RECHTBANK NOORD-HOLLAND rechter-commissaris in strafzaken zittingsplaats Haarlem parketnummer : 15.212527.22 datum : 26 augustus 2022 Beslissing op een vordering tot machtiging bevel verwijderen personen en goederen (artikel 551a Wetboek van Strafvordering) in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en vooralsnog onbekend gebleven personen. Procedure De officier van justitie heeft op 23 augustus 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris de bovengenoemde machtiging verleent. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van de vordering een proces-verbaal overgelegd van de politie-eenheid Noord-Holland met kenmerk PL1100-2022167022 van 18 augustus 2022. De vordering heeft betrekking op het pand gelegen aan [adres] . Bovengenoemde verdachte [verdachte] is in aanwezigheid van haar raadsvrouw en de officier van justitie door de rechter-commissaris op 24 augustus 2022 gehoord. Beoordeling De raadsvrouw verzoekt primair om aanhouding van de zaak om het O.M. de gelegenheid te bieden nader onderzoek te doen, nu er geen sprake is van een evenwichtig of volledig dossier, en dit dossier bovendien op een te korte termijn voor de hoorzitting is verstrekt, waardoor een gedegen voorbereiding voor de verdediging niet mogelijk is geweest. Op de (on)volledigheid van het dossier komt de rechter-commissaris verderop nog terug, maar voor een aanhouding van de behandeling van de vordering biedt onderhavige procedure in beginsel geen ruimte, wellicht tenzij er sprake is van een omvangrijk en complex dossier (hier niet aan de orde), zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de Wet handhaving kraakverbod. Alleen in dat geval is de rechter-commissaris niet gehouden binnen 72 uur na het indienen van de vordering een beslissing te nemen. De wetgever heeft juist gekozen voor deze nieuwe procedure bij de rechter-commissaris om sneller dan voorheen een beslissing te kunnen krijgen omtrent ontruiming bij kraken. Een dossier dat niet beantwoordt aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden, doet dan ook andere consequenties dan een aanhouding in beeld brengen. Ten aanzien van de voorbereidingstijd wordt overwogen dat de korte tijd die niet alleen de verdediging maar ook de rechter-commissaris heeft gehad om het dossier te bestuderen, inherent is aan genoemde wettelijke termijn die de rechter-commissaris heeft gekregen om tot een beslissing te komen. De jurisprudentie en richtlijn waar de raadsvrouw in dit kader naar verwijst, zien op gevallen waarin vervolging en/of voorlopige hechtenis aan de orde zijn, anders dan hier het geval is. Overigens hebben de rechters-commissarissen en raadslieden bij vorderingen van de officier van justitie die wel op de voorlopige hechtenis zien (inbewaringstelling) veelal omvangrijkere dossiers om te bestuderen en minder voorbereidingstijd dan hier het geval is geweest. Tot slot wijst de rechter-commissaris er op dat ook uit de inhoud en omvang van de pleitnota blijkt dat de raadsvrouw de hoorzitting gedegen heeft kunnen voorbereiden. Al het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek tot aanhouding moet worden afgewezen. Voorts stelt de raadsvrouw dat artikel 551a lid 3 Sv en de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden doordat alleen verdachte van de vordering en hoorzitting in kennis is gesteld en dus niet haar medebewoners. Bovendien is verdachte slechts telefonisch geïnformeerd en daarmee niet deugdelijk en in strijd met artikel 36a Sv opgeroepen. De rechter-commissaris overweegt in dit verband het volgende. Verdachte is inderdaad telefonisch in kennis gesteld van de vordering en de hoorzitting. Zij is evenwel, in het bijzijn van haar raadsvrouw, bij de hoorzitting verschenen en heeft het woord ter verdediging kunnen voeren. In de Memorie van Toelichting bij de Wet handhaving kraakverbod wordt geopperd om bij wijze van oproeping een plakkaat op het gekraakte gebouw aan te brengen. Dit verdient in bepaalde gevallen – bij gebreke van voldoende informatie omtrent de hoeveelheid krakers en hun exacte