RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 9663083 \ CV EXPL 22-604 Uitspraakdatum: 27 juli 2022 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: de stichting Stichting Kinderopvang Den Helder gevestigd te Den Helder de eisende partij gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor Vermeer Schutte & Musen B.V. tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats] de gedaagde partij niet verschenen 1Het verdere procesverloop 1.
- Bij tussenvonnis van 9 maart 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten. Op 11 mei 2022 heeft de eisende partij een akte ingediend. 2De verdere beoordeling 2.
- In het tussenvonnis is onder meer geoordeeld dat niet duidelijk was op welke wijze de tussen partijen gesloten kinderopvangovereenkomst (hierna: de overeenkomst) tot stand was gekomen (op afstand of binnen verkoopruimte). Verder heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat zij een nadere toelichting wenste over de wijze waarop de eisende partij aan haar informatieplichten heeft voldaan. 2.
- De eisende partij heeft in de akte van 11 mei 2022 een toelichting gegeven op de totstandkoming van de overeenkomst. Zij heeft gesteld dat de overeenkomst op afstand tot stand is gekomen en dat zij heeft voldaan aan de (pre)contractuele informatieplichten uit de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW). 2.
- De overeenkomst is digitaal tot stand gekomen en kwalificeert daarmee, zoals de eisende partij dus terecht stelt, als een overeenkomst op afstand. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 onder a, b, c, e, f, g, i, h, j, o en p en 6:230v BW worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, dient gemotiveerd te worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677). 2.
- Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft de eisende partij naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld en onderbouwd dat zij aan de betreffende (pre)contractuele informatieplichten heeft voldaan. Zij heeft weliswaar gesteld dat aan die verplichtingen is voldaan, waarbij is verwezen naar de overgelegde plaatsingsovereenkomst, de algemene voorwaarden, een overzicht van de prijs per maand en informatie over het incassotraject, maar dat is niet voldoende. Producties kunnen stellingen ondersteunen, maar niet vervangen. De partij die producties overlegt, moet inzichtelijk maken welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt van die partij. Een enkele verwijzing naar de producties is daarom onvoldoende. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. Dat betekent dat de eisende partij expliciet en op een duidelijke manier moet aangeven op welke productie welke informatie van artikel 6:230m lid 1 BW te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante informatie in de betreffende producties te arceren). Daaraan heeft de eisende partij niet voldaan. 2.
- Ook heeft de eisende partij onvoldoende toegelicht op welke wijze zij heeft voldaan aan de contractuele verplichting van artikel 6:230v lid 7 BW. De enkele verwijzing naar printscreens van het ouderportaal van de eisende partij, waarin volgens haar ‘belangrijke documenten zoals facturen, offertes en jaaropgaven, tarieven en getekende plaatsingsovereenkomsten’ staan, is daartoe onvoldoende. Nog daargelaten dat de eisende partij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke delen van die productie relevant zijn voor haar standpunt, is ook onvoldoende gesteld dat daarmee is voldaan aan artikel 6:230v lid 7 BW. Wat is hiervan het gevolg? 2.
- Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet de dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermelden en op grond van artikel 21 Rv moet de eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren. 2.
- De eisende partij heeft niet aan deze eisen voldaan. Daarom wordt de vordering afgewezen. 2.
- De proceskosten komen voor rekening van de eisende partij, omdat zij ongelijk krijgt. Deze worden aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vastgesteld op nihil. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- wijst de vordering af; 3.
- veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter