RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/081957-22 (P) Uitspraakdatum: 18 juli 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 juli 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] , wonende op het [adres] , thans gedetineerd in [detentieadres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.A. Huibers en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.L. Louwerse, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 02 april 2022 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu hij geen (vol of voorwaardelijk) opzet had op de invoer van de in zijn koffer aangetroffen heroïne. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat hoogstens de overtredingsvariant van artikel 2 onder A van de Opiumwet kan worden bewezenverklaard. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.2 Bewijsmotivering Ten aanzien van de vraag of de verdachte opzet heeft gehad op de invoer van heroïne in Nederland, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 2 april 2022 van Nairobi naar Nederland is gevlogen. Bij aankomst op luchthaven Schiphol is in de koffer van de verdachte 3,4 kilogram heroïne aangetroffen. Vooropgesteld wordt dat in zaken waarbij bij de inreis in Nederland in hand- of ruimbagage verdovende middelen worden aangetroffen, als uitgangspunt geldt dat een passagier bekend wordt verondersteld met en zelf verantwoordelijk is voor de inhoud van zijn bagage. Van een uitzondering op dit uitgangspunt kan slechts sprake zijn indien er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan moet worden geoordeeld dat die passagier met die inhoud niet bekend was, waardoor het opzet op de invoer, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat de verdachte zou worden betaald om te vliegen met een koffer waarin iets verstopt zat. Volgens de verdachte ging het hierbij om geheime documenten die in de voering van de koffer verstopt zouden zijn door of op aanwijzen van ene [naam] , die de verdachte anderhalve week voor zijn reis voor het eerst (fysiek) had ontmoet. Deze geheime documenten heeft de verdachte niet in de koffer gezien. Bij het bepalen van de reisroute spraken de verdachte en [naam] over welke scanapparaten op luchthavens werden gebruikt. Naar aanleiding daarvan regelde [naam] de tickets voor de verdachte. Er zou daardoor sprake zijn van een lange reis voor de verdachte, waardoor de verdachte tegen [naam] heeft opgemerkt dat sprake was van een ‘safari’. De verdachte kende degene die de koffer heeft gebracht en degene die de koffer in ontvangst zou nemen niet. De verdachte heeft naar eigen zeggen nog aan [naam] gevraagd of er geen drugs in de koffer waren verstopt, hetgeen er naar het oordeel van de rechtbank op duidt dat de verdachte zich wel degelijk bewust was van de kans daarop, maar hij heeft vervolgens genoegen genomen met de enkele ontkenning van [naam] . Door onder deze ongebruikelijke omstandigheden een koffer in ontvangst te nemen zonder te controleren wat er in de koffer verstopt zat, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in de koffer verdovende middelen als heroïne verborgen zouden zijn. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij heroïne zou invoeren in Nederland. De verdachte had daarom voorwaardelijk opzet op die invoer. 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.