RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9368232 \ CV EXPL 21-5168 Uitspraakdatum: 15 juni 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1] 2. [eiser 2] beiden wonende te [plaats 1] 3. [eiser 3] 4. [eiser 4] beiden wonende te [plaats 2] eisers hierna gezamenlijk te noemen de passagiers gemachtigde mr. S. Diederich (Aviclaim) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Austrian Airlines AG statutair gevestigd te Schwechat (Oostenrijk), mede kantoorhoudende te Schiphol gedaagde hierna te noemen de vervoerder gemachtigde mr. E.A. Pluijm en mr. L.E. Schalk (Russell Advocaten) 1Het procesverloop 1.1. De passagiers hebben bij dagvaarding van 19 juli 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.1. De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan laatstgenoemde de passagiers diende te vervoeren. 2.2. De vluchten zijn geannuleerd. 2.3. Aviclaim heeft namens de passagiers restitutie van de vliegtickets verzocht van de vervoerder. 2.4. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering 3.1. De passagiers vorderen, na akte vermindering van eis, dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 582,63, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf zeven dagen na de annulering tot aan de dag der algehele voldoening; - € 143,40 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten. 3.2. De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vluchten gehouden is tot restitutie van de vliegtickets binnen zeven dagen na annulering van de vluchten conform artikel 5 lid 1 sub a in samenhang met artikel 8 lid 1 sub a van de Verordening. 3.3. De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.2. De vervoerder voert primair aan dat de passagiers niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard met betrekking tot de vordering van hun minderjarige kinderen. Hierbij heeft de vervoerder aangevoerd dat de cessie overeenkomstig artikel 3:83 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in voldoende mate met de in artikel 3:94 lid 1 BW bedoelde akte moet zijn bepaald. Nu uit de aktes van cessie niet blijkt van welk minderjarig kind welke vordering wordt gecedeerd, stelt de vervoerder zich op het standpunt dat de vorderingen van de minderjarige kinderen niet rechtsgeldig zijn overgedragen aan de passagiers. Door de passagiers wordt dit betwist en zij stellen dat een akte van cessie is opgemaakt en dat deze is ondertekend door hen. Er staat een claimnummer in de akte vermeld. De luchtvaartmaatschappij is op de hoogte van de vorderingen verbonden aan dat claimnummer. Tevens blijkt dit uit de mededeling van cessie. Daar is immers genoemd van wie naar wie gecedeerd is met namen en wederom het claimnummer, aldus de passagiers. 4.3. De kantonrechter overweegt als volgt. Een rechtsgeldige cessie dient onder verwijzing naar artikel 3:94 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan twee constitutieve vereisten te voldoen: een akte van cessie en een mededeling daarvan aan de debiteur. Hierbij geldt dat de te overdragen vordering overeenkomstig artikel 3:84 lid 2 BW in voldoende mate door de akte moet worden bepaald. Volgens vaste rechtspraak is voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat (Hoge Raad 16 juni 1995, NJ 1996/508, Ontvanger/ Rabo). Uit de overgelegde aktes van cessie blijkt het volgende. In de akte van cessie wordt het claimnummer vermeld (dat wordt gebruikt in de correspondentie met de luchtvaartmaatschappij) en de naam van de passagier. Verder staat in de akte van cessie het volgende opgenomen: “II. Verklaart het volgende te zijn overeengekomen. Cedent(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.