RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.069033.20 (P) Uitspraakdatum: 13 september 2022 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 augustus 2022 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum en -plaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Hobbelink en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. G. Kaaij, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 10 maart 2020 te Berkhout, gemeente Koggenland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (autobus, merk VDL, voorzien van kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, Westeindezich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door –terwijl er voor inhalen te weinig ruimte was- zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met onverminderde snelheid, althans zonder zijn snelheid aan te passen aan de situatie ter plaatse, een groep fietsers in te halen en daarbij in botsing of aanrijding te komen met een van die fietsers waardoor aan die fietser (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten inwendig bloedverlies en/of een of meerdere botbreuken en/of een hersenkneuzing en/of een gescheurde middenrif en/of een klaplong en/of een gescheurde milt, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 10 maart 2020 te Berkhout, gemeente Koggenland als bestuurder van een voertuig (autobus, merk VDL, voorzien van kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, Westeinde, –terwijl er voor inhalen te weinig ruimