RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 21/3064 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2022 in de zaak tussen [eiseres] B.V. onder de handelsnaam [naam 1] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. E. Arslan), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder (gemachtigde: S. Asghar). Procesverloop In het besluit van 10 september 2020 (primaire besluit 1) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een exploitatievergunning te verlenen voor [naam 1] B.V., gevestigd aan de [adres] . In het besluit van 26 november 2020 (primaire besluit 2) heeft verweerder besloten het eerdere besluit van 10 september 2020 te herroepen en de exploitatievergunning onder vermelding van een aanvullende motivering opnieuw te weigeren. In het besluit van 31 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. Op 22 april 2020 hebben toezichthouders geconstateerd dat [naam 1] geopend was voor het afhalen van drink- en etenswaren. Daarbij hebben zij vastgesteld dat de onderneming niet beschikte over een daarvoor benodigde exploitatievergunning. Verweerder heeft eiseres daarom op 30 april 2020 een officiële waarschuwing gegeven. 2. Op 6 juni 2020 heeft [naam 2] (enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 1] ) een exploitatievergunning aangevraagd voor [naam 1] . 3. Op 3 juli 2020 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat er in het kader van de behandeling van de aanvraag advies is gevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB). 4.1 Op 11 augustus 2020 op 20:00 uur hebben toezichthouders geconstateerd dat de deur van [naam 1] open stond en de verlichting binnen aan was. Er waren geen personen of bezoekers binnen. 4.2 Op 20 augustus 2020 om 17:20 uur hebben twee buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente Den Helder een bezoek aan [naam 1] gebracht. Zij hebben geconstateerd dat afvalstoffen (vet) niet op de juiste werden afgevoerd. Daartegen hebben zij direct handhavend opgetreden. Daarnaast hebben zij geconstateerd dat de toegangsdeur open was en er een aanduiding hing met de tekst ‘Open’. Daarover hebben zij gesproken met bedrijfsleider [naam 3] , die aangaf dat de horecagelegenheid geopend was voor het afhalen van drink- en etenswaren. 4.3 Op 21 augustus 2020 om 16:45 uur hebben toezichthouders geconstateerd dat de toegangsdeur van [naam 1] open stond, dat er binnen licht brandde en dat achter de toonbank een verlicht bord hing met daarop gerechten en prijzen. 4.4 Op 8 september 2020 om 16:25 uur hebben buitengewoon opsporingsambtenaren geconstateerd dat [naam 1] was opengesteld voor publiek. De deur van de lokaliteit stond open en er zaten mensen in de zaak. 4.5 Op 27, 28 september 2020, 3 en 4 oktober 2020 is het voertuig dat door [naam 1] gebruikt wordt voor de aflevering van bestellingen gecontroleerd door de Politie- eenheid Noord-Holland. Uit de bestuurlijke rapportage van 27 oktober 2020 die vervolgens is opgemaakt blijkt dat de bestuurders niet in het bezit waren van een geldig rijbewijs of in zijn geheel niet in het bezit waren van een rijbewijs. De twee bestuurders verblijven in het Asielzoekerscentrum aan [locatie] en hebben de Turkse en Egyptische nationaliteit. De Egyptische bestuurder mag geen arbeid verrichten in Nederland. In de auto werd iedere keer een bezorgbon en een warmhoudtas aangetroffen. De bestuurders verklaarden dat zij werkten voor [naam 1] en bestellingen bezorgden. In de bestuurlijke rapportage concludeert de politie dat gehandeld is in strijd met de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav) en adviseert verweerder gebruik te maken van bevoegdheden op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob). Primaire besluit 1 5. Op 10 september 2020 heeft verweerder geweigerd een exploitatievergunning te verlenen, omdat meerdere keren is geconstateerd dat [naam 1] geopend was voor publiek en een sanctie is opgelegd voor het niet op de juiste wijze afvoeren van afvalstoffen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Advies LBB 6.1 Op 12 oktober 2020 heeft het LBB negatief geadviseerd. Het LBB komt tot de conclusie dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet bibob. De conclusie dat hiervoor een ernstig gevaar bestaat is in dit geval gebaseerd op een zakelijk samenwerkingsverband tussen [naam 4] en [naam 2] en het vermoeden dat [naam 4] uitkeringsfraude heeft gepleegd over de periode 1 maart 2010 tot en met 31 januari 2019 en van 1 april 2019 tot 1 december 2019. Het zakelijk samenwerkingsverband is aangenomen omdat uit rapportages van de Sociale Dienst en de politie zou blijken dat [naam 4] feitelijk (mede)eigenaar is van [bedrijf] en [naam 2] zijn compagnon is, terwijl [bedrijf] als eenmanszaak op naam van [naam 2] staat ingeschreven in de KvK. Uit het onderzoek (van 4 april 2019 tot en met 4 december 2019) blijkt dat [naam 2] heeft beoogd de betrokkenheid van [naam 4] bij [bedrijf] te camoufleren. 6.2 Daarnaast komt het LBB tot de conclusie dat de gebleken feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat valsheid in geschrifte is gepleegd, omdat [naam 2] het bibob-vragenformulier niet naar waarheid heeft ingevuld. Zo heeft hij aangegeven niet betrokken te zijn (geweest) bij andere ondernemingen, terwijl dit wel het geval was. Daarnaast heeft hij niet aangegeven dat hij een uitkering van de Sociale Dienst heeft ontvangen, terwijl dit wel het geval was. En [naam 2] heeft niet aangegeven dat zijn onderneming (ook) met vreemd vermogen is gefinancierd, terwijl dit wel het geval was. Tenslotte heeft [naam 2] onvoldoende verklaard over openstaande schulden. Er is daarom sprake van een vermoeden dat een strafbaar feit is gepleegd ter verkrijging van de vergunning, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van Wet bibob. Primaire besluit 2 7.1 In het besluit van 26 november 2020 heeft verweerder besloten het besluit van 10 september 2020 te herroepen en de exploitatievergunning onder vermelding van een aanvullende motivering opnieuw te weigeren. Verweerder heeft aan het primaire besluit 2 ten grondslag gelegd dat de aangevraagde vergunning is geweigerd, omdat er een ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob en omdat is gebleken van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd zoals bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob. 7.2 Daarnaast heeft verweerder aan de weigering aanvullend ten grondslag gelegd het bepaalde in artikel 2.28 van de Algemene Plaatselijke Verordening [vestigingsplaats] 2019 (APV), omdat eiseres niet voldoet aan de eis dat een aanvrager van een exploitatievergunning niet in enig opzicht van slechts levensgedrag mag zijn. Verweerder heeft de vergunning ook geweigerd in het belang van de openbare orde en veiligheid en de bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 1:8, eerste lid, aanhef en onder a, b en d van de APV. Aanvullend advies LBB 8.1 Op advies van de commissie bezwaarschriften heeft verweerder om een aanvullend bibob-advies gevraagd. 8.2 Op 28 mei 2021 heeft het LBB een aanvullend advies uitgebracht. Daarin is aangegeven dat het zakelijk samenwerkingsverband tussen [naam 1] en [naam 4] weliswaar niet meer actueel is, maar nog wel van belang, omdat de zakelijke relatie recent is verbroken. Volgens het LBB is sprake geweest van een verhullingsconstructie waarbij [naam 2] de vermoedelijke uitkeringsfraude van [naam 4] heeft gefaciliteerd. Met betrekking tot de valsheid in geschrifte acht het LBB het niet waarschijnlijk dat de vragen op het bibob-vragenformulier abusievelijk onjuist zijn ingevuld. De verantwoordelijkheid voor het correct en volledig invullen van het bibob-vragenformulier ligt bij degene die het formulier heeft ondertekend. Bestreden besluit 9. Verweerder heeft het bestreden besluit onder verwijzing naar het advies van LBB en het aanvullend advies en het advies van de commissie bezwaarschriften ongegrond verklaard. Beroep 10. Eiseres bestrijdt in beroep, samengevat, zowel de inhoud als de conclusies van de LBB-adviezen en ook de conclusie van verweerder dat bij [naam 2] sprake zou zijn van slecht levensgedrag in de zin van artikel 2:28 van de APV. Ook heeft eiseres zich gemotiveerd gekeerd tegen de weigering van de vergunning op grond van het bepaalde in artikel 1:8, eerste lid, onder d van de APV. Beoordeling van de weigering van de vergunning op grond van de gegeven bibob-adviezen 11.1 Verweerder heeft zijn bevoegdheid tot weigering van de vergunning (mede) ontleend aan het bepaalde in artikel 3 van de Wet bibob (zie bijlage bij deze uitspraak). Uit de bibob-adviezen volgt dat volgens het LBB sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a van de Wet bibob, met andere woorden dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Daarnaast concludeert het LBB dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob, met andere woorden dat feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven vergunning een strafbaar feit is gepleegd. 