← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:3071

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9566472 \ CV EXPL 21-7969 Uitspraakdatum: 30 maart 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] handelend onder de naam [handelsnaam] wonende en zaakdoende te [plaats] eiser verder te noemen: [eiser] verschenen bij [gemachtigde] tegen [gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam 2] wonende en zaakdoende te [plaats] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] procederend in persoon 1Het procesverloop 1.

  1. [eiser] heeft bij dagvaarding van 8 november 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord en heeft hierna nog stukken toegezonden. 1.
  2. Op 8 maart 2022 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. 2De feiten 2.
  3. [eiser] en [gedaagde] zijn, voor de duur van een jaar, ingaande op 1 december 2020 en lopende tot en met 30 november 2021, een overeenkomst aangegaan met betrekking tot het perceel staande en gelegen op het adres [adres] . De huur is vastgesteld op € 1.500,00, bij vooruitbetaling te voldoen. 2.
  4. [eiser] en [gedaagde] zijn een waarborgsom van € 3.000,00 overeengekomen. 2.
  5. De voormalig gemachtigde van [gedaagde] heeft, bij e-mail van 20 juli 2021, onder meer geschreven: “(…) U heeft cliënt in gebreke gesteld. (…) U geeft aan dat cliënt de borg t.b.v. € 3.000,00 niet heeft voldaan. Dit klopt niet. De borg is wél voldaan. (…) Voorts geeft u aan dat cliënt de huur van de maand juli t.b.v. € 1.500,00 niet heeft betaald. Partijen hebben een mondelinge afspraak gemaakt, waarbij [handelsnaam] uitstel aan client heeft verleend van twee weken. (…) Tot slot kunnen de incassokosten niet in rekening worden gebracht, aangezien schuldeiser geen aanmaning heeft gestuurd met een betalingstermijn van minimaal 14 dagen. (…)” 2.
  6. Bij brief van 26 oktober 2021 heeft de voormalig gemachtigde van [eiser] [gedaagde] aangeschreven. In de brief staat onder meer: “(…) Ondanks onze eerdere ingebrekestelling hebben wij nog geen betaling ontvangen. (…)” 3De vordering en het verweer 3.
  7. [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van € 9.521,51, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening. Daarnaast vordert hij de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. 3.
  8. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit de huurovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen. Hij heeft immers een huurachterstand laten ontstaan ter hoogte van € 7.500,00 in de periode van juli 2021 tot en met november
  9. [gedaagde] is eveneens de wettelijke handelsrente vanaf de eerste dag van de desbetreffende huurmaand(en) verschuldigd, tot datum dagvaarding begroot op een bedrag van € 339,
  10. Door de wanbetaling van [gedaagde] zag [eiser] zich genoodzaakt zijn vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. Deze kosten van € 1.641,90 (inclusief btw) komen dan ook voor rekening van [gedaagde] . Verder maakt [eiser] nog aanspraak op de wettelijke handelsrente vanaf datum dagvaarding. [gedaagde] heeft na de eerste aanmaning een bedrag ter hoogte van € 1.500,00 voldaan ten aanzien van de huurtermijn van juli 2021, zodat hij nog gehouden is tot betaling van een totaalbedrag van € 9.521,
  11. 3.
  12. [gedaagde] betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan. 4De beoordeling 4.
  13. Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] de huurtermijnen van augustus tot en met november 2021 nog aan [eiser] moet betalen. 4.
  14. [gedaagde] betwist op zichzelf niet dat hij de gevorderde huurtermijnen niet heeft voldaan. Uit het ter zitting gevoerde verweer begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] zich beroept op verrekening. [gedaagde] voert aan dat partijen nog een schriftelijke overeenkomst zijn aangegaan waaruit volgt dat [gedaagde] op 16 december 2020 een bedrag van € 11.250,00 contant aan [eiser] heeft betaald. Hiervan had een bedrag van € 4.500,00 betrekking op de borg en één huurtermijn en het resterende bedrag ter hoogte van € 6.750,00 op de kosten van de apparatuur in het pand, aldus [gedaagde] . [gedaagde] heeft bij het verlaten van het pand de inventaris in het pand laten staan, omdat volgens [eiser] de inventaris werd gehuurd. Het hiervoor betaalde bedrag moet dan ook volgens [gedaagde] worden verrekend met de openstaande huurtermijnen. 4.
  15. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat naast de huurovereenkomst nog een schriftelijke overeenkomst is aangegaan en betwist eveneens dat [gedaagde] de bovengenoemde bedragen contant aan hem heeft voldaan. 4.
  16. Artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de rechter een vordering kan toewijzen ondanks een beroep van de gedaagde op verrekening, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering voor het overige voor toewijzing vatbaar is. Die situatie doet zich in deze zaak voor. 4.
  17. [gedaagde] heeft zijn verweer, gelet op de betwisting, onvoldoende onderbouwd. Zonder nader onderzoek (bewijslevering) kan niet worden aangenomen dat hij een opeisbare, voor verrekening vatbare vordering op [eiser] heeft. [eiser] heeft immers betwist dat nog een aanvullende overeenkomst is gesloten, dat hij de handtekening op de overeenkomst heeft gezet en dat hij contante bedragen van [gedaagde] heeft ontvangen. 4.
  18. Gelet op het voorgaande is niet eenvoudig vast te stellen of het verrekeningsverweer van [gedaagde] gegrond is, terwijl de vordering van [eiser] verder niet door [gedaagde] wordt betwist. Daarom is de conclusie dat de vordering moet worden toegewezen. Omdat [gedaagde] in verzuim is met betaling van de huurtermijnen, is hij eveneens wettelijke handelsrente verschuldigd. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen als na te melden. 4.
  19. De door [eiser] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In het onderhavige geval acht de kantonrechter echter termen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv te matigen, nu niet gesteld of gebleken is dat de werkelijke kosten van [eiser] hoger zijn dan het toepasselijke tarief van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, welke tarieven geacht worden redelijk te zijn. De buitengerechtelijke incassokosten zullen dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 907,50 (inclusief btw), conform het in voormeld Besluit bepaalde tarief en wordt voor het overige afgewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar over de buitengerechtelijke incassokosten, omdat wettelijke handelsrente alleen kan worden gevorderd over een te late betaling van een geldsom uit hoofde van een handelsovereenkomst en de buitengerechtelijke incassokosten kwalificeren als schadevergoeding. De kantonrechter zal daarom niet de gevorderde wettelijke handelsrente, maar de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten vanaf de datum van de dagvaarding toewijzen. 4.
  20. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij grotendeels ongelijk krijgt. Aangezien [eiser] in deze procedure de dagvaarding heeft laten opstellen door een professionele gemachtigde, maar tijdens de zitting niet is bijgestaan door een professionele gemachtigde, zal aan hem ten aanzien van het salaris gemachtigde slechts één punt op grond van het toepasselijke liquidatietarief worden toegekend. 4.
  21. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten geldt eveneens dat niet de wettelijke handelsrente, maar de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  22. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 6.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de dag waarop elk bedrag verschuldigd was tot de dag van volledige betaling; 5.
  23. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 907,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2021 tot aan de dag van de gehele betaling; 5.
  24. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op: dagvaarding € 123,60; griffierecht € 240,00; salaris gemachtigde € 311,00 (1 punt liquidatietarief); vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
  25. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  26. wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.