vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/327518 / KG ZA 22-199 Vonnis in kort geding van 9 mei 2022 in de zaak van de rechtspersoon naar vreemd recht NOVARTIS AG, gevestigd te Bazel (Zwitserland), eiseres, advocaten mr. R.M. Kleemans, mr. J.D. Drok en mr. A.F. Tadema te Amsterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PHARMACHEMIE B.V., gevestigd en kantoor houdende te Haarlem, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TEVA B.V., gevestigd en kantoor houdende te Haarlem, 3. de rechtspersoon naar vreemd recht TEVA GMBH, statutair gevestigd en kantoor houdende te Ulm (Duitsland), gedaagden, advocaat mr. M.A.A. van Wijngaarden te 's-Gravenhage. Partijen zullen hierna Novartis en Teva c.s. genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties de brief van 1 mei 2022 van de zijde van Teva c.s. waarin zij verzoekt het kort geding te laten behandelen door een voorzieningenrechter van de octrooikamer van de rechtbank Den Haag als rechter-plaatsvervanger in verband met de octrooi-aspecten en omdat bij de rechtbank Den Haag een zaak aanhangig is met een soortgelijk feitencomplex van Novartis tegen een andere gedaagde partij de reactie van Novartis van 3 mei 2022 de e-mail van de voorzieningenrechter d.d. 4 mei 2020 waarin wordt meegedeeld dat de voorzieningenrechter voornemens is de zaak te verwijzen naar de rechtbank Den Haag in verband met verknochtheid met de daar aanhangige (bodem)procedure tegen [bedrijf] c.s. en in welke e-mail partijen worden uitgenodigd zich over dit voornemen uit te laten de e-mail van 6 mei 2022 met een reactie van de zijde van Teva c.s. waarin zij het voornemen van de voorzieningenrechter ondersteunt, de brief van 6 mei 2022 met een reactie van de zijde van Novartis waarin zij zich verzet tegen de voorgenomen verwijzing. De voorzieningenrechter heeft ambtshalve overleg gevoerd met de voorzieningenrechter in Den Haag, mr. F.M. Bus, die eerder dit jaar vonnis heeft gewezen in een vergelijkbare procedure tussen Novartis en [bedrijf] c.s., van welk vonnis Novartis hoger beroep heeft ingesteld. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het standpunt van Teva c.s. 2.1. Teva c.s. ondersteunt verwijzing. Volgens Teva c.s. spelen in deze zaak en de zaak die in behandeling is bij de rechtbank Den Haag tussen Novartis en [bedrijf] c.s. feitelijke en juridische geschilpunten die (nagenoeg) identiek zijn. Het gaat om dezelfde octrooiaanvraag EP 894 - en dus ook om dezelfde geldigheidsvraag, op basis van in ieder geval deels gelijkluidende gronden - en om in essentie hetzelfde geneesmiddel (fingolimod 0,5 mg). Teva c.s. en [bedrijf] c.s. zijn beide generieke geneesmiddelenproducenten die gezien het verstrijken van de marktexclusiviteitsperiode op 22 maart 2022 voor Novartis’ fingolimod product eigen generieke fingolimod producten wensen te verhandelen. Het is deze overeenkomstige intentie dan wel handelswijze op grond waarvan Novartis de beide procedures is begonnen. Het is in het bijzonder van belang dat dezelfde octrooirechtelijke punten over hetzelfde octrooi door dezelfde (in octrooizaken exclusief bevoegde) rechter worden behandeld, aldus Teva c.s. 2.2. Teva c.s. voert aan dat de zaken verder niet alleen feitelijk en juridisch sterk verweven zijn, maar dat er ook onderlinge afhankelijkheid bestaat in de beoordeling in beide zaken, zodat verwijzing in het kader van de goede proceseconomie wenselijk en doelmatig is. Ten eerste geldt dat de uitkomst in de procedure tussen [bedrijf] c.s. en Novartis voor de periode na verlening invloed heeft op de uit te voeren belangenafweging in de onderhavige procedure, ook voor de periode vóór verlening. Indien geoordeeld zal worden dat [bedrijf] c.s. ook na verlening van het octrooi vrij is met haar product op de markt te zijn (vanwege een serieuze kans dat het octrooi een nietigheidsprocedure niet zal overleven), dan is waarschijnlijk dat dit ook Teva c.s. niet zal worden verboden door de rechtbank Den Haag. Daarmee valt de feitelijke basis weg van het betoog van Novartis dat het onrechtmatig zou zijn om slechts korte tijd voor verlening op de markt te zijn en dat een belangenafweging mee zou brengen dat dit verboden zou moeten worden (paragrafen 93-113 dagvaarding). Ten tweede geldt specifiek voor de periode vóór verlening van het octrooi dat zolang het [bedrijf] vrijstaat op de markt te komen of te zijn, Novartis geen redelijk belang heeft bij een verbod jegens Teva c.s. (en enige mogelijke vertraging ook daarom irrelevant is). De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft in het geschil tussen Novartis en [bedrijf] c.s. reeds geoordeeld dat het [bedrijf] c.s. vrijstaat om op de markt te komen voorafgaand aan de verlening van EP 894. Novartis is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen en de zaak staat bij het gerechtshof Den Haag thans voor arrest op 17 mei 2022 (met een kans dat het arrest bij vervroeging zal worden gewezen op 10 mei 2022). De door Novartis gestelde schade (o.m. paragrafen 94-98 dagvaarding) kan niet worden voorkomen of verminderd door enkel een verbod jegens Teva c.s. , zolang het een andere partij als [bedrijf] c.s. vrij staat om op de markt te komen of te zijn. De door Novartis gestelde schade zal zich dan hoe dan ook voordoen, terwijl een verbod jegens enkel Teva c.s. er juist toe zal leiden dat Teva c.s. onherstelbare schade lijdt omdat zij niet kan concurreren met [bedrijf] c.s. en Novartis. De door Teva c.s. hierdoor misgelopen verkopen (waar Novartis aansprakelijk voor is bij een ten onrechte opgelegd verbod) zijn dan achteraf zeer moeilijk te bepalen ten opzichte van de hypothetische verkopen van concurrenten [bedrijf] c.s. en Novartis in dat geval. 2.3. Tot slot voert Teva c.s. aan dat, voor zover Novartis zal stellen dat verwijzing zal leiden tot ontoelaatbare vertraging, ten eerste geldt dat het ontstaan van vertraging te wijten is aan Novartis zelf. Novartis was al op 13 april 2022 op de hoogte van de opname van fingolimod Teva in de G-standaard (zie de brief overgelegd als productie EP05 bij de dagvaarding), waarna zij tot 29 april 2022 heeft gewacht om Teva c.s. te dagvaarden (terwijl zij in een vergelijkbare procedure [bedrijf] c.s. al had gedagvaard). Vervolgens is het de eigen welbewuste keuze van Novartis geweest om niet, zoals voor de hand had gelegen, Teva c.s. te dagvaarden voor de rechtbank Den Haag (die ook bevoegd was geweest, ook voor de periode tot verlening, tenminste op grond van art. 7 lid 2 Brussel I bis, nu door Novartis in paragraaf 116 dagvaarding is gesteld dat het onrechtmatig handelen in heel Nederland plaats zou vinden). 3Standpunt Novartis 3.1. Novartis bestrijdt dat er sprake is van verknochtheid met de zaak die aanhangig is bij de rechtbank Den Haag. Concreet is volgens haar in beide procedures sprake van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.