RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 22/1864 uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 mei 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. J. Sprakel), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (verweerder) (gemachtigde: mr. S. Eljarroudi en A. Blok). Inleiding In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beslissing van verweerder om de opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) te stoppen met ingang van 31 maart
- Verweerder heeft verzoeker die beslissing meegedeeld in zijn besluit van 31 maart
- Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft hangende bezwaar verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 8 april 2022 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (reg.nr. 22/1597). Op 15 april 2022 heeft verzoeker een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 april 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder (A. Blok via skype). Met instemming van partijen, gelet op de toezegging van de gemachtigde van verweerder op zitting om zich ervoor in te spannen om tijdelijke opvang te regelen in afwachting van een gesprek over verdere opvang en begeleiding, is besloten de behandeling van het verzoek aan te houden. Op 29 april 2022 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen. Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- Verzocht wordt (primair) om herziening van de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 april
- Het is echter niet mogelijk herziening te vragen van een uitspraak van de voorzieningenrechter inzake een voorlopige voorziening. Bij herziening moet het gaan om een onherroepelijke einduitspraak van de bestuursrechter in de hoofdzaak. Dat volgt uit artikel 8:91 Awb. De voorzieningenrechter zal dit verzoek, zoals ook ter zitting is besproken, opvatten als een verzoek om een (nieuwe) voorlopige voorziening, hangende het bezwaar tegen het besluit van 31 maart
- In het besluit van 31 maart 2022 is aan verzoeker medegedeeld dat de opvang in het [hotel] stopt met ingang van 31 maart 2022, omdat verzoeker zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden en/of huisregels.
- Zoals in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 april 2022 is overwogen gaat de voorzieningenrechter er vanuit dat de grondslag moet worden gevonden in een schorsing van de opvang vanwege grensoverschrijdend gedrag. Een schorsing is echter in beginsel tijdelijk en kan slechts bij hoge uitzondering definitief zijn (paragrafen 5.
- en 5.
- van het Handboek Maatschappelijke Opvang). De per 31 maart 2022 opgelegde schorsing duurt evenwel onverminderd voort.
- Verweerder heeft ter zitting toegelicht na de uitspraak van 8 april 2022 voor verzoeker (voor 4 weken) een time out bed (een stretcher op de eetzaal) te hebben gereserveerd in de [locatie] , maar dat hij daar geen gebruik van maakt. De gemachtigde van verzoeker heeft daarover op de zitting echter verklaard dat verzoeker hem heeft gezegd dat als hij zich daar meldt hij weer wordt weggestuurd. Onduidelijk is gebleven wat er zich precies heeft afgespeeld. Verzoeker, die in het kader van de Wmo 2015 is geïndiceerd voor beschermd wonen, verblijft intussen op straat.
- Het Handboek Beschut en beschermd wonen voorziet in de mogelijkheid om opvang tijdelijk te schorsen (paragraaf 8.3.2.). In dit handboek is echter niet geregeld wanneer daartoe wordt overgegaan en ook niet voor hoe lang. Handvatten voor toepassing van een schorsing ontbreken dus. In het Handboek Maatschappelijke Opvang (paragraaf 5.2) zijn wel regels opgenomen voor het opleggen van een sanctie bij grensoverschrijdend gedrag. Volgens de matrix in paragraaf 5 van dit handboek past bij een gedraging die valt in de categorie ‘matig incident’ een schorsing van maximaal 3 dagen. Bij een gedraging die valt in de categorie ‘ernstig incident’ past een schorsing van maximaal 1 maand.
- Verzoeker is inmiddels al 5 weken verstoken van opvang. Dit acht de voorzieningenrechter, ook bij gebreke aan een nadere onderbouwing door verweerder, niet meer rechtmatig. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het primaire besluit met onmiddellijke ingang te schorsen, tot één week nadat is beslist op verzoekers bezwaar en te bepalen dat verzoeker per direct opvang wordt geboden conform de indicatie beschermd wonen. Dit betekent dat verzoeker met onmiddellijke ingang weer dient te worden toegelaten tot een passende vorm van opvang.
- De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast te stellen op € 1.518,-. Daarnaast bestaat aanleiding om te bepalen dat verweerder verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst het primaire besluit tot één week na het te nemen besluit op bezwaar; - bepaalt dat verzoeker per direct opvang wordt geboden conform de indicatie beschermd wonen; - bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 50,00 aan hem vergoedt; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van verzoeker ad € 1.518,-; Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 mei
- q griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.