persoonsgegevens – in het vervolg wellicht de voorkeur, maar de rechter-commissaris ziet in de onderhavige gang van zaken geen reden om niet tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering te komen, nu de verdachte daarmee niet (wezenlijk) in haar belangen is geschaad. Dat geldt ook voor haar medebewoners, nu verdachte heeft aangegeven dat zij die in kennis heeft gesteld van de vordering en de hoorzitting. Zij hebben er kennelijk zelf voor gekozen om niet te verschijnen en niet het woord te voeren. Tot slot wijst de rechter-commissaris er op dat uit de Memorie van Toelichting blijkt dat volstaan kan worden met het horen van een enkele kraker als vertegenwoordiger van de hele groep omdat de groep als een huishouden moet worden beschouwd dat als geheel een gezamenlijk huisrecht claimt waarop inbreuk wordt gemaakt. De rechter-commissaris hoeft daardoor niet voor alle krakers afzonderlijk de inbreuk op het huisrecht te beoordelen. Inhoudelijk betwist de raadsvrouw in de eerste plaats dat uit het dossier blijkt dat verdachte wederrechtelijk in het pand heeft vertoefd. Bovendien is, in geval van wederrechtelijk vertoeven, niet vastgesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan huisvredebreuk (artikel 138 Sr) of kraken (artikel 138a Sr). De betwisting van de wederrechtelijkheid kan de rechter-commissaris niet goed plaatsen. Het staat immers vast dat verdachten geen eigenaar van het pand zijn, geen huurovereenkomst hebben gesloten of op een andere geldige titel daar verblijven. Dit volgt onder meer uit de aangifte en de verklaring van verdachte [verdachte] tijdens de hoorzitting. Het door de raadsvrouw gevraagde nader vaststellen van de verdenking (artikel 138 of 138a Sr) is niet nodig, omdat dit geen juridische consequenties meebrengt binnen het kader van de beoordeling van de onderhavige vordering. Uit die vordering en het ondersteunende proces-verbaal van politie blijkt dat de in de vordering genoemde NN-personen worden verdacht van een misdrijf als omschreven in artikel 138 en/of artikel 138a Sr, dat wil zeggen huisvredebreuk/lokaalvredebreuk en/of kraken. Deze verdenking maakt dat de officier van justitie op de voet van artikel 551a Sv een vordering als hier aan de orde kan indienen, dus ongeacht de vraag of het gebruik van het pand door de rechthebbende is beëindigd als bedoeld in artikel 138a Sr. Voorts wijst de raadsvrouw op het huisrecht van verdachte, zoals dat in artikel 8 EVRM is neergelegd, welk recht ook aan krakers toekomt. Bij gevorderde ontruiming van een pand en daarmee samenhangend verlies van woonruimte voor de bewoners, moet de proportionaliteit van die vergaande inbreuk op het huisrecht door de rechter worden getoetst, en beoordeeld worden of de belangen van de bewoners dienen te prevaleren. De raadsvrouw concludeert ook aan de hand hiervan dat de vordering moet worden afgewezen. De rechter-commissaris komt in dit verband tot de volgende overwegingen. Het in zoverre door de raadsvrouw geschetste kader is in overeenstemming met het recht. De rechter-commissaris dient te beoordelen of er uitzonderlijke omstandigheden zijn die ertoe nopen het huisrecht van de krakers te laten prevaleren boven het kraakverbod. De toets die hieraan ten grondslag ligt, dient gelijk te zijn aan de afweging die voorheen door de civiele rechter werd gemaakt, zodat voldoende tegemoet wordt gekomen aan het bepaalde in artikelen 8 en 13 EVRM, nu een beslissing tot ontruiming vergaande consequenties heeft. Deze toets moet zorgvuldig zijn en niet marginaal. In het kader van de afweging van de belangen van de betrokken partijen die in dit verband moet worden gemaakt, is het aan de zijde van de eigenaar van het pand primair van belang dat die voldoende concreet onderbouwt dat hij een spoedeisend belang bij ontruiming heeft. De ontruiming van een gekraakt pand mag namelijk niet tot ongerechtvaardigde leegstand leiden. Het huisrecht van de krakers dient bij ongerechtvaardigde leegstand te prevaleren. Uit het aan de vordering ten grondslag gelegde dossier komt het volgende naar voren. Aangever – mede-eigenaar van het pand – stelt dat hij met anderen het pand op 8 juni 2021 heeft gekocht. Er worden in het pand nieuwe appartementen gebouwd. Dit ligt momenteel stil in verband met de bouwvakantie. Op 19 juli 2022 ontving de eigenaar een rapport, inhoudend dat begonnen zou kunnen worden met sloopwerkzaamheden in het pand. De werkzaamheden zullen op 22 augustus 2022 weer worden opgepakt. De rechter-commissaris constateert evenwel dat deze stellingen in aanmerkelijke mate geen steun vinden in de bij de aangifte gevoegde stukken. Bij rapport van 19 juli 2022 is inderdaad door een onderzoeksbureau geconstateerd dat het pand asbestvrij is, maar daaruit volgt nog niet dat begonnen kan worden met sloopwerkzaamheden. Sterker, bij de stukken zit een ‘procedurebevestiging’ van de gemeente Zaanstad d.d. 5 augustus 2022, waarin is vermeld dat de gemeente een aanvraag voor een omgevingsvergunning op 31 mei 2022 heeft ontvangen, dat de beslistermijn zes maanden bedraagt en verlengd kan worden, en dat pas mag worden begonnen met de uitvoering van het project nadat de omgevingsvergunning is verkregen. De aanvraag wordt op het moment van schrijven, dus op 5 augustus 2022, nog getoetst op volledigheid. Dit roept de vraag op of de eigenaar van het pand daar al aan de slag kan gaan en daadwerkelijk zal gaan, nu stukken waar dat uit volgt ontbreken. De aangever is niet bij de hoorzitting van 24 augustus 2022 aanwezig geweest. Nu volgt uit de wet weliswaar niet dat de aangever daar een spreekrecht heeft, maar in het kader van de in zekere zin civielrechtelijke toets die moet plaatsvinden, achtte de rechter-commissaris het van belang dat die nader kon ingaan op het voorgaande. De korte duur van de procedure heeft in dit geval tot gevolg gehad dat de aangever pas een uur voorafgaand aan de hoorzitting daarvan in kennis is gesteld. Dat hij op een dergelijk korte termijn niet in staat was te verschijnen, kan hem niet worden verweten. De rechter-commissaris heeft om die reden in de ochtend van 25 augustus 2022 telefonisch contact met hem opgenomen en hem daarbij in de gelegenheid gesteld (met stukken) zijn gestelde spoedeisende belang voortvarend nader te onderbouwen. De aangever heeft daarbij gesteld dat hij een sloopvergunning heeft aangevraagd om met sloopwerkzaamheden in het pand te kunnen beginnen. Die vergunning zou voor toewijzing gereed liggen en ieder moment verstrekt kunnen worden. Hij heeft de rechter-commissaris in de avond van 25 augustus 2022 de schriftelijke aanvraag doen toekomen. Hierbij valt de rechter-commissaris op dat de aanvraag van de sloopvergunning van 18 augustus 2022 is, terwijl de aangifte bij politie met bovenvermelde inhoud reeds op 16 augustus 2022 was gedaan. Een (schriftelijke) toezegging dat de sloopvergunning zal worden verleend, heeft de aangever (op deze korte termijn) niet kunnen overleggen. De rechter-commissaris is ingevolge het voorgaande van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen, nu de aangever – en voor hem de officier van justitie – niet heeft kunnen aantonen dat hij een spoedeisend belang heeft bij ontruiming van het betreffende pand, waardoor het huisrecht van de krakers in dit geval en bij deze stand van zaken dient te prevaleren. De rechter-commissaris hecht er aan op te merken dat het Openbaar Ministerie zich zal moeten realiseren dat deze nieuwe procedure, die een civielrechtelijk karakter heeft maar in een strafrechtelijk format is gegoten, alsmede de zeer korte duur van de procedure, meebrengt dat het indienen van een vordering als de onderhavige voorafgegaan moet worden door een gedegen onderzoek dat antwoord geeft op de wezenlijke vragen die door de rechter-commissaris beantwoord moeten worden. Deze procedure leent zich er niet voor om na het indienen van de vordering de onderbouwing daarvan nog te moeten completeren. Beslissing De rechter-commissaris: - wijst de vordering af. Deze beslissing is op 26 augustus 2022 genomen door mr. H.A. Stalenhoef, rechter-commissaris.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.