vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/326167 / HA ZA 22-180 Vonnis in incident van 11 mei 2022 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats 1] , eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat mr. M. Helmantel te Sappemeer, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [plaats 2] , gedaagde, verweerder in het incident, advocaat mr. Y. Moszkowicz te [plaats 3] , en 2 [gedaagde 2] , zaakdoende te [plaats 3] , gedaagde, verweerder in het incident, advocaat: mr. M.J. Hoogendoorn. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening van 18 februari 2022 de incidentele conclusie van antwoord van 30 maart 2022 aan de zijde van [gedaagde 1] . de incidentele conclusie van antwoord van 30 maart 2022 aan de zijde van [gedaagde 2] . de akte ‘uitlaten in het incident’ van 13 april 2022 aan de zijde van [eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2Feiten 2.1. [eiser] houdt zich sinds 2009 bezig met de moord op [betrokkene 1] en is ervan overtuigd dat niet de onherroepelijk veroordeelde [betrokkene 2] . de dader is, maar een ander. [gedaagde 1] zou hierover volgens [eiser] als getuige kunnen verklaren. [gedaagde 1] ontkent dit stellig. [eiser] heeft circa 30 procedures aanhangig gemaakt waarbij [gedaagde 1] direct dan wel indirect bij betrokken is. 2.2. In 2018 heeft [gedaagde 1] een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt tegen [eiser] waarin hij onder meer een contactverbod, verwijdering van een aantal artikelen van de website van [eiser] , een rectificatie en een voorschot op immateriële schadevergoeding vorderde. 2.3. Bij vonnis van 9 mei 2018 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland zijn de vorderingen van [gedaagde 1] grotendeels toegewezen en is [eiser] onder meer verboden op enigerlei wijze in contact te treden met [gedaagde 1] en is [eiser] gelast om meerdere artikelen, alsmede portretten van [gedaagde 1] van zijn website te verwijderen en een rectificatie te plaatsen. Voorts is het [eiser] verboden zijn boek ‘Het [betrokkene 1] Complot’ te publiceren en of enige uiting te publiceren waarin [gedaagde 1] bij naam genoemd wordt of anderszins herkenbaar wordt opgevoerd, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag voor iedere overtreding tot een maximum van € 100.000,- en tot betaling van een voorschot op schadevergoeding van € 5.000,-. De voorzieningenrechter heeft daartoe (onder meer) het navolgende overwogen: 4.12. [eiser] heeft niet betwist dat hij in de in de dagvaarding genoemde artikelen en in zijn boek ‘ Het [betrokkene 1] Complot ’ [gedaagde 1] met naam en toenaam heeft genoemd en daarin heeft aangegeven dat [gedaagde 1] getuige is geweest van de moord op [betrokkene 1] dan wel dat [gedaagde 1] daar op andere wijze betrokkenheid bij heeft gehad. Het verweer van [eiser] komt er, naar de voorzieningenrechter begrijpt, op neer dat [eiser] op deze wijze een beroep heeft willen doen op het geweten van [gedaagde 1] om een verklaring af te leggen waarin hij “de ware toedracht” van de moord op [betrokkene 1] uit de doeken doet. 4.13. Het belang van [eiser] is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties van algemeen belang. Het belang van [gedaagde 1] is dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem schadelijke publiciteit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] , door in een groot aantal artikelen en in een boek te suggereren dat [gedaagde 1] getuige is geweest van de moord op [betrokkene 1] en dat – kort gezegd – door het weigeren een verklaring daarover af te leggen de ware toedracht van deze moord wordt achtergehouden, onrechtmatig jegens [gedaagde 1] handelt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het hier om een vergaande beschuldiging aan het adres van iemand waarvan een ieder zich moet realiseren dat de gevolgen daarvan verstrekkend zijn. Niet alleen zullen bekenden hiervan op de hoogte raken met alle gevolgen van dien, maar het zal mensen die hiervan het slachtoffer worden doorgaans veel moeite