← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2022:7686

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/710008-18 (ontneming) (P) Uitspraakdatum : 19 juli 2022 Tegenspraak Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 8 juni 2022 ten aanzien van het feit in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, derde lid, Sr in de zaak tegen: [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: de betrokkene. 1De vordering De officier van justitie heeft bij vordering van 8 juni 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 33.790,15 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor de betrokkene is gedagvaard om op 5 en 6 juli 2022 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank. 2Het verloop van de procedure De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de betrokkene om te verschijnen op de terechtzittingen van deze rechtbank op 5 en 6 juli

  1. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 5 juli
  2. Daarbij zijn gehoord de betrokkene, zijn raadsvrouw mr. Z. Boufadiss, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 19 juli
  3. 3Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en gepersisteerd bij de vordering. 4Het standpunt van de betrokkene en zijn raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat zij in de onderliggende strafzaak vrijspraak heeft bepleit van het aan de betrokkene tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen. 5De beoordeling van de rechtbank Bij afzonderlijk vonnis van heden van deze rechtbank is de betrokkene vrijgesproken van het hem in de – met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak – tenlastegelegde. Artikel 36e, eerste lid, Sr houdt in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, in verbinding met artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering, volgt dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet ontvangen in de vordering. 6Beslissing De rechtbank: Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door: mr. I.A.M. Tel, voorzitter, mrs. C.A.J. van Yperen en D.J. Straathof, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.S. Rietdijk, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 juli
  4. mr. Straathof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.