← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:729

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 9362308 \ CV EXPL 21-3861 KB Uitspraakdatum: 26 januari 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] wonende te [woonplaats 1] eiser verder te noemen: [eiser] gemachtigde: [gemachtigde] alsmede K.W.A. van der Meer, gerechtsdeurwaarder tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats 2] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] procederende in persoon De zaak in het kort [eiser] stelt dat hij aan [gedaagde] ruim € 15.000,00 heeft betaald voor de gezamenlijke aankoop van een appartement in Turkije, maar dat [gedaagde] het appartement (waarschijnlijk) nooit heeft gekocht. [eiser] vordert daarom terugbetaling van dat bedrag. De kantonrechter houdt het standpunt van [eiser] voor juist, omdat [gedaagde] niet op de zitting is verschenen en heeft erkend dat hij moet terugbetalen. [eiser] heeft daarom recht op terugbetaling. 1Het procesverloop 1.

  1. [eiser] heeft bij dagvaarding van 21 juli 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. 1.
  2. Op 29 december 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat [eiser] ter toelichting van zijn standpunt naar voren heeft gebracht. [gedaagde] is niet op de zitting verschenen. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij brief van 7 december 2021 nog stukken toegezonden. 2De feiten 2.
  3. Door partijen is in 2015 een schriftelijke overeenkomst gesloten voor de gezamenlijke aankoop van een appartement in Turkije, met de bedoeling om na verkoop de opbrengst te delen. 2.
  4. [eiser] heeft in 2015 een bedrag van € 13.000,00 en € 2.339,00 aan [gedaagde] betaald. Die bedragen waren bedoeld voor de aankoop door [gedaagde] van het appartement.
  5. De vordering en het verweer 3.
  6. [eiser] vordert, na vermindering van eis, dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 15.339,
  7. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] eerdergenoemd appartement (waarschijnlijk) nooit heeft gekocht. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] ook erkend dat hij het door [eiser] betaalde bedrag moet terugbetalen. 3.
  8. [gedaagde] betwist de vordering. [gedaagde] voert aan – samengevat – dat partijen inderdaad een overeenkomst hebben gesloten en dat de genoemde bedragen door [eiser] zijn betaald, maar [gedaagde] wijst erop dat hij kosten heeft gemaakt die in mindering moeten komen op de terugbetaling aan [eiser] . Verder stelt [gedaagde] dat hij nooit een ingebrekestelling heeft gehad. 4De beoordeling 4.
  9. Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 15.339,00 aan [eiser] . 4.
  10. [gedaagde] is met een brief opgeroepen voor de zitting, maar niet verschenen. [gedaagde] heeft dus geen vragen van de kantonrechter kunnen beantwoorden en heeft geen nadere inlichtingen of toelichting gegeven. Het gevolg daarvan is dat moet worden geconcludeerd dat [gedaagde] zijn verweer onvoldoende heeft toegelicht en gemotiveerd. Dat betekent dat het standpunt van [eiser] voor juist wordt gehouden. [gedaagde] heeft daarnaast ook erkend dat hij moet terugbetalen. 4.
  11. De vordering van [eiser] wordt daarom toegewezen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat die vordering toewijsbaar is op één of meer van de door [eiser] (mede op de zitting) genoemde gronden, te weten een tekortkoming, een onrechtmatige daad of een verplichting tot terugbetaling na ontbinding van de overeenkomst. 4.
  12. De stelling van [gedaagde] dat hij kosten heeft gemaakt kan niet worden gevolgd, omdat die stelling niet is onderbouwd en gemotiveerd. Het verweer van [gedaagde] dat hij geen ingebrekestelling heeft gehad, gaat niet op, omdat uit de stukken blijkt dat dit wel het geval is. 4.
  13. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  14. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 15.339,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 juli 2021 tot aan de dag van de gehele betaling; 5.
  15. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op € 123,52 aan kosten voor de dagvaarding, € 507,00 aan griffierecht en € 373,00 aan salaris voor de gemachtigde; 5.
  16. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.