Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/6459 uitspraak van enkelvoudige kamer van 17 maart 2022 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning € 36.565. Daarbij heeft verweerder bij beschikking € 531 aan belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 28 oktober 2020 de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2022 te Haarlem. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Eiser verricht sinds 12 mei 2013 onder de naam ‘‘ [naam 3] ’’ activiteiten in de reclame- en advertentiebranche. Daarnaast is eiser sinds 23 juni 2016 een van de drie vennoten van de vennootschap onder firma [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is gestaakt per 31 december 2017. Gedurende het jaar 2016 was eiser tevens in loondienst bij [bedrijf 2] BV en [bedrijf 3] BV. 2. Op 5 juli 2018 heeft eiser na herinnering en aanmaning door verweerder een aangifte ib/pvv voor het jaar 2016 ingediend. Het hierin aangeven verzamelinkomen bedraagt € 5.593. 3. Verweerder heeft aan eiser een vragenbrief verzonden met dagtekening 25 september 2018, waarin onder meer werd verzocht het voldoen aan het urencriterium nader te onderbouwen. 4. Op 4 oktober 2018 heeft de adviseur van eiser gereageerd op de vragenbrief door een urenregistratie van eiser te verstrekken. 5. Verweerder heeft aan de adviseur van eiser een aanvullende vragenbrief verzonden met dagtekening 22 oktober 2018. Wegens het uitblijven van een reactie heeft verweerder op 17 december 2018 een herhaald verzoek om informatie gestuurd. De adviseur van eiser heeft niet gereageerd. 6. Verweerder heeft eiser bij brief met dagtekening 17 januari 2018 geïnformeerd over zijn voornemen om bij het opleggen van de aanslag ib/pvv 2016 af te wijken van de ingediende aangifte. De adviseur van eiser heeft daarop niet gereageerd. 7. Verweerder heeft met dagtekening 8 maart 2019 de aanslag ib/pvv 2016 aan eiser opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.565. Daarbij heeft verweerder bij beschikking € 531 aan belastingrente in rekening gebracht. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 8. Bij uitspraak van bezwaar met dagtekening 28 oktober 2020 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2016 gehandhaafd. De adviseur van eiser heeft bij brief van 16 oktober 2020 als reactie op de voorgenomen beslissing op bezwaar van 30 september 2020 het volgende, voor zover van belang, laten weten: ‘‘Cliënt wil geen gebruik maken van de mogelijkheid om gehoord te woorden. De feiten en omstandigheden omtrent het gemaakte uren over het jaar 2016 staan vast op geschrift en het horen brengt naar mening van cliënt geen andere zienswijze naar voren.’’ Geschil 9. In geschil is of de aanslag ib/pvv 2016 binnen de aanslagtermijn is opgelegd. Voorts is in geschil of eiser recht heeft op toepassing van de zelfstandigen- en startersaftrek. Meer specifiek of aan het urencriterium is voldaan. Tot slot is in geschil of eiser recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 10. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslag ib/pvv 2016 ten onrechte en naar een onjuist bedrag is opgelegd. Eiser is van mening dat de aanslag ib/pvv 2016 buiten de aanslagtermijn is opgelegd en dat verweerder, voor zover de rechtbank begrijpt, de hoorplicht heeft geschonden. Verder is eiser van mening dat hij recht heeft op de zelfstandigen- en startersaftrek, omdat aan het urencriterium is voldaan. Eiser verwijst naar het door hem overgelegde urenoverzicht. Tot slot verzoekt eiser om vergoeding van het griffierecht en toekenning van een vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging dan wel vermindering van de aanslag. Het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding heeft eiser ter zitting ingetrokken. 11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag ib/pvv 2016 terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Verweerder is van mening dat de aanslag ib/pvv 2016 binnen de aanslagtermijn is opgelegd en dat de hoorplicht niet is geschonden. Voorts is verweerder van mening dat eiser geen recht heeft op de zelfstandigen- en startersaftrek aangezien niet aan het urencriterium is voldaan. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 12. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Aanslagtermijn 13. Op grond van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd. 14. Vast staat dat de termijn tot het vaststellen van de aanslag ib/pvv 2016 is aangevangen op 31 december 2016 en dat de aanslag 8 maart 2019 is opgelegd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de aanslag ib/pvv 2016 binnen de aanslagtermijn is opgelegd. Het beroep van eiser faalt op dit punt. Schending hoorplicht 15. Eiser stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden. De adviseur van eiser heeft weliswaar bij brief van 16 oktober 2020 aangeven dat eiser niet gehoord wilde worden, maar dat zag volgens de ter zitting gegeven toelichting van eiser enkel op het telefonisch horen. In een e-mail van 5 oktober 2020 als reactie op de vooraankondiging van het bezwaar is namelijk de wens om fysiek gehoord te worden kenbaar gemaakt, aldus eiser. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht niet is geschonden. Verweerder is van mening dat de adviseur van eiser bij brief van 16 oktober 2020, na de e-mail van eiser van 5 oktober 2020, ondubbelzinnig heeft laten weten dat eiser niet wenste te worden gehoord. 16. De rechtbank oordeelt als volgt. De adviseur van eiser heeft zoals blijkt uit rechtsoverweging 8 schriftelijk en ondubbelzinnig bij brief van 16 oktober 2020, na de e-mail van eiser van 5 oktober 2020, aangegeven dat eiser niet wenste te worden gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht mogen aannemen dat eiser heeft afgezien van zijn recht te worden gehoord. De hoorplicht is derhalve niet geschonden. Zelfstandigen- en startersaftrek 17. Op grond van artikel 3.76, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Het derde lid van dat artikel bepaalt dat indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, de zelfstandigenaftrek wordt verhoogd met € 2.123 (de startersaftrek). 18. Op grond van het hiervoor vermelde artikel, zal de rechtbank beoordelen of eiser voldoet aan het urencriterium. Onder het urencriterium wordt verstaan het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.