← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:6948

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Zaanstad Zaaknr./rolnr.: 9863222 CV EXPL 22-1699 Uitspraakdatum: 28 juli 2022 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: de besloten vennootschap Freekids B.V. te Zaandam de eisende partij gemachtigde: De Schout Gerechtsdeurwaarders tegen [gedaagde] te [woonplaats] de gedaagde partij niet verschenen 1Het procesverloop 1.

  1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend. 2De beoordeling 2.
  2. De eisende partij vordert betaling door de gedaagde partij van € 201,21 (€ 797,86 hoofdsom, € 5,49 rente t/m 7 april 2022, € 40,00 buitengerechtelijke incassokosten, minus het reeds betaalde bedrag van € 642,14), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 8 april 2022 en de proces- en nakosten. 2.
  3. De eisende partij heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij, als handelaar, met de gedaagde partij, een consument, een overeenkomst heeft gesloten tot het verlenen van kinderopvang (hierna: de overeenkomst). Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677). 2.
  4. De eisende partij heeft naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate gesteld dat de overeenkomst digitaal tot stand is gekomen. Deze overeenkomst kwalificeert daarmee als een overeenkomst op afstand ex artikel 6:230g lid 1 sub e BW. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 onder a, b, c, e, f, g, i, h, j, o en p en 6:230v BW worden voldaan. 2.
  5. De eisende partij heeft naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. Zij heeft weliswaar gesteld dat aan die verplichtingen is voldaan, waarbij is verwezen naar de overgelegde printscreens van het aanmeldproces, maar – nog daargelaten dat de eisende partij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke delen van die productie relevant zijn voor haar standpunt – daaruit blijkt niet dat daarmee voldaan is aan artikel 6:230m lid 1 BW. Dat (een deel van) de precontractuele informatie als bedoeld in dat wetsartikel op de website van de eisende partij te vinden is, heeft zij niet onderbouwd met stukken. 2.
  6. Ook heeft de eisende partij onvoldoende toegelicht op welke wijze zij heeft voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW. De stelling van de eisende partij dat de gegevens aan de gedaagde partij zijn verstrekt middels een duurzame gegevensdrager, te weten in de online account en per e-mail, is niet onderbouwd met stukken. 2.
  7. De kantonrechter merkt verder nog op dat de eisende partij diverse producties heeft overgelegd, zonder (voldoende deugdelijk) te onderbouwen wat de kantonrechter daaruit zou moeten afleiden. Producties kunnen stellingen ondersteunen, maar niet vervangen. De partij die producties overlegt, moet inzichtelijk maken welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt van die partij. Een enkele verwijzing naar de producties is daarom onvoldoende. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. Dat betekent dat de eisende partij expliciet en op een duidelijke manier moet aangeven op welke productie welke informatie van artikel 6:230m lid 1 BW te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante informatie in de betreffende producties te arceren). Wat is hiervan het gevolg? 2.
  8. Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermelden en op grond van artikel 21 Rv moet de eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren. 2.
  9. De eisende partij heeft niet aan deze eisen voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen. Gelet op artikel 3.5 van het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton wordt de eisende partij niet meer in de gelegenheid gesteld om haar vordering bij akte alsnog nader toe te lichten en te onderbouwen. 2.
  10. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de door de eisende partij aan de vordering ten grondslag gelegde subsidiaire grondslag (ongerechtvaardigde verrijking) en de meer subsidiaire grondslag (onverschuldigde betaling). 2.
  11. De proceskosten komen voor rekening van de eisende partij, omdat zij ongelijk krijgt. Deze worden aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vastgesteld op nihil. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  12. wijst de vordering af; 3.
  13. veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.