via [I.K.] heeft gekregen. In de ‘nieuwe boekhouding’ is vermeld dat de PGP van ‘Spartan’ op 22 maart 2015 is verlengd. Zoals hiervoor weergegeven, is deze boekhouding aangetroffen in een in het appartement van [S.I.] in Benidorm (Spanje) in beslag genomen telefoon. In de Ennetcom-data van een andere onder [S.I.] in beslag genomen telefoon is de volgende notitie aangetroffen, aangemaakt op 22 maart 2015: ‘Verleng [e-mailadres 2] ’. Dit e-mailadres is gekoppeld aan het PGP-toestel dat op 7 juni 2015 onder verdachte is aangetroffen. Onder meer op grond hiervan heeft de rechtbank de verdachte ook geïdentificeerd als de gebruiker van een tweede PGP-toestel: a914. In de Ennetcom-data van dit PGP-toestel, dat de verdachte in 2015 in gebruik had, is de zogenoemde ‘To Do’ lijst aangetroffen, alsmede de notitie ‘Kennie’s allemaal OT, AT en recherche’. Deze documenten bevatten voor de organisatie belangrijke informatie. Voorts wijst de rechtbank nog op de volgende feiten en omstandigheden. In het zaaksdossier Dollar, betreffende de vergismoord van [slachtoffer 4] , is komen vast te staan dat het beoogde doelwit [O.L.] was. Van deze persoon was bekend dat hij in een Fiat Punto reed met het kenteken [kenteken 5] . In de communicatie ná de vergismoord zegt [I.K.] op enig moment tegen [D.M.] : ‘(…) is zelfde straat is fiat punto alleen niet en zwarte punto (…) wij moesten zwarte punto [kenteken 5] heb ik hem duidelijk gezegd reus weet het ook (…)’. Reus is een bijnaam van de verdachte. In het zaaksdossier Theezeef, betreffende de liquidatie van [M.A.H.] , is komen vast te staan dat [I.K.] en [D.M.] deze moord hebben beraamd. Tijdens hun communicatie vraagt [I.K.] op enig moment of er wel ‘apparaten’ – gelet op de context: vuurwapens – zijn. [D.M.] zegt dan: ‘Ja bro reus heeft ze (…)’. In een volgend bericht zegt [D.M.] : ‘(…) alleen moet spartan ff reageren voor die dingen (…)’. De verdachte heeft bij de inhoudelijke behandeling op de terechtzittingen verklaard, dat hij in vuurwapens heeft gehandeld en dat het best zou kunnen dat hij dit ook in de periode januari 2014 – juni 2015 heeft gedaan. Hij heeft altijd een kogelwerend vest gehad. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij [I.K.] , [E.L.] , [D.M.] en [H.M.] kende en dat hij ook wist wie [G.M.] en [M.A.H.] waren. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie en wel gedurende de periode van 1 januari 2014 tot en met 7 juni 2015, zijnde de dag van de aanhouding van de verdachte in het onderzoek “13Sulafat”. De verdachte had een belangrijk aandeel in, en ondersteunde, gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Tot de overtuiging van de rechtbank draagt, tot slot, bij hetgeen is aangetroffen op de in 2019 in Spanje onder [D.M.] in beslag genomen mobiele telefoon, in het bijzonder de WhatsApp-berichten tussen [D.M.] en de verdachte, opgeslagen als contact “Spar” met als profielfoto vuurwapens. De verdachte heeft vanuit de penitentiaire inrichting waar hij in verband met het onderzoek “13Sulafat” was gedetineerd jarenlang – via een illegale telefoon, die via [I.K.] door iemand over de muur van de inrichting was gegooid – contact onderhouden met [D.M.] . Uit deze berichten volgt dat [D.M.] geld (“pap”) en kleding stuurt ten behoeve van de verdachte en zijn partner. De verdachte bedankt [D.M.] hiervoor. De verdachte vraagt [D.M.] hoe het met de ‘boys’, de ‘familie’, gaat en spreekt met [D.M.] over [S.I.] (Nemoes), [I.K.] (Lomba) en [H.M.] (H, alias kleine). De verdachte zegt onder meer: ‘Ik mis jullie ook heel erg bro’ ‘Ik vergeet het nooit. Je weet hoe ik was buiten voor jou, nu als ik terug kom kun je het dubbele verwachten’ ‘(…) Soms zit ik in me cel en denk ik terug aan alles. Ik heb nergens spijt van. (…)’. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat Feit 1 (Himalaya) Primair hij op 20 februari 2014 te Zaandam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels op die [slachtoffer 1] afgevuurd, waardoor die [slachtoffer 1] meermalen in zijn hoofd werd geraakt, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden; Feit 2 (Tienshan) Subsidiair [I.K.] en [El H.] en [D.M.] en andere personen in de periode van 24 juli 2014 tot en met 21 augustus 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar, ter voorbereiding van het misdrijf om een persoon, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, zijnde moord, strafbaar gesteld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk - een GPS-baken/een Track and Trace-systeem en een laptop en een (mobiele) telefoon (voor het uitlezen van de data van dat GPS-baken/Track and Trace-systeem) en - een van diefstal afkomstige auto en - PGP-toestellen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden hebben gehad, bij het plegen van welke voorbereiding verdachte in de periode van 24 juli 2014 tot en met 1 augustus 2014 in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft verdachte opzettelijk - meermalen gekeken en/of gecontroleerd waar het/de door voornoemde [slachtoffer 2] gebruikte voertuig(
- en)stond(
- en)en/of zich bevond(
- en)en of voornoemde [slachtoffer 2] nog steeds van dat/die voertuig(
- en)gebruik maakte en - die informatie vervolgens doorgegeven aan voornoemde [D.M.] en/of (een) ander(en); Feit 3 (criminele organisatie) hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 7 juni 2015, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en onder andere * [D.M.] en * [I.K.] en * [S.I.] en * [H.M.] en * [El H.] en * [N.H.] en * [K.J.] en * [A.G.] en * [M.A.H.] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in - artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord) en - artikel 46 jo. 289 van het Wetboek van Strafrecht (voorbereiding van moord) en - artikel 26 van de Wet wapens en munitie (bezit vuurwapens en munitie). Hetgeen aan de verdachte (onder deze feiten) meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: Feit 1 primair Medeplegen van moord Feit 2 subsidiair Medeplichtigheid aan medeplegen van voorbereiding van moord Feit 3 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is strafbaar. 5Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is strafbaar. 6Motivering van de straf 6.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het Openbaar Ministerie heeft hiermee gevorderd dat aan de verdachte, met inachtneming van artikel 63 Sr, de maximaal resterende tijdelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft zich, naar aanleiding van een vraag van de rechtbank, op het standpunt gesteld dat in de zaak van de verdachte geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, gelet op de aard van de procedure en de omvang van de zaak. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om bij strafoplegging rekening te houden met de per 1 juli 2021 in werking getreden Wet straffen en beschermen, als gevolg waarvan de periode waarover gedetineerden voorwaardelijk in vrijheid kunnen worden gesteld (een derde van de vrijheidsstraf) is gemaximeerd tot twee jaren. Overigens heeft de raadsvrouw zich niet over de strafoplegging uitgelaten. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft zich samen met anderen, in georganiseerd verband, schuldig gemaakt aan de liquidatie van [slachtoffer 1] . Daarnaast heeft hij zich, in datzelfde verband, als medeplichtige schuldig gemaakt aan de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 2] . De liquidatie van [slachtoffer 1] Op 20 februari 2014, in de vroege ochtend, is [slachtoffer 1] (30 jaar) doodgeschoten in een woonwijk in Zaandam. De schutter was [M.A.H.] . Koelbloedig heeft hij slachtoffer van zeer korte afstand met gestrekte arm meermalen door het hoofd geschoten. Enkele getuigen hebben de schietpartij van (zeer) dichtbij gezien. Veel omwonenden hebben de schietpartij gehoord. Na het uitvoeren van de liquidatie is [M.A.H.] als passagier in de gestolen vluchtauto gestapt, die door de verdachte werd bestuurd. Beiden zijn daarna naar Amsterdam gereden, waar de vluchtauto in brand is gestoken. Vervolgens heeft de verdachte aan de medeverdachte [I.K.] het bericht gestuurd: “Broer het is geklaart”. De liquidatie van [slachtoffer 1] werd al sinds 16 februari 2014 voorbereid. Er hebben meerdere observaties plaatsgevonden en er zijn voorverkenningen van de uiteindelijke plaats delict geweest. [slachtoffer 1] is om het leven gebracht omdat vermoed werd dat hij betrokken was geweest bij (een) poging(
- en)tot liquidatie van [G.M.] . Zoals hiervoor is overwogen, was de verdachte een medepleger van deze liquidatie. De verdachte heeft met zijn gedragingen een cruciale rol vervuld. De voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 2] In de periode van 24 juli 2014 tot en met 21 augustus 2014 hielden onder andere medeverdachten [I.K.] en [El H.] zich bezig met de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 2] , de neef van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] moest om het leven worden gebracht, omdat hij mogelijk wraak zou willen nemen voor de liquidatie van [slachtoffer 1] en omdat hij mogelijk achter de liquidatie van [G.M.] , op 22 mei 2014, zou zitten. Voor het begaan van de moord hadden deze verdachten een GPS-baken dan wel Track and Trace-systeem voorhanden, dat onder een voertuig van [slachtoffer 2] was geplaatst, alsmede apparatuur om de data hiervan af te lezen, een gestolen auto en PGP-toestellen. Ook was er een schutter geregeld. De wijze van uitvoering van de voorbereiding had een professioneel karakter. Door de verdachten werd met behulp van versleutelde, geëncrypte communicatie (via de PGP-toestellen) de noodzakelijke informatie uitgewisseld. De verdachte heeft willens en wetens meegewerkt aan deze voorbereiding van de moord op [slachtoffer 2] , door gedurende een week uit te kijken naar de auto van [slachtoffer 2] en informatie hierover aan in ieder geval [D.M.] door te geven. Kortom, medeplichtigheid. Nabestaanden De verdachte heeft de nabestaanden, slachtoffers onherstelbaar en onnoemelijk veel leed aangedaan. Leed dat niet in woorden is uit te drukken. Zij moeten leven met het enorme gemis en met de wetenschap hoe en waarom hun dierbare om het leven is gebracht. Uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen blijkt dat de moord op [slachtoffer 1] heel veel impact heeft gehad op de levens van de nabestaanden. De partner van [slachtoffer 1] is direct na de schietpartij geconfronteerd met het lichaam van haar partner. [slachtoffer 1] laat een jonge zoon achter. Hij zal door toedoen van de verdachte opgroeien zonder zijn vader. De liquidatie van [slachtoffer 1] en de (medeplichtigheid aan
- de)voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 2] hebben plaatsgevonden in het kader van de criminele organisatie waartoe de verdachte behoorde. Criminele organisatie De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, gericht op het plegen van moord, het voorbereiden van moord en het bezit van vuurwapens en munitie. Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt bepaald door het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde én de (daarmee samenhangende) aard van de misdrijven die worden beoogd. Binnen dit criminele samenwerkingsverband zijn meerdere buitengewoon ernstige en schokkende feiten begaan. Door (leden van) de organisatie zijn drie afzonderlijke liquidaties gepleegd, te weten de moorden op [slachtoffer 1] en [M.A.H.] en de vergismoord op Stefan [slachtoffer 4] . Daarnaast zijn er, in het kader van de organisatie, voorbereidingen getroffen om ook andere beoogde doelwitten te liquideren, onder wie [slachtoffer 2] , [O.L.] en [slachtoffer 3] . De wijze waarop de organisatie opereerde is zonder meer als professioneel te kenschetsen. Binnen de organisatie werden opdrachten gegeven om doelwitten te liquideren. Deze opdrachten werden verder uitgezet onder de leden van de organisatie. Er werden zogenoemde ‘spotters’ ingezet om de doelwitten te observeren en ‘hitters’ die de liquidaties uitvoerden. Voor deze werkzaamheden werden (gestolen) voertuigen geregeld en vuurwapens. Een groot deel van de leden van de organisatie werd hiervoor (maandelijks) betaald. Van de financiën werd een boekhouding bijgehouden. Door de leden van de organisatie werd gebruik gemaakt van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Binnen de organisatie bestond een dodenlijst met namen en adressen van de verschillende doelwitten. Uit de aangetroffen communicatie rijst een verontrustend beeld op van een organisatie die zich fulltime, zo nodig 24 uur per dag, met het plegen van liquidaties bezig hield. In huiveringwekkende berichten werd gesproken over hoe de beoogde doelwitten het beste geliquideerd konden worden en over de hoogte van het te betalen bedrag daarvoor. De leden van de organisatie, die zich onbespied waanden, spreken in de berichten gewetenloos over andere (mensen)levens, die in hun ogen kennelijk niets waard zijn. De wijze waarop de liquidaties werden uitgevoerd zijn, tot slot, als extreem gewelddadig te kenschetsen. Zo werd, op de openbare weg, vaak in het bijzijn van getuigen, gebruik gemaakt van (semi) automatische wapens waarbij meerdere kogels van dichtbij – onder meer in het hoofd – werden afgevuurd. De verdachte heeft ongeveer 1,5 jaar deelgenomen aan deze organisatie. Deze deelname is enkel geëindigd vanwege de aanhouding van de verdachte in een ander strafrechtelijk onderzoek op 7 juni 2015. De verdachte had een belangrijke rol in de organisatie. Als zogenaamd ‘werker’ ontving hij een maandelijks inkomen van de organisatie. Ten tijde van zijn aanhouding in juni 2015 beschikte hij over een PGP-toestel met daarin onder andere de meergenoemde “To Do” lijst, waarin de namen en adresgegevens van diverse doelwitten van de organisatie stonden vermeld. Het behoeft geen betoog dat liquidaties voor grote onrust en een groot gevoel van onveiligheid zorgen in de samenleving. Moord is als zodanig al een van de ergste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht dat ongekend leed veroorzaakt voor nabestaanden. De meedogenloosheid waarmee de onderhavige moord op de openbare weg, met zware vuurwapens, is gepleegd, komt daar echter nog bij. Gelet op de ernst van de feiten komt alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur als straf in aanmerking. Deze straf dient in de eerste plaats ter vergelding van het leed dat de verdachte de nabestaanden, slachtoffers heeft aangedaan. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat ook uit het oogpunt van generale preventie een zware straf op zijn plaats is. De rechtbank beoogt met de wijze waarop deze zaak wordt afgedaan het signaal af te geven dat op deze ernstige vormen van excessief geweld een stevige reactie van de strafrechter volgt, teneinde eraan bij te dragen dat anderen ervan worden weerhouden om dergelijke misdrijven te begaan. Helaas is dit tot op de dag van vandaag nodig. Persoon van de verdachte Ten aanzien van de persoon van de verdachte neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Uit het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 13 april 2021, blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel is de verdachte op 27 december 2017 door het gerechtshof Amsterdam onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren in het onderzoek “13Sulafat”. De rechtbank dient hier ingevolge het bepaalde in artikel 63 Sr rekening mee te houden, zodat de maximale nog op te leggen tijdelijke gevangenisstraf 25 jaren is. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Integendeel, in de in 2017 – tijdens zijn detentie in het onderzoek “13Sulafat” – door hem aan [D.M.] verstuurde WhatsApp-berichten geeft hij aan: altijd klaar, “ready”, te staan, dat hij nergens spijt van heeft en dat als hij weer buiten is, [D.M.] het dubbele van hem kan verwachten. De indruk die de rechtbank op basis van de stukken van de persoon van de verdachte heeft gekregen, is die van een gewetenloze pleger en voorbereider van liquidaties, tegen wie de maatschappij langdurig dient te worden beschermd. Strafmaat Gelet op de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte, is de rechtbank met het Openbaar Ministerie van oordeel dat oplegging van de maximaal resterende tijdelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Met een minder zware straf wordt het leed onvoldoende vergolden en wordt de maatschappij onvoldoende beschermd tegen het gevaar dat van de verdachte uit gaat. De rechtbank heeft zich, mede naar aanleiding van het pleidooi van de raadsvrouw, rekenschap gegeven van de Wet straffen en beschermen die op 1 juli 2021 in werking is getreden. Met deze wet is de regeling inzake de detentiefasering, waaronder in het bijzonder de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI), gewijzigd. Veroordeelden komen niet meer automatisch voor VI in aanmerking en bovendien is de periode waarover VI kan worden verleend – een derde van de opgelegde straf – gemaximeerd tot twee jaren. Dit betekent dat oplegging van een gevangenisstraf van 25 jaren inhoudt dat de verdachte ten minste 23 jaren moet zitten, terwijl dit vóór 1 juli 2021, 16 jaren en 8 maanden was. De rechtbank ziet hierin evenwel geen reden om thans tot een lagere strafoplegging te komen. Daarbij is van belang dat – in het kader van de toepassing van artikel 63 Sr – indien de verdachte thans zou zijn veroordeeld voor niet alleen de onderhavige feiten, maar ook de feiten waarvoor hij in het onderzoek “13Sulafat” is veroordeeld (zoals beschreven in ECLI:NL:GHAMS:2017:5436) oplegging van een levenslange gevangenisstraf een reële optie zou zijn geweest. De rechtbank gaat daar niet toe over, omdat zij dit in de zaak van de verdachte een te zware straf vindt. Oplegging van de maximale tijdelijke gevangenisstraf doet in deze zaak voldoende recht. Matiging van deze straf, als gevolg van de wijziging van de VI-regeling, is onder deze omstandigheden niet op zijn plaats. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren passend en geboden. Redelijke termijn In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet per definitie als een zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 11 april 2018, de datum waarop de verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de termijn van 16 maanden is overschreden. De rechtbank is echter van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die met name zijn gelegen in de ingewikkeldheid en omvang van de zaak. De eerste aanhoudingen in deze megazaak hebben in april 2018 plaatsgevonden. De politie heeft het einddossier – ondanks voortdurende activiteit – echter niet eerder kunnen afronden dan in oktober 2019, als gevolg van met name het intensieve onderzoek aan de Ennetcom-berichten. Vervolgens is het dossier in november 2019 door het Openbaar Ministerie onder de rechtbank en de raadslieden verspreid, waarna reeds in januari 2020 een regiezitting is gehouden. Oorspronkelijk waren in deze zaak tien verdachten gedagvaard. Het dossier beslaat in totaal meer dan vijftig ordners. Naar aanleiding van de regiezitting zijn in meerdere zaken diverse getuigen gehoord bij de rechter-commissaris en hebben ook verschillende raadslieden het NFI bezocht voor inzage in het systeem Hansken. Voor de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting – waarbij, in het belang van alle zaken, sprake was van gelijktijdige behandeling van alle zaken – dienden vele zittingsdagen te worden uitgetrokken, ook in verband met het uitoefenen van het spreekrecht door diverse nabestaanden/slachtoffers en het bespreken van vorderingen van benadeelde partijen. Daarbij heeft de rechtbank bovendien rekening moeten houden met de omstandigheid dat vanwege veiligheidsaspecten rondom deze zaak, de behandeling grotendeels heeft moeten plaatsvinden in een extra beveiligde zittingszaal, waarvan de beschikbare capaciteit beperkt is. De rechtbank acht vanwege deze bijzondere omstandigheden een redelijke termijn van drie jaren gerechtvaardigd. Nu het eindvonnis op 19 januari 2022 wordt gewezen, is de redelijke termijn daarom met 9 maanden overschreden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Bij een tijdige afdoening zou de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 25 jaren hebben opgelegd. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, zal zij deze gevangenisstraf matigen en aan de verdachte een gevangenisstraf van 24 jaren en 8 maanden opleggen. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is. 7Vorderingen van de benadeelde partijen 7.1 Inleidende overwegingen In het onderzoek Himalaya hebben de partner, het minderjarige kind, de moeder en twee zussen van het slachtoffer [slachtoffer 1] , door tussenkomst van mr. A.J.J.G. Schijns als hun gemachtigde, schadevergoeding gevorderd van de verdachte. In het onderzoek Tienshan heeft het slachtoffer [slachtoffer 2] , door tussenkomst van mr. F.A. ten Berge als zijn gemachtigde, schadevergoeding gevorderd van de verdachte. De rechtbank stelt voorop dat zij zich realiseert dat met name de gewelddadige dood van het slachtoffer [slachtoffer 1] ernstige en ingrijpende gevolgen voor de levens van de nabestaanden heeft gehad. Het is dan ook begrijpelijk dat de benadeelde partijen in dit strafproces vorderingen tot vergoeding van geleden schade hebben ingediend. De rechtbank benadrukt echter dat zij bij de beoordeling van deze vorderingen is gebonden aan de regels die hiervoor gelden in het burgerlijk recht. De rechtbank zal hieronder eerst het toepasselijke juridisch kader schetsen, waarna de verschillende vorderingen per onderzoek zullen worden besproken en beoordeeld. Laagdrempelige procedure/onevenredige belasting In het zogeheten overzichtsarrest uit 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793), heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen: “Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in - kort gezegd - een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361, derde lid, Sv). De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren” Juridisch kader Artikel 51f, eerste lid, Sv bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Dit betreft het directe slachtoffer. Hiernaast biedt de wet ook de mogelijkheid aan bepaalde personen die geen rechtstreekse schade hebben geleden, een bepaalde vordering in te dienen. Artikel 51f, tweede lid, Sv bepaalt namelijk dat – voor zover hier van belang – de nabestaanden van een slachtoffer dat ten gevolge van een strafbaar feit is overleden, zich als benadeelde partijen in het strafproces kunnen voegen ter zake van vorderingen tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud (artikel 6:108, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)), alsmede vorderingen tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging (artikel 6:108, tweede lid, BW). Voor vergoeding van eventuele andere materiële schade aan deze personen, als ook immateriële schade wegens het verdriet vanwege het gemis van een dierbare, bood de wet in 2014 geen mogelijkheden. De rechtbank merkt in dit verband op dat de Wet Affectieschade eerst op 1 januari 2019 in werking is getreden en dat deze wet uitdrukkelijk niet van toepassing is op feiten die voor deze datum zijn gepleegd. Gederfd levensonderhoud en kring van gerechtigden In artikel 6:108, eerste lid, BW worden in onderdelen a-d de personen opgesomd die recht hebben op vergoeding van schade wegens iemands overlijden door het derven van levensonderhoud en de voorwaarden waaronder dat het geval is. Voor deze zaak zijn relevant: a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud; c. degenen die reeds vóór de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud kunnen voorzien; d. degene die met de overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de gang van deze huishouding moet worden voorzien. Kosten van lijkbezorging Op grond van artikel 6:108 lid 2 BW is de aansprakelijke persoon verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Shockschade Shockschade – psychische schade die optreedt bij een ander dan het directe slachtoffer van (in dit geval) een misdrijf – komt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking indien: (
- i)de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het misdrijf heeft plaatsgevonden, (
- ii)deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, wat zich met name kan voordoen als sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het misdrijf is gedood of gewond geraakt, en (iii) uit deze hevige schok geestelijk letsel is voortgevloeid en dit letsel in rechte kan worden vastgesteld, wat in het algemeen slechts het geval zal zijn als er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Wat betreft voorwaarde (
- i)heeft de (civiele kamer van
- de)Hoge Raad in zijn arrest van 22 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) geoordeeld dat de opvatting dat is vereist dat de betrokkene direct betrokken is geweest bij het misdrijf, niet als juist kan worden aanvaard. “Voldoende is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden”, aldus de Hoge Raad. In zijn arrest van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1947) heeft de Hoge Raad overwogen dat in een geval waarin het gaat om vergoeding van shockschade, de aansprakelijkheid berust op een onrechtmatige daad van de pleger van het tenlastegelegde feit, niet alleen jegens degene die dientengevolge is gedood of gekwetst, maar ook jegens de benadeelde partij bij wie door het waarnemen daarvan of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok is teweeggebracht. De wegens schending van deze norm op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW te vergoeden schade is beperkt tot (de gevolgen van) het uit de emotionele schok voortvloeiende geestelijk letsel. Daarbij heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk bepaald dat de hiervoor onder (i), (
- ii)en (iii) genoemde eisen, die zijn gebaseerd op het zogenoemde Taxibus-arrest, nog steeds gelden. Degene die shockschade heeft geleden is dus (ook) een direct slachtoffer in de zin van artikel 51f, eerste lid, Sv. Materiële en immateriële schade Artikel 6:95 lid 1 BW bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW (oud) heeft de benadeelde, voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Burgerlijke rechter bij niet-ontvankelijkheid De rechtbank gaat nu over tot de bespreking van de verschillende vorderingen. De rechtbank merkt reeds nu op dat zij een aantal vorderingen (partieel) niet-ontvankelijk zal verklaren. In al deze gevallen kan de benadeelde partij de desbetreffende vordering alsnog aan de civiele rechter voorleggen. 7.2 Vorderingen van de benadeelde partijen in het onderzoek Himalaya 7.2.1 Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] (partner van het slachtoffer) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 370.056,27 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde zou hebben geleden. De gestelde materiële schade bestaat uit: derving levensonderhoud € 320.777,00 kosten ter vaststelling van de schade € 5.644,66 verhuiskosten € 3.634,61 De gestelde immateriële schade betreft een bedrag van € 40.000,00 wegens shockschade. Ter zitting van 28 april 2021 heeft de gemachtigde de vordering van de benadeelde partij mondeling toegelicht. Ter zitting van 29 oktober 2021 heeft de gemachtigde – o