← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:3036

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr/rolnr.: 8454196 \ CV EXPL 20-3373 Uitspraakdatum: 6 april 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de commanditaire vennootschap Transavia Airlines C.V. gevestigd te Schiphol opposante hierna te noemen: Transavia gemachtigde: mr. M. Reevers tegen 1 [passagier sub 1]

  1. [passagier sub 2] beiden wonende te [woonplaats] (Bulgarije) geopposeerden hierna te noemen: de passagiers gemachtigde: mr. D.E. Lof 1Het procesverloop 1.
  2. Bij tussenvonnis van 8 december 2021 is bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Voor het procesverloop tot dan toe wordt naar dat tussenvonnis verwezen. 1.
  3. Naar aanleiding van een verzoek van beide partijen per e-mail van 7 maart 2022 om de mondelinge behandeling geen doorgang te laten vinden is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
  4. De vervoerder heeft in de conclusie van repliek in oppositie aangevoerd dat hij ten onrechte na het indienen van een incidentele conclusie tot verwijzing en voeging niet in de gelegenheid is gesteld om inhoudelijk verweer te voeren in de hoofdzaak. De kantonrechter stelt echter vast dat de vervoerder een dag nádat de dagvaarding is betekend een afzonderlijke incidentele conclusie tot voeging en verwijzing heeft ingediend. De vervoerder heeft dus niet voorafgaand aan de verzetdagvaarding, noch in plaats daarvan een incidentele conclusie tot voeging en verwijzing ingediend. De vervoerder heeft er voor gekozen om in de verzetdagvaarding - net als in de incidentele conclusie - te verzoeken om verwijzing en voeging en geen inhoudelijk verweer te voeren, hoewel hij daarvoor wel de gelegenheid had. Het verzoek van de vervoerder om de conclusie van repliek in oppositie aan te merken als ‘de conclusie van antwoord’, zonodig met een aanvullende ronde voor beide partijen, zal daarom worden afgewezen. 2.
  5. De vervoerder heeft bij conclusie van repliek in oppositie primair aangevoerd dat de passagiers hun vordering hebben gecedeerd aan het claimbureau AirHelp Limited en dat zij daarom niet meer vorderingsgerechtigd zijn. Subsidiair heeft de vervoerder aangevoerd dat de passagiers geen aanspraak maken op compensatie, omdat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid. De vervoerder heeft niet toegelicht waarom hij deze standpunten eerst in de conclusie van repliek in oppositie heeft ingenomen. Gesteld noch gebleken is dat de vervoerder dit niet al in de verzetdagvaarding naar voren heeft kunnen brengen, waartoe hij op grond van de in artikel 128 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde vereiste concentratie van verweer gehouden is. Gelet hierop zijn deze verweren tardief. 2.
  6. De conclusie is dat het verzet ongegrond is en dat het verstekvonnis zal worden bevestigd. De vervoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de verzetprocedure. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  7. verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het verstekvonnis van 11 maart 2020 in de zaak met zaaksnummer 8268552 \ CV EXPL 20-489; 3.
  8. veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de passagiers worden vastgesteld op een bedrag van € 124,00 aan salaris van de gemachtigde van de passagiers; 3.
  9. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. LB15A

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.