RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9165743 \ CV EXPL 21-2652 Uitspraakdatum: 13 april 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [de passagier] wonende te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk eiser hierna te noemen de passagier gemachtigde Yource B.V. tegen de vennootschap naar buitenlandse recht Easyjet Airline Company Limited statutair gevestigd te London (Luton Airport), Verenigd Koninkrijk gedaagde hierna te noemen de vervoerder gemachtigde mr. B. Koolhaas 1Het procesverloop 1.
- De passagier heeft bij dagvaarding van 16 april 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.
- De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Belfast International Airport, Ierland, op 19 mei 2019, hierna: de vlucht. 2.
- De vlucht is geannuleerd. 2.
- De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering. 2.
- De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering en het verweer 3.
- De passagier vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening; - € 44,77, althans € 48,40, althans een in redelijke justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;- de proceskosten en de nakosten; - een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 herziene EEX-Verordening 1215/
- 3.
- De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,
- 3.
- De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.
- Ten aanzien van de vlucht van Amsterdam naar Belfast, wordt als volgt overwogen. Vast staat dat de vlucht van de passagier is geannuleerd, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening. 4.
- De vervoerder voert aan dat hiervan sprake is. Hij voert aan dat de vlucht is geannuleerd als gevolg van een stroomstoring te Manchester waardoor de voor het vliegverkeer noodzakelijke brandstof niet kon worden geleverd. De generatoren te Machester werkte ook niet. De annulering is derhalve veroorzaakt door een van buiten de invloedsfeer van de vervoerder gelegen oorzaak. Indien een derde partij de voor het vliegverkeer noodzakelijke brandstof niet kan leveren dan kan dit niet aan de vervoerder worden aangerekend, aldus de vervoerder. 4.
- Wat er ook zij van eventuele bijzondere omstandigheden, volgens planning zou de passagier op 19 mei 2019 om 22:25 uur lokale tijd aankomen in Belfast. De vervoerder heeft de passagier omgeboekt naar een alternatieve vlucht met geplande vertrek op 21 mei 2019 om 12:40 uur lokale tijd. Niet weersproken is dat de passagier met een vertraging van meer dan 38 uur is aangekomen op diens eindbestemming. De vervoerder voert aan dat hij door de passagier om te boeken naar een alternatieve vlucht met gepland vertrek binnen 48 uur aan zijn verplichtingen heeft voldaan. 4.
- Uit het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) volgt echter dat het in beginsel geen redelijke maatregel is, indien de passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt. Dit is anders indien er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door haarzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de volgende vlucht van de betrokken luchtvaartmaatschappij, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor die laatste een onaanvaardbaar offer betekende gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip. Hierbij gaat de kantonrechter, voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’, uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. Gesteld noch gebleken is dat zich één van deze uitzonderingssituaties voordeed. Ook mede gelet op de vertraging op de eindbestemming kan derhalve niet zonder nadere onderbouwing van de vervoerder worden aangenomen dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagier te voorkomen dan wel te beperken. 4.
- Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment zou komen vast te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder gehouden is de passagier te compenseren in verband met de annulering van de vlucht. 4.
- Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom, gelet op de annulering van de vlucht worden toegewezen. 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. 4.
- Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd met betrekking tot de voorafgaande correspondentie doet ten aanzien van onderhavige geschil niet ter zake, zodat de kantonrechter hier verder niet op in zal gaan. 4.
- De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, zoals gevorderd. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. 4.
- Ten aanzien van het verzoek om een certificaat als bedoeld in artikel 53 herziene EEX-Verordening 1215/2012 overweegt de kantonrechter als volgt. De vervoerder is statutair gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Per 31 januari 2020 is het Verenigd Koninkrijk geen lid meer van de Europese Unie. Er gold een overgangsperiode tot en met 31 december
- Artikel 67 lid 2 onder a van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna: Terugtrekkingsakkoord) bepaalt samengevat dat Verordening (EU) nr. 1215/2012 nog slechts van toepassing is op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die zijn gegeven inzake gerechtelijke procedures die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingesteld en op voor het eind van de overgangsperiode verleden of geregistreerde authentieke akten en goedgekeurde of getroffen gerechtelijke schikkingen. De dagvaarding dateert van 16 april
- De procedure is derhalve ingesteld na het aflopen van de overgangsperiode. De kantonrechter zal dit verzoek dan ook afwijzen. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 294,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 250,00 vanaf 19 mei 2019, en over € 44,77 vanaf 16 april 2021 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd: dagvaarding € 103,83;griffierecht € 85,00;salaris gemachtigde € 150,00; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 37,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter