RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 9163638 \ CV EXPL 21-2622 Uitspraakdatum: 20 juli 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de rechtspersoon naar buitenlands recht AirHelp GmbH gevestigd te Berlijn (Duitsland) eiseres hierna te noemen Airhelp gemachtigde Lof Legal Services tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Turk Havayollari A.O. gevestigd te Ankara (Turkije) gedaagde hierna te noemen de vervoerder gemachtigde mr. H. Bulut-Yazir 1Het procesverloop 1.
- Airhelp heeft bij dagvaarding van 31 maart 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- Airhelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.
- [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: de passagiers) hebben een vervoersovereenkomst met de vervoerder gesloten voor een vlucht op 1 april 2019 van Bahrain International Airport (Bahrein) via Istanbul Havalimani Airport, Istanboel (Turkije) naar Amsterdam-Schiphol Airport. 2.
- De vlucht van Bahrein naar Istanboel (hierna: de vlucht) is geannuleerd. 2.
- De passagiers hebben op 14 en 17 september 2020 hun vermeende vorderingsrecht overgedragen aan Airhelp Limited. 2.
- Airhelp Limited heeft de vervoerder bij brief van 29 oktober 2019 (de kantonrechter begrijpt: 29 oktober 2020) aangemaand. 2.
- Airhelp Limited heeft bij akte van 28 januari 2021 het vermeende vorderingsrecht overgedragen aan Airhelp. 3De vordering en het verweer 3.
- Airhelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening, de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en de nakosten. 3.
- Airhelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Airhelp stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 1.200,
- 3.
- De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt, voor zover relevant, bij de beoordeling ingegaan. 4De beoordeling 4.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.
- De grondslag van de vordering van Airhelp is, zoals gezegd, de Verordening. Artikel 3 van de Verordening bepaalt de werkingssfeer van de Verordening. In artikel 3 lid 1 sub b staat dat de Verordening in beginsel van toepassing is op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven, zoals in deze zaak Bahrein, naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat, zoals in deze zaak Amsterdam-Schiphol Airport. Voorwaarde bij een dergelijke vlucht is blijkens artikel 3 lid 1 sub b echter wel dat de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is. De vervoerder is echter geen communautaire luchtvaartmaatschappij als bedoeld in artikel 2 sub c van de Verordening. De vervoerder is immers gevestigd in Turkije en dus niet in een lidstaat. De conclusie is dat de Verordening niet van toepassing is op de vlucht. De vordering van Airhelp zal daarom worden afgewezen. Omdat de Verordening niet van toepassing is, komt de kantonrechter verder ook niet toe aan de andere stellingen en verweren van partijen, en laat die dus onbesproken. 4.
- De proceskosten komen voor rekening van Airhelp, omdat deze ongelijk krijgt. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- wijst de vordering af; 5.
- veroordeelt Airhelp tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 248,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Jansen, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter