RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9070470 \ CV EXPL 21-1484 Uitspraakdatum: 1 juni 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser 1] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kind [minderjarige 1] [eiser 2] allen wonende te [plaats 1] [eiser 3] , wonende te [plaats 2] [eiser 4] [eiser 5] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor zijn minderjarige kinderen [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4]allen wonende te [plaats 3] eisers hierna gezamenlijk te noemen de passagiers gemachtigde mr. I.G.B. Maertzdorff (EUclaim B.V.) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Austrian Airlines AG statutair gevestigd te Wenen (Oostenrijk), mede kantoorhoudende te Schiphol gedaagde hierna te noemen de vervoerder gemachtigde mr. E.A. Pluijm en P.C.X. de Leede (Russell Advocaten) 1Het procesverloop 1.
- De passagiers hebben bij dagvaarding van 8 december 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. Vervolgens hebben de passagiers een akte houdende overlegging producties genomen. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.
- Passagiers sub 1 en sub 2 hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder passagiers sub 1 en sub 2 diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Vienna International Airport, Wenen (Oostenrijk) naar Krasnodar Airport (Rusland) op 22 december
- 2.
- Volgens de overeenkomst zouden passagiers sub 1 en sub 2 op 22 december 2018 om 07:10 uur lokale tijd vanuit Amsterdam-Schiphol Airport met vlucht OS378 vertrekken en om 09:00 uur lokale tijd aankomen op Vienna International Airport. Vanuit daar zouden zij met vlucht OS607 om 09:45 uur lokale tijd verder vliegen naar Krasnodar Airport om daar om 14:40 uur lokale tijd aan te komen. 2.
- Passagier sub 3 heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder passagier sub 3 diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Vienna International Airport op 22 december
- 2.
- Volgens de overeenkomst zou passagier sub 3 op 22 december 2018 om 07:10 uur lokale tijd vanuit Amsterdam-Schiphol Airport met vlucht OS738 vertrekken en om 09:00 uur lokale tijd aankomen op Vienna International Airport. 2.
- Passagiers sub 4 en sub 5 hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder passagiers sub 4 en sub 5 diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Vienna International Airport naar Skopje Airport (Macedonië) op 22 december
- 2.
- Volgens de overeenkomst zouden passagiers sub 4 en sub 5 op 22 december 2018 om 07:10 uur lokale tijd vanuit Amsterdam-Schiphol Airport met vlucht OS378 vertrekken en om 09:00 uur lokale tijd aankomen op Vienna International Airport. Vanuit daar zouden zij met vlucht OS779 om 10:05 uur lokale tijd verder vliegen naar Skopje Airport om daar om 11:40 uur lokale tijd aan te komen. 2.
- Vlucht OS378 van Amsterdam-Schiphol Airport naar Vienna International Airport (hierna: de vlucht) is geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt naar alternatieve vluchten. Passagiers sub 1 en sub 2 zijn hierdoor 35 uur en 56 minuten later dan oorspronkelijk gepland aangekomen op de overeengekomen eindbestemming. Passagier sub 3 is 34 uur en 52 minuten later dan oorspronkelijk gepland aangekomen op de overeengekomen eindbestemming en passagiers sub 4 en 5 zijn 37 uur en zeven minuten later dan oorspronkelijk gepland aangekomen op de overeengekomen eindbestemming. 2.
- EUclaim B.V. heeft namens de passagiers compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering. 2.
- De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 2.
- Passagiers sub 1 en sub 5 zijn door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure namens hun minderjarige kinderen te voeren. 3De vordering 3.
- De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 3.450,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 december 2018, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 544,50 dan wel € 568,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
- De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening. 3.
- De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.
- De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 1 sub c van de Verordening, hebben de passagiers in geval van annulering van een vlucht recht op de in artikel 7 van de Verordening bedoelde compensatie, tenzij de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5, lid 3, van de Verordening, die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Bij de beoordeling hiervan heeft als uitgangspunt te gelden dat de Verordening een hoge mate van bescherming van de consument beoogt en restrictief dient te worden uitgelegd. In dat licht dient het standpunt van de vervoerder te worden bezien. 4.
- De vervoerder betoogt dat op 22 december 2018 sprake was van slechte weersomstandigheden te Amsterdam, te weten harde wind en windstoten. Er was regelmatig sprake van windstoten met een snelheid van 25 knopen. Vanwege de slechte weersomstandigheden is de vlucht geannuleerd, hetgeen ook volgt uit de Operations Performance Report. Ter onderbouwing van zijn verweer verwijst de vervoerder, onder meer, naar het METAR-rapport. Uit het METAR-rapport volgt dat er in Amsterdam een groot deel van de nacht en de ochtend sprake was van windstoten en zijwind. Zijwind vormt een gevaar voor de vliegveiligheid. Bovendien vermeldt de METAR tussen 05:55 uur UTC en 07:55 uur UTC verschillende keren code “BECMG”, hetgeen duidt op plotselinge weersveranderingen, aldus de vervoerder. Bij dupliek heeft de vervoerder nog aangevoerd dat de onderhavige vlucht onderdeel uitmaakte van de rotatievlucht Wenen-Amsterdam-Wenen (vluchten OS378 en OS377). Vlucht OS377 is ook geannuleerd vanwege slechte weersomstandigheden te Wenen. Dit werkt door naar de onderhavige vlucht, aldus de vervoerder. 4.
- Wat er ook zij van eventuele buitengewone omstandigheden, volgens planning zouden de passagiers op 22 december 2018 om 09:00 uur lokale tijd aankomen op Wenen. Doordat de vlucht is geannuleerd zijn de passagiers omgeboekt naar alternatieve vluchten. Niet weersproken is dat de passagiers met een vertraging van meer dan 34 uur zijn aangekomen op de overeengekomen eindbestemming. 4.
- Uit het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) volgt dat het in beginsel geen redelijke maatregel is, indien de passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt. Dit is anders indien er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door haarzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de volgende vlucht van de betrokken luchtvaartmaatschappij, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor die laatste een onaanvaardbaar offer betekende gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip. Hierbij gaat de kantonrechter, voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’, uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. 4.
- De passagiers betwisten dat zij zijn omgeboekt naar de eerst beschikbare alternatieve vluchten. Zij stellen dat er vele mogelijkheden waren waarmee zij minder vertraagd zouden zijn aangekomen. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben de passagiers een lijst met alternatieve vluchten overgelegd. Ook stellen de passagiers dat een vertraging van ruim 34 uur op de route Amsterdam-Wenen buitensporig is. Een treinreis Amsterdam-Wenen duurt volgens de passagiers slechts 12 uur. Daarbij was het volgens de passagiers aannemelijk dat er nog plek aan boord was op de door hen genoemde vluchten. De bezittingsgraad van vluchten lag in de wintermaanden van 2018 en 2019 tussen de 76 en 82 procent, aldus de passagiers. Bovendien heeft de vervoerder de stelling dat Schiphol op 22 november 2018 de landingscapaciteit met 50 procent had verminderd onvoldoende onderbouwd, aldus de passagiers. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de passagiers heeft de vervoerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de passagiers op de eerst beschikbare vluchten heeft omgeboekt. Dat de vervoerder passagiers sub 1 en sub 2 heeft omgeboekt op vluchten van de Russische maatschappij Aeroflot doet daar niets aan af. De passagiers hebben immers gemotiveerd gesteld dat zij met andere vluchten van andere luchtvaartmaatschappijen met minder vertraging op de eindbestemming zouden zijn aangekomen. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om hier (nader) op in te gaan, hetgeen de vervoerder onvoldoende heeft gedaan. Zo had de vervoerder bijvoorbeeld ten aanzien van passagiers sub 4 en sub 5 opties kunnen overwegen zonder opstap op Wenen, hetgeen hij heeft nagelaten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder onvoldoende onderbouwd dat er geen enkele andere - redelijke - eerdere mogelijkheid was om de passagiers naar de eindbestemming te vervoeren. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing van de vervoerder kan daarom niet worden aangenomen dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging ten gevolge van de annulering te voorkomen dan wel te beperken. 4.
- Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom, gelet op de duur van de vertraging van de vlucht worden toegewezen 4.
- De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. 4.
- De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de passagiers in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kunnen maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 3.994,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.450,00 vanaf 22 december 2018 en over € 544,50 vanaf 8 december 2020 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd: dagvaarding € 100,89;griffierecht € 240,00;salaris gemachtigde € 498,00;vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
- veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 124,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter