RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9672875 \ CV EXPL 22-803 Uitspraakdatum: 18 mei 2022 Verstekvonnis in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kinderopvang MaiKids Amsterdam B.V. gevestigd te Amsterdam de eisende partij gemachtigde: mr. O.J. Boeder tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats] de gedaagde partij niet verschenen 1De procedure 1.1 De kantonrechter heeft op 16 maart 2022 een tussenvonnis gewezen. Voor het verloop van de procedure tot aan 16 maart 2022 wordt naar dit tussenvonnis verwezen. 1.
- Bij akte van 13 april 2022 heeft de eisende partij haar vordering nader toegelicht. Vervolgens heeft de eisende partij bij brief van 19 april 2022 nog een nadere akte toegestuurd met als roldatum 13 april
- Deze akte zal buiten beschouwing worden gelaten en worden teruggestuurd aan de eisende partij, omdat deze niet met terugwerkende kracht kan worden genomen op de rol van 13 april
- 2De beoordeling 2.
- De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 16 maart 2022 (hierna verder: het tussenvonnis) is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen. 2.
- De eisende partij is in de gelegenheid gesteld om bij akte alsnog een nadere toelichting en onderbouwing te geven over de wijze waarop zij meent te hebben voldaan aan de wettelijke informatieplichten zoals bedoeld in artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230v BW. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de eisende partij nog steeds niet (voldoende) onderbouwd dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft voldaan aan artikel 6:230m lid 1 onder h BW. Zoals reeds in het tussenvonnis is overwogen, heeft de schending van het herroepingsrecht tot gevolg dat de wettelijke bedenktijd in ieder geval tot en met 6 september 2021 heeft gelopen. De gedaagde partij heeft de overeenkomst opgezegd op 18 juni 2021 en dus binnen de bedenktijd. De eisende partij heeft bij akte voldoende aannemelijk gemaakt dat daarbij sprake is geweest van een opzegging met als doel de overeenkomst voor de toekomst te beëindigen en dat de gedaagde partij niet de bedoeling heeft gehad om de overeenkomst met terugwerkende kracht te herroepen. De kantonrechter zal aan het gebrek van artikel 6:230m lid 1 onder h BW dan ook enkel de in overweging 2.
- te noemen sanctie verbinden. 2.
- Ook voor wat betreft de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW heeft de eisende partij nagelaten (voldoende) te stellen en onderbouwen dat deze is nagekomen. De overgelegde overeenkomst voldoet niet aan artikel 6:230v lid 7 onder a BW. 2.
- Gelet op de jurisprudentie van het HvJ EU en het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677) moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. 2.
- In deze zaak heeft de eisende partij, naast de essentiële precontractuele informatieplicht zoals opgenomen in artikel 6:230m lid 1 onder h BW (zie voornoemd arrest van de Hoge Raad, r.o. 3.1.11), de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW geschonden. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, ziet de kantonrechter aanleiding om de overeenkomst gedeeltelijk te vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partijen verschuldigde som. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 en 3:41 BW, en/of aan de artikelen 6:193d en 6:193f BW, omdat de schending van de informatieplichten ook een oneerlijke handelspraktijk is. 2.
- Rekening houdende met de sanctie van 25%, is in beginsel aan hoofdsom toewijsbaar een bedrag van € 10.606,71 (€ 14.142,28 x 0,75). 2.
- De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen tot het wettelijk tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe de gedaagde partij zal worden veroordeeld, te weten € 881,
- 2.
- De vordering tot vergoeding van de vervallen rente zal worden afgewezen, nu de eisende partij bij dagvaarding van een onjuist bedrag aan hoofdsom is uitgegaan. De eisende partij heeft hiermee over een te hoog bedrag aan hoofdsom vervallen rente berekend. De rente zal over € 10.606,71 worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. 2.
- De gedaagde partij wordt (grotendeels) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de te nemen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, aangezien het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze extra akte op te stellen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 11.487,78, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 10.606,71 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van de gehele betaling; 3.
- veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op: € 129,74 wegens dagvaardingskosten, € 1.384,00 wegens griffierecht en € 373,00 wegens salaris gemachtigde; 3.
- verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter