← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:5205

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/206337-21 (P) Uitspraakdatum: 14 juni 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 mei 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum- en plaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. Bouwmeester, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 18 oktober 2019 te Hoorn, in elk geval in Nederland met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , doe toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten - het door die [slachtoffer] laten betasten en/of aftrekken van zijn, verdachtes blote penis en/of - het zich door die [slachtoffer] laten pijpen. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de stellige, meermaals herhaalde verklaring van aangeefster dat ze de verdachte heeft afgetrokken en gepijpt, wordt ondersteund door de verklaring van de medeverdachte [naam]. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf voorwaardelijk onder een proeftijd van twee jaren met aftrek conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte van meet af aan stellig en consistent heeft ontkend te zijn gepijpt door aangeefster. De verklaringen van aangeefster acht de verdediging niet betrouwbaar door de inconsistenties in die verklaringen ten aanzien van de vermeende orale bevrediging. De verklaring van de medeverdachte [naam] is niet authentiek en ongeloofwaardig, nu [naam] zijn verklaring pas heeft afgelegd op 6 april 2022, na bestudering van het dossier, en deze verklaring letterlijk is voorgelezen van zijn telefoon. Deze verklaring dient te worden uitgesloten van het bewijs en kan dus niet dienen als steunbewijs. Ook overigens biedt het dossier onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster dat zij de verdachte heeft moeten pijpen. De verdachte heeft zich wel laten aftrekken door de aangeefster, maar dit is niet aan te merken als het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster zoals ten laste is gelegd, aldus de raadsvrouw. 3.3 Vrijspraak Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Met de verdediging constateert de rechtbank dat de verklaringen van aangeefster ten aanzien van het pijpen van de verdachte op onderdelen niet consistent zijn. Anders dan de verdediging verbindt de rechtbank daaraan echter niet de conclusie dat de verklaring van aangeefster dat zij de verdachte heeft gepijpt niet betrouwbaar is. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster op dat punt authentiek en geschikt als bewijsmiddel voor het ten laste gelegde pijpen. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, echter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring is nodig dat de verklaringen van aangeefster, die door de verdachte stellig en consistent van meet af aan zijn weersproken, in voldoende mate steun vinden in de rest van het dossier. De medeverdachte [naam] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte door aangeefster werd gepijpt. Hij heeft deze verklaring pas na kennisname van het gehele procesdossier afgelegd. Zijn verklaring over de wijze waarop hij in de woning is gekomen en wat hij toen zou hebben gezien is niet in overeenstemming met de verklaringen van aangeefster en komt niet geloofwaardig over. Die verklaring kan daarom op dat punt (ten aanzien van het pijpen van de verdachte door aangeefster) niet als (voldoende) steunbewijs dienen voor de verklaringen van aangeefster. Het dossier biedt ook verder geen, althans onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster dat zij de verdachte heeft gepijpt. Voor een bewezenverklaring van artikel 244 Sr is vereist dat de verdachte onder andere handelingen heeft verricht die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte zich door aangeefster heeft laten pijpen, kan niet worden bewezenverklaard dat sprake is geweest van seksueel binnendringen. De rechtbank benadrukt dat dit niet wil zeggen dat het pijpen niet heeft plaatsgevonden, maar slechts dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Conclusie Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde feit. De rechtbank hecht eraan nog de volgende opmerkingen te maken. Vrijspraak van het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor overwogen, laat onverlet dat de verdachte, destijds tweeëntwintig jaar oud, zich heeft laten aftrekken door aangeefster, een (toen) elfjarig meisje. Het is algemeen bekend dat dit soort feiten, juist aan minderjarigen die nog in een seksuele ontwikkelingsfase verkeren, schade toebrengen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan, temeer nu hij heeft verklaard dat hij vermoedde dat aangeefster de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, desondanks geen nader onderzoek naar haar leeftijd heeft verricht en hij bovendien heeft toegekeken hoe de medeverdachte [naam] seks had met aangeefster, bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Aangeefster verloor als gevolg van de penetratie bloed, dat terechtkwam op de bank. Het is stuitend, en het moet voor haar vernederend zijn geweest, dat de verdachte en de medeverdachte haar de bank zelf hebben laten schoonmaken. De verdachte heeft dus uitermate laakbaar gehandeld jegens aangeefster. Door dit laakbare handelen en nalaten van de verdachte heeft hij grenzen overschreden en ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster. Dit valt echter buiten de reikwijdte van het ten laste gelegde artikel 244 Sr en de rechtbank kan de verdachte daarom hiervoor niet veroordelen. 4Vordering benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.049,72 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering, omdat het ten laste gelegde feit, waarop die vordering betrekking heeft, niet wettig en overtuigend is bewezen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. 5Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.J. Lommen, voorzitter, mr. N. Boots en mr. D. de Vrught, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Jansen, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juni 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.