← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:2976

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9009772 \ CV FORM 21-743 Uitspraakdatum: 2 maart 2022 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [de passagier], wonende te [woonplaats], verzoekende partij verder te noemen: de passagier gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff tegen Eurowings GmbH, gevestigd te Dusseldorf (Duitsland), verwerende partij verder te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. E.A. Pluijm 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 4 februari 2021; het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 27 mei

  1. 2De feiten 2.
  2. De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport naar München Franz Josef Strauss Airport (Duitsland) op 14 februari
  3. 2.
  4. De vlucht is geannuleerd. 2.
  5. De passagier heeft compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging. 2.
  6. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3Het verzoek en het verweer 3.
  7. De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van: - € 250,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - primair € 90,75 subsidiair € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 maart 2019;- de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.
  8. De passagier baseert haar verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). 3.
  9. De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,
  10. Daarnaast maakt de passagier aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente. 3.
  11. De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.
  12. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. 4.
  13. In het vorderingsformulier heeft de passagier aangegeven een mondelinge behandeling te verlangen, indien de vervoerder reageert met stukken ter staving van zijn stellingen welke nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht brengen. Gelet op artikel 5 lid 1bis van de Verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen nr. 861/2007 (EPGV-Verordening) zal de kantonrechter dit verzoek weigeren omdat hij, gezien de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat een eerlijke rechtspleging in deze zaak geen mondelinge behandeling vergt. 4.
  14. Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 5 lid 1 sub c onder i van de Verordening geen recht op compensatie bestaat wanneer de annulering meer dan twee weken voor de geplande vertrekdatum aan de passagiers wordt medegedeeld. De vervoerder heeft gemotiveerd onderbouwd dat hij de passagier reeds op 20 december 2018 – derhalve meer dan 14 dagen voor de geplande vertrekdatum van 14 februari 2019 – per e-mail op de hoogte heeft gesteld van de annulering van de vlucht in kwestie. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat de passagier op grond van artikel 5 lid 1 sub c onder i van de Verordening geen recht heeft op compensatie. De vordering van de passagier wordt dan ook afgewezen. 4.
  15. De proceskosten komen voor rekening van de passagier omdat deze ongelijk krijgt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking. 4.
  16. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagier, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  17. wijst het verzochte af; 5.
  18. veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 75,00 aan salaris gemachtigde; en veroordeelt de passagier tot betaling van € 37,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt; vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening. 5.3 verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.