RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknr./rolnr.: 9548552 \ CV EXPL 21-4238 (rvk) Uitspraakdatum: 31 maart 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1] wonende te [woonplaats] 2. [eiser 2] wonende te [woonplaats] 3. [eiseres] wonende te [woonplaats] eisende partijen verder gezamenlijk te noemen: [eisers] gemachtigde: mr. K. Jevtovic, advocaat te Den Haag [toevoegingsnr.: 3LH0562] tegen de stichting Stichting Parteon gevestigd te Wormerveer gedaagde verder te noemen: Parteon gemachtigde: mr. S.M. Faber, advocaat te Amstelveen De zaak in het kort Het gaat in deze zaak om de vraag of een zoon en dochter medehuurder kunnen worden van de woning die hun vader huurt. De kantonrechter oordeelt dat het medehuurderschap kan worden toegewezen. De zoon en dochter voeren een duurzame en gemeenschappelijke huishouding met hun vader. Over het algemeen is het samenwonen tussen ouders en kinderen niet duurzaam, maar dit geval is volgens de kantonrechter een uitzondering. 1Het procesverloop 1.1. [eisers] hebben bij dagvaarding van 15 november 2021 een vordering tegen Parteon ingesteld. Parteon heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. Op 2 maart 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Parteon heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben [eisers] bij brieven van 16 november 2021 en 4, 15 en 17 februari 2022 nog stukken toegezonden. 2De feiten 2.1. Op 16 december 2015 heeft [eiser 1] (hierna: [eiser 1] ), samen met zijn vrouw, [vrouw van eiser 1] , een huurovereenkomst gesloten met Parteon voor de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: de woning). 2.2. [eiser 2] (hierna: [eiser 2] ) en [eiseres] (hierna: [eiseres] ) zijn de zoon en dochter van [eiser 1] . 2.3. Sinds het overlijden van [vrouw van eiser 1] op [datum van overlijden] is [eiser 1] de enige huurder van de woning. 2.4. Op 27 november 2019 hebben [eisers] een gezamenlijk verzoek ingediend bij Parteon om [eiser 2] en [eiseres] medehuurder te laten worden. Parteon heeft dit verzoek bij brief van 27 november 2019 afgewezen. 2.5. Op 9 november 2021 hebben [eisers] nogmaals verzocht om [eiser 2] en [eiseres] medehuurder te laten worden. Parteon heeft dit verzoek opnieuw afgewezen. 3De vordering en het verweer 3.1. [eisers] vorderen dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [eiser 2] en [eiseres] medehuurders zullen zijn van de woning. [eisers] leggen aan de vordering ten grondslag dat [eiser 2] en [eiseres] hun hoofdverblijf hebben in de woning en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren met hun vader [eiser 1] . Daardoor is volgens [eisers] voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het verkrijgen van de status van medehuurder. 3.2. Parteon betwist de vordering. Parteon voert aan – samengevat – dat [eiser 2] en [eiseres] geen hoofdverblijf hebben in de woning en dat er bovendien geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Er is sprake van een ouder-kind relatie en die is per definitie eindig en niet duurzaam, aldus Parteon. [eiser 2] biedt volgens Parteon voorts vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg voor nakoming van de huur. 4De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of een verklaring voor recht gegeven moet worden dat [eiser 2] en [eiseres] medehuurder zullen zijn. 4.2. De kantonrechter oordeelt dat de vordering van [eisers] moet worden toegewezen en dat dus voor recht verklaard zal worden dat [eiser 2] en [eiseres] medehuurder zullen zijn. Dat oordeel wordt hierna toegelicht. 4.3. Volgens de wet, artikel 7:267 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), kan een verzoek tot het verkrijgen van medehuurderschap alleen worden afgewezen: a. indien de aanvrager gedurende niet tenminste twee jaren in de woning zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft; b. indien, mede gelet op hetgeen is komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de aanvrager op korte termijn de positie van huurder te verschaffen; c. indien de aanvrager vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. 4.4. Om de vordering van [eisers] te kunnen toewijzen, moeten [eiser 2] en [eiseres] dus hun hoofdverblijf hebben in de woning, met [eiser 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben en vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg bieden voor een behoorlijke nakoming van de huur. 4.5. De kantonrechter leidt uit de overgelegde uittreksels uit de Basisregistratie Personen af dat [eiseres] en [eiser 1] sinds 2007 op dezelfde adressen staan ingeschreven en dat dit bij [eiser 2] en [eiser 1] het geval is sinds 1994. Voor het adres [adres] in [plaats] is in die uittreksels te lezen dat [eiser 2] , [eiseres] en [eiser 1] daar sinds 20 januari 2015 ingeschreven staan. 4.6. Parteon neemt het standpunt in dat [eiser 2] en [eiseres] , ondanks bovenstaande gegevens uit de Basisregistratie Personen, niet hun hoofdverblijf in de woning hebben. Parteon wijst erop dat tijdens een huisbezoek op 15 januari 2020 ook door [eiseres] en [eiser 1] is gezegd dat [eiser 2] niet in de woning verblijft. Parteon wijst er verder op dat [eiser 2] getrouwd is en dat zijn vrouw en kind elders wonen. Parteon heeft ter onderbouwing daarvan een notitie van een huisbezoek en een telefoongesprek in het geding gebracht. 4.7. De kantonrechter volgt Parteon niet in haar standpunt. Uit de door Parteon overgelegde notitie van een telefoongesprek volgt niet dat [eiser 2] verklaart dat hij zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft. [eiser 2] verklaart daarin juist dat hij zich niet wil laten uitschrijven uit de woning en dat hij geen vast adres in [land] heeft. Aan de tijdens het huisbezoek afgelegde verklaringen van [eiseres] en [eiser 1] komt naar het oordeel van de kantonrechter in dit verband geen gewicht toe, gelet op hun psychische en medische situatie, zoals die ook op de zitting tot uiting is gekomen. Uit de notitie van Parteon blijkt overigens ook dat [eiser 1] verdwaasd leek, terwijl [eiseres] volgens die notitie verklaart dat [eiser 2] ook wel in de woning verblijft. 4.8. Verder heeft [eiser 2] op de zitting voldoende gemotiveerd toegelicht dat zijn vrouw en kind weliswaar in [land] wonen, maar dat hij zelf in Nederland woont in de woning. Ook heeft hij uiteengezet dat hij voor zijn werk vaak op reis is in Europa, maar dat hij altijd weer terugkeert naar de woning om voor [eiser 1] te zorgen en dat hij daar ook woont en zijn hoofdverblijf heeft. 4.9. [eisers] hebben ter ondersteuning van hun standpunt verschillende verklaringen overgelegd, van een casemanager van Evean, van een medewerker van Thuiszorg en van een nicht en schoondochter van [eiser 1] . Uit die verklaringen volgt dat [eiser 2] en [eiseres] in de woning samenwonen met [eiser 1] . Dat is op de zitting ook bevestigd door een broer van [eiser 2] . 4.10. Gelet op het voorgaande hebben [eisers] voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser 2] en [eiseres] hun hoofdverblijf hebben in de woning. Er zijn door Parteon daartegenover onvoldoende gegevens of argumenten naar voren gebracht die een andere conclusie rechtvaardigen. 4.11. Bij de beoordeling of ook sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zijn alle omstandigheden van het geval van belang. 4.12. Over het algemeen hebben een ouder en een kind geen duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat in de regel sprake is van een aflopende samenlevingssituatie tussen ouder en kind. Maar onder bijzondere omstandigheden kan ook het samenleven van een kind en ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.