← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:5028

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9794699 CV EXPL 22-2029 Uitspraakdatum: 26 april 2022 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: de stichting Kinderrijk gevestigd te Amstelveen de eisende partij gemachtigde: mr. O.J. Boeder tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats] de gedaagde partij niet verschenen 1Het procesverloop 1.

  1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend. 2De beoordeling 2.
  2. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677). 2.
  3. In de onderhavige zaak is een overeenkomst met betrekking tot kinderopvang tot stand gekomen tussen partijen. In de dagvaarding heeft de eisende partij gesteld dat de bepalingen over de (pre)contractuele informatieverplichtingen niet van toepassing zijn op de onderhavige overeenkomst, nu in artikel 6:230h lid 2 sub c BW is bepaald dat de informatieplichten van Boek 6, Titel 5, Afdeling 2B BW niet van toepassing zijn op overeenkomsten betreffende sociale dienstverlening, waaronder kinderzorg. De kantonrechter volgt de eisende partij niet in haar stelling. Met ‘sociale diensten’ wordt gedoeld op diensten die worden verleend aan mensen die bijzonder kwetsbaar zijn of een laag inkomen hebben, of mensen die een bijzondere behoefte hebben aan hulp, ondersteuning, bescherming en aanmoediging in een specifieke levensfase (overweging 29 Richtlijn 2011/83/EU). Deze diensten zijn uitgesloten omdat in deze situatie verdergaande bescherming voor de zwakkere partij wenselijk is. De (commerciële) kinderopvangovereenkomst die in deze zaak aan de orde is valt niet onder de definitie van een ‘sociale dienst’, derhalve is artikel 6:230h lid 2 sub c BW niet van toepassing. 2.
  4. De eisende partij heeft subsidiair gesteld dat sprake is van een overeenkomst anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten, in de zin van artikel 6:230l BW. Dat strookt echter niet met de andere stellingen in de dagvaarding die erop neerkomen dat de gedaagde partij online een aanvraag heeft gedaan voor een plek voor haar kind bij de kinderopvangorganisatie van de eisende partij, dat de gedaagde partij vervolgens schriftelijk een offerte/concept contract heeft gekregen van de eisende partij en dat de gedaagde partij dat contract heeft ondertekend en aan de eisende partij heeft teruggestuurd. Uit die gang van zaken volgt dat sprake is van een overeenkomst buiten de verkoopruime of op afstand zoals bedoeld in artikel 6:230m BW. Daarop is ook artikel 6:230v BW van toepassing. De eisende partij heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. Concrete verwijzingen in de dagvaarding en de overgelegde stukken waaruit blijkt dat is voldaan aan de afzonderlijke bepalingen van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v BW ontbreken. Wat is hiervan het gevolg? 2.
  5. Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermelden en op grond van artikel 21 Rv moet de eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren. 2.
  6. De eisende partij heeft niet aan deze eisen voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen. Gelet op artikel 3.5 van het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton wordt de eisende partij niet meer in de gelegenheid gesteld om haar vordering bij akte alsnog nader toe te lichten en te onderbouwen. 2.
  7. De proceskosten komen voor rekening van de eisende partij, omdat zij ongelijk krijgt. Deze worden aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vastgesteld op nihil. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  8. wijst de vordering af; 3.
  9. veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.