← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:4195

vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie en Jeugd Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/326174 / KG ZA 22-113 Vonnis in kort geding van 11 april 2022 in de zaak van [de moeder] , wonende te [plaats] , advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam, tegen [de grootmoeder] , wonende te [plaats] , advocaat mr. M. Yamali te Amsterdam. Partijen zullen hierna de moeder en de grootmoeder genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding, met bijlagen van de advocaat van de moeder van 18 maar 2022; de e-mail, met bijlagen, van de advocaat van de grootmoeder van 21 maart
  2. 1.
  3. De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 28 maart 2022 in aanwezigheid van partijen, de moeder bijgestaan door mr. V. de Roos in plaats van mr. de Gruijl en de grootmoeder bijgestaan door mr. Yamali en een tolk in de Turkse taal. 1.
  4. De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hun mening voorafgaand aan de zitting in raadkamer kenbaar gemaakt. 2De feiten 2.
  5. Uit de moeder zijn geboren de minderjarigen: - [de minderjarige 1] , op [geboortedatum] te [plaats] ; - [de minderjarige 2] , op [geboortedatum] te [plaats] , België. 2.
  6. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 maart 2015 zijn de ouders ontheven van het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (en hun andere kind: [kind] ) en is de grootmoeder belast met de voogdij over hen. 2.
  7. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij de grootmoeder. 2.
  8. Bij de beschikking van deze rechtbank van 11 november 2021 is een omgangsregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een keer in de twee weken twee uur begeleide omgang hebben met de moeder. 3Het geschil 3.
  9. De moeder vordert te bepalen dat de grootmoeder een dwangsom van € 250 verbeurt voor ieder keer dat zij de omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000, dan wel de beschikking van 11 november 2021 in zoverre voorlopig te wijzigen dat de casus wordt verwezen naar het Uniform Hulpaanbod en de grootmoeder te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.
  10. De moeder legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. De door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling is niet tot stand gekomen. De moeder meent dat het in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is dat de omgang zo spoedig mogelijk wordt hervat en dat zij meerdere keren hebben aangegeven dat zij de moeder willen zien. De moeder vreest dat de band tussen haar en de kinderen zal afzwakken indien er niet snel een omgangsregeling komt. Volgens de moeder stimuleert grootmoeder [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet om omgang te hebben met hun moeder. Zij mogen van de grootmoeder geen contact met haar hebben, waardoor zij in het geheim contact met haar hadden. Blijkens de verslaglegging van Levvel tijdens het huisbezoek op 12 januari 2022 heeft de grootmoeder aangegeven “de kinderen niet te stimuleren en neutraal te willen blijven”. De door Levvel beschreven weerstand bij de kinderen moet volgens de moeder worden genuanceerd en worden bezien in het licht van de zaak, waarbij de moeder wijst op de omstandigheden dat de rechtbank [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op 12 oktober 2021 zelf heeft gesproken en toch een omgangsregeling heeft bepaald. [kind] heeft tot zijn 15e jaar bij de grootmoeder gewoond en is toen uit huis geplaatst. Hij is nu meerderjarig en woont bij de moeder. [kind] heeft wel contact met zijn broertjes. [de minderjarige 2] wil kapper worden en stage lopen bij het bedrijf van de moeder. [de minderjarige 1] heeft tegen [kind] gezegd dat de grootmoeder erg gestrest is en dat hij ook bij de moeder gaat wonen als hij achttien wordt. 3.
  11. Door en namens de grootmoeder is verweer gevoerd, onder meer door verwijzing naar de door haar overgelegde stukken, zoals een e-mailbericht en een rapport van Levvel van 28 februari
  12. 3.
  13. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
  14. Bij de beoordeling van de onderhavige vordering die betrekking heeft op de omgang, geldt als uitgangspunt dat de door de rechtbank bij beschikking van 11 november 2021 opgenomen omgangsregeling in beginsel moet worden nagekomen zolang deze haar kracht niet heeft verloren, tenzij sprake is van dusdanige ernstige of bijzondere omstandigheden dat niet-nakoming gerechtvaardigd is. 4.
  15. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er in dit geval sprake van een dusdanige ernstige of bijzondere omstandigheden dat niet-nakoming te rechtvaardigen is. Uit het e-mailbericht en het rapport van Levvel van 28 februari 2022 volgt dat de omgang niet van de grond gekomen is, omdat zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] niet te motiveren zijn om naar hun moeder te gaan. Volgens Levvel stelt de grootmoeder zich coöperatief op. Ook in het gesprek dat de rechter met de kinderen heeft gehad, hebben [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onafhankelijk van elkaar en ondubbelzinnig aangegeven dat zij het goed hebben bij hun grootmoeder en geen contact met hun moeder willen. Daarbij komt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op een leeftijd zijn gekomen waarop zij niet meer gedwongen kunnen worden om contact met hun moeder te hebben. Het verbinden van een dwangsom aan de nakoming van de vastgestelde regeling wordt daarom niet in het belang van de kinderen geacht. Toewijzing van de vordering van de moeder zal in de gegeven omstandigheden juist averechts kunnen werken. Nu het opleggen van een dwangsom naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zal leiden tot een andere mening van de kinderen met betrekking tot het al dan niet contact hebben met hun moeder, zullen de vorderingen van de moeder worden afgewezen. 4.
  16. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel bij familiezaken om de proceskosten te compenseren. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
  17. wijst de vorderingen af; 5.
  18. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. van Wassenaer-Westgeest en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.E.J. van Schie op 11 april
  19. Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.