11.2 Zoals de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen, mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel van het advies van het LBB uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. Van belang is in dit verband dat het bestuursorgaan in beginsel geen inzage heeft in de onderliggende broninformatie van het advies van het LBB, zodat eigen verificatie veelal niet mogelijk is. Dit betekent dat het bestuursorgaan in de regel op de weergave van de broninformatie door het LBB en de daaraan gegeven kwalificatie mag afgaan. Wel dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat de gestelde vragen op zodanige wijze zijn beantwoord dat op basis van het advies op zorgvuldige wijze en voldoende gefundeerd kan worden beslist . 12. LBB heeft geadviseerd dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet bibob, omdat [naam 4] vermoedelijk uitkeringsfraude heeft gepleegd en omdat tussen [naam 4] en [naam 2] in [bedrijf] sprake is geweest van een zakelijk samenwerkingsverband, en daarbij sprake is geweest van een sterke persoonlijke en zakelijke relatie tussen beiden. Bestaat er ernstig gevaar dat de vergunning wordt gebruikt om uit strafbare feiten verkregen voordeel te benutten ? 13. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder het gegeven advies op dit punt ten onrechte heeft gevolgd. Redengevend hiervoor is het volgende. 14.1 Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling vergt het met recht inroepen van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob dat aannemelijk is dat bepaalde strafbare feiten zijn gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar de adviezen van het LBB aannemelijk mogen achten dat door [naam 4] strafbare feiten zijn gepleegd bestaande uit het plegen van uitkeringsfraude ten bedrage van € 42.000,-. 14.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts op goede gronden geoordeeld dat eiseres in relatie staat tot de strafbare feiten gepleegd door [naam 4] als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob. Uit dit artikel volgt dat de betrokkene (in dit geval eiseres) in relatie staat tot de strafbare feiten, indien een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon (in dit geval [naam 4] ) in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan. 14.3 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband een zakelijke relatie moet bestaan die is gericht op samenwerking en die een zeker duurzaam en structureel karakter heeft. Ook zakelijke samenwerkingsverbanden uit het verleden kunnen in de beoordeling van de mate van het gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob worden betrokken. Het is volgens de Afdeling in dat geval wel aan het bestuursorgaan om te motiveren waarom een zakelijk samenwerkingsverband uit het verleden ook voor de toekomst een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob kan opleveren. 14.4 Uit deze jurisprudentie volgt dat het dus ook mogelijk is om verbroken (niet-actuele) relaties bij de gevaarsbeoordeling te betrekken. Niet alle verbroken relaties zijn echter even relevant. Het verbreken van alle banden met personen die (vermoedelijk) strafbare feiten hebben gepleegd kan leiden tot een vermindering van het gevaar, maar de aard van de verbroken relatie en bijkomende omstandigheden kunnen er dus ook toe leiden dat een verbroken relatie nog steeds een ernstig gevaar oplevert. Een ernstig gevaar kan bijvoorbeeld bestaan als in het verleden op criminele wijze is samengewerkt of als de betrokkene en de (rechts)persoon in kwestie in het verleden samen bij een verhullingsconstructie betrokken zijn geweest. 15.1 Uit de bibob-adviezen volgt dat [naam 2] eigenaar was van [bedrijf] , maar ook dat [naam 4] in dat bedrijf een sleutelrol heeft vervuld die door [naam 2] is gebagatelliseerd of verzwegen. Dit is gebaseerd op een onderzoek in de periode van 4 april 2019 tot en met 4 december 2019 en op verklaringen van [naam 2] . [naam 2] heeft over [naam 4] verklaard dat hij een goede vriend is, dat hij 3 á 4 dagen per week aanwezig is, maar alleen helpt met schoonmaken en met de post, dat [naam 4] soms de telefoon beantwoordt als een klant geen Engels spreekt, en dat [naam 4] de zaak soms opent of sluit, maar dat [naam 4] niet wordt betaald en dat [naam 2] hem af en toe mee uit eten neemt. Uit observaties en afgeluisterde telefoongesprekken blijkt echter dat [naam 4] een sleutelpositie inneemt in [bedrijf] . Uit tapgesprekken en observaties van de politie is namelijk naar voren gekomen dat [naam 4] , gedurende de onderzoeksperiode van acht maanden, het bedrijf [bedrijf] dagelijks opent en sluit en dat [naam 2] dit geen enkele keer heeft gedaan. Ook blijkt uit dit onderzoek dat het telefoonnummer van [naam 4] wordt vermeld in advertenties van [bedrijf] . Uit tapverslagen volgt dat [naam 4] aangeeft dat hij zich bezighoudt met de in- en verkoop van voertuigen en dat hij vier keer zoveel in de zaak heeft ingebracht als [naam 2]. 15.2 Nu uit het bibob-advies blijkt dat [naam 4] een sleutelrol had in het bedrijf [bedrijf] en [naam 4] elkaar al jaren kennen en bevriend zijn, heeft verweerder een zakelijk dienstverband tussen [naam 2] en [naam 4] aannemelijk kunnen achten. De stelling ter zitting dat het bibob-advies op dit punt onvoldoende inzichtelijk is, volgt de rechtbank niet, nu de feiten in het rapport voor de conclusies voldoende aanwijzingen bieden. Dat eiseres stelt in die periode geen grote financiële voordelen te hebben genoten, gezien de jaarcijfers over die periode, laat onverlet dat eiseres feitelijk [naam 4] voor zich liet werken terwijl [naam 4] een uitkering ontving. Dat [naam 2] niets wist van de uitkeringsfraude door [naam 4] , laat onverlet dat hij dit (wellicht) had kunnen weten nu [naam 4] dagelijks werkzaamheden voor hem verrichtte zonder daarvoor loon te ontvangen. De stelling dat slechts sprake is van een korte periode waarin is samengewerkt, zoals eiseres ter zitting heeft aangevoerd, is onvoldoende onderbouwd. Vaststaat dat [naam 2] heeft verklaard dat hij [naam 4] al jaren kent (vanaf 2016) en dat hij zeer goed bevriend met hem is. Ook staat vast dat het bedrijf [bedrijf] sinds 6 december 2018 op naam van [naam 2] staat. In de onderzoeksperiode van acht maanden is vastgesteld dat [naam 4] dagelijks bij [bedrijf] aanwezig was en werkzaamheden verrichtte, zodat verweerder gevolgd wordt in de stelling dat sprake was van een intensief zakelijk verband. Verweerder heeft immers de aard van de verbroken relatie beoordeeld. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat aannemelijk is dat sprake is van een zakelijke relatie met een duurzaam en structureel karakter. 15.3 Gelet op het feit dat de uitkeringsfraude door [naam 4] heeft plaatsgevonden in de periode dat er een zakelijk samenwerkingsverband was, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Dat de samenwerking tussen [naam 4] en [naam 2] inmiddels is verbroken heeft verweerder niet tot een ander standpunt hoeven leiden. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, onder verwijzing naar het aanvullend bibob-advies voldoende gemotiveerd dat nog steeds sprake is van een ernstig gevaar in de zin van artikel 3 van de Wet bibob. Daarbij is van belang dat het zakelijke samenwerkingsverband in het bedrijf [bedrijf] pas op 31 december 2020 is beëindigd, dat de aard van de relatie een duurzaam karakter heeft en dat het gaat om een verhullingsconstructie die vermoedelijke sociale verzekeringsfraude heeft gefaciliteerd. Verhuld is immers dat [naam 4] , die verdacht wordt van uitkeringsfraude, een sleutelrol in de onderneming heeft vervuld. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat verweerder in het bestreden besluit de Leidraad voor gevaarsbeoordelingen niet heeft betrokken, nu verweerder de aard van de verbroken relatie heeft beoordeeld. Gelet op het voorgaande mocht naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat nog steeds een groot risico bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Is terecht uitgegaan van het vermoeden dat valsheid in geschrifte is gepleegd om de vergunning te verkrijgen ? 16. Niet in geschil is dat eiseres vier vragen in het bibob-formulier onjuist/onvolledig heeft geantwoord. Het LBB heeft daarom in de adviezen van 12 oktober 2020 en 28 mei 2021 geconcludeerd dat vermoedelijk valsheid in geschrifte is gepleegd. Dit komt de rechtbank op zichzelf niet onredelijk voor. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019 waarin is overwogen dat het onjuist invullen van het bibob-formulier, de conclusie rechtvaardigt dat valsheid in geschrifte is gepleegd. Omdat het hier slechts om een vermoeden gaat, hoeft opzet niet vast te staan. De stelling van eiseres dat zij het formulier niet opzettelijk (maar omdat zij de Nederlandse taal niet goed machtig
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.