RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 22/1132 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 maart 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. M.M. Dezfouli), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder (gemachtigde: E. Kuipers ). Procesverloop In het besluit van 17 februari 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van verzoekster op grond van de Participatiewet (Pw) per 2 februari 2022 ingetrokken omdat zij geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 maart 2022 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen samen met een tolk en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Overwegingen
- De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
- De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een acute, dus actuele, spoedeisendheid. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
- Verzoekster heeft inmiddels op 21 februari 2021 een nieuwe aanvraag gedaan en in het kader van de nieuwe aanvraag zijn aan haar voorschotten verleend. Verweerder heeft op de zitting aangegeven dat naar aanleiding van de nieuwe aanvraag voor de periode van 21 februari 2022 tot en met 28 februari een voorschot is verstrekt. Ook is besloten voor de maand maart 2022 een voorschot te verlenen. Op 23 maart 2022 is een bedrag van € 970,- overgemaakt. Tevens heeft verweerder aangegeven dat er inmiddels een onderzoek is gedaan en de nieuwe aanvraag zal worden toegewezen. Op de zitting is toegezegd dit snel op te pakken.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat er in geval van verzoekster sprake is van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood.
- Uit het vorenstaande volgt dat thans niet kan worden gezegd dat wordt voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2022 door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.