← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:5699

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9573484 \ CV EXPL 21-8199 Uitspraakdatum: 22 juni 2022 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht Zalando Payments GmbH rechtsopvolgster van de vennootschap naar buitenlands recht Zalando SE te Berlijn, Duitsland de eisende partij gemachtigde: R. Slagman (Slagman Gerechtsdeurwaarders) tegen [gedaagde] te [woonplaats] de gedaagde partij niet verschenen 1De verdere procedure 1.

  1. Bij tussenvonnis van 16 februari 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 13 april 2022 heeft gedaan. 2De verdere beoordeling 2.
  2. De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Er bestaat geen aanleiding om daarop terug te komen. 2.
  3. De eisende partij vindt dat zij heeft voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij kan geen bestelbevestiging overleggen van de bestellingen van de gedaagde partij, maar zij heeft een algemene bestelbevestiging overgelegd en toegelicht dat elke bestelling altijd op die manier wordt bevestigd aan de klant. 2.
  4. De kantonrechter vindt dat niet voldoende. Om te kunnen vaststellen dat is voldaan aan artikel 6:230v lid 7 onder a BW moet een aan de gedaagde partij verzonden bestelbevestiging van de webshop van de eisende partij worden overgelegd die voldoet aan de eisen van dat artikel. Dat wil zeggen een concrete, daadwerkelijk aan de gedaagde partij verzonden bestelbevestiging. Die ontbreekt in dit geval. De kantonrechter blijft daarom bij haar oordeel dat niet aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW is voldaan en zal daarvoor een sanctie toepassen. 2.
  5. Zoals in het tussenvonnis is overwogen zal de overeenkomst gedeeltelijk worden vernietigd, te weten voor 25% van het door de gedaagde partij verschuldigde (restant)bedrag. Een bedrag van € 56,99 (€ 75,99 x 0,75) aan hoofdsom zal worden toegewezen. 2.
  6. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen, omdat deze vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals onder de beslissing is opgenomen. 2.
  7. De gedaagde partij wordt (grotendeels) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  8. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 96,99, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 56,99 vanaf 1 december 2021 tot aan de dag van de gehele betaling, met een maximum tot een totaalbedrag van € 25.000,00; 3.
  9. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op: € 102,15 wegens dagvaardingskosten, € 126,00 wegens griffierecht en € 37,00 wegens salaris gemachtigde; 3.
  10. verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  11. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.