kosten om dergelijke beschuldigingen te ontkrachten. Indien een ‘publicist’ over wenst te gaan tot publicaties zoals [eiser] doet en daarmee kennelijk beoogt een misstand aan de kaak te stellen, dan moeten de daarin vervatte beschuldigingen op feiten zijn gebaseerd. [eiser] heeft de voorzieningenrechter er niet van weten te overtuigen dat er feiten aan de beschuldigingen ten grondslag liggen. De voorzieningenrechter ziet ook niet in dat het uiten van deze beschuldigingen op de wijze zoals [eiser] dat doet, een bijdrage kan leveren aan het maatschappelijk debat dan wel kan bijdragen aan het aan de kaak stellen van een misstand. Kort en goed is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde 1] lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem schadelijke publiciteit. Het feit dat de artikelen mogelijk al van de website zijn verwijderd staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg, aangezien de vordering ook inhoudt dat [eiser] de artikelen verwijderd dient te houden. 4.14. Daar komt bij dat als [eiser] werkelijk meent dat hij een misstand of complot op het spoor is, er andere middelen zijn om daar aandacht voor te vragen dan ongefundeerde beschuldigingen te uiten. Dat [eiser] , zoals hijzelf zegt, slechts wil bewerkstelligen dat [gedaagde 1] een verklaring aflegt over zijn betrokkenheid bij de moord op [betrokkene 1] , komt de voorzieningenrechter niet aannemelijk voor. Gelet op de intimiderende wijze waarop hij [gedaagde 1] tot een verklaring tracht te bewegen en gelet op de inhoud van zijn artikelen, moet het ervoor worden gehouden dat [eiser] slechts wil bereiken dat [gedaagde 1] een verklaring aflegt die past binnen de visie die [eiser] erop na houdt. 4.15. Het voorgaande brengt met zich dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat [eiser] met het publiceren van zijn artikelen onrechtmatig jegens [gedaagde 1] handelt door zijn goede naam en eer aan te tasten. De vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van de genoemde artikelen zal dan ook worden toegewezen. Ook de vordering tot rectificatie ligt voor toewijzing gereed nu [eiser] daartegen geen verweer heeft gevoerd en de inhoud van de artikelen en de suggesties die daarin worden gedaan ook overigens daartoe aanleiding geven. 2.4. [gedaagde 2] heeft [gedaagde 1] in de procedure die resulteerde in voornoemd vonnis als advocaat bijgestaan. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. 2.5. Omdat [eiser] volgens [gedaagde 1] niet heeft voldaan aan de veroordeling die volgt uit het vonnis van 9 mei 2018, heeft hij ter incassering van verbeurde dwangsommen executoriaal derdenbeslag gelegd onder de moeder van [eiser] . 2.6. In een daaropvolgend executiegeschil heeft [eiser] gevorderd [gedaagde 1] te veroordelen het beslag op te heffen en hem te verbieden het vonnis van 9 mei 2018 ten uitvoer te leggen. Bij vonnis van 18 november 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank [plaats 2] de vorderingen van [eiser] afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe (onder meer) het volgende overwogen: 5.3. De vordering onder I strekt tot het opheffen van het onder de moeder van [eiser] gelegde executoriaal derdenbeslag. Voor de beoordeling van deze vordering dient de vraag beantwoord te worden of (aannemelijk is dat) [eiser] dwangsommen heeft verbeurd. 5.4. In het vonnis van 9 mei 2018 is [eiser] gelast een rectificatie op zijn website te plaatsen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij aan deze veroordeling heeft voldaan. Hoewel [eiser] in de dagvaarding gesteld heeft dat onduidelijk is waarom dwangsommen zijn verbeurd, heeft hij deze stelling ter zitting ingetrokken. Volgens [eiser] heeft de geplaatste rectificatie op de website voor de duur van drie weken het beoogde doel gehad, zodat langere plaatsing niet noodzakelijk was. 5.5. Aan de veroordeling tot plaatsing van de rectificatie is geen tijdsbepaling verbonden. Dit betekent naar voorlopig oordeel dat de rectificatie voor onbepaalde tijd op de website geplaatst dient te worden. Hoewel [gedaagde 1] [eiser] heeft voorgesteld de rectificatie voor de duur van drie maanden te plaatsen – en na die periode geen dwangsommen te executeren ten aanzien van de plaatsing van de rectificatie –, heeft [eiser] de rectificatie slechts voor een periode van drie weken op de website geplaatst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] hiermee niet aan de veroordeling van het vonnis van 9 mei 2018 heeft voldaan en daarom dwangsommen heeft verbeurd. Naar voorlopig oordeel is, mede gelet op de beoordeling in reconventie, voldoende aannemelijk dat de volledige dwangsommen zijn verbeurd. [gedaagde 1] heeft executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de moeder van [eiser] . In de verklaring derdenbeslag heeft de moeder van [eiser] verklaard dat zij niets onder zich heeft dat toebehoort aan [eiser] en dat [eiser] ook geen vordering op haar heeft. Ter zitting heeft [gedaagde 1] te kennen gegeven dat hij twijfelt aan de juistheid van deze verklaring. Op grond van artikel 477a lid 2 Rv heeft [gedaagde 1] de mogelijkheid de verklaring derdenbeslag van de moeder van [eiser] (gedeeltelijk) te betwisten en ten aanzien hiervan een procedure te starten. Nu gesteld noch gebleken is dat [eiser] thans concreet hinder ondervindt van het executoriaal derdenbeslag onder zijn moeder en de mogelijkheid bestaat dat omtrent de verklaring derdenbeslag van de moeder van [eiser] nog een procedure aanhangig gemaakt wordt, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding het beslag op te heffen. De vordering onder I wordt daarom afgewezen. Ten aanzien van de vordering onder II 5.6. De vordering onder II strekt in feite tot een algeheel verbod om het vonnis van 9 mei 2018 ten uitvoer te leggen. Daartoe wordt als volgt overwogen. 5.7. In 5.5 is voorlopig geoordeeld dat [eiser] dwangsommen heeft verbeurd. Kennelijk heeft het door [gedaagde 1] gelegde executoriaal derdenbeslag onder de moeder van [eiser] tot op heden geen doel getroffen. Het staat [gedaagde 1] vrij om (te proberen) op een andere wijze de verbeurde dwangsommen te innen. De vordering onder II wordt daarom afgewezen. 2.7. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 13 oktober 2020 voornoemd vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank [plaats 2] bekrachtigd. 2.8. Nadat de moeder van [eiser] op 31 januari 2021 was overleden, heeft [gedaagde 1] executoriaal beslag laten leggen op het onverdeelde aandeel van [eiser] in de nalatenschap van zijn moeder. Tot de nalatenschap behoorde onder meer een registergoed. In verband met de voorgenomen verkoop van dit registergoed is bij depotovereenkomst van augustus 2021 overeengekomen dat ter vervangende zekerheid voor het beslag op het aandeel van [eiser] in de nalatenschap van zijn moeder, een bedrag van € 104.293,00 uit de verkoopopbrengst van dat registergoed door de notaris in depot zal worden gehouden, totdat partijen de notaris gelijkluidend opdracht geven tot uitkering over te gaan dan wel er een definitieve aanslag erfbelasting van de Belastingdienst ligt waarin is bepaald wat de uiteindelijke fiscale erfdelen van de erfgenamen zijn en welke bedragen aan erfbelasting verschuldigd zijn, waarna het depot bedrag aan [gedaagde 1] zal worden uitgekeerd tot het beloop van het aandeel van [eiser] , tenzij bij vonnis in kracht van gewijsde of uitvoerbaar bij voorraad of bij arbitraal vonnis is komen vast te staan dat (een deel van) het depotbedrag aan [eiser] moet worden voldaan. 2.9. Eind juni 2021 is door [eiser] bij de rechtbank [plaats 2] een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. Bij beschikking van 26 november 2021 is dit verzoek afgewezen. De rechtbank heeft daartoe (onder meer) het navolgende overwogen: 3.2. Over het door [eiser] gestelde belang bij een voorlopig getuigenverhoor overweegt de rechtbank het volgende. [eiser] stelt in zijn verzoek dat hij weet dat de door [gedaagde 1] ingebrachte verklaringen (ver)vals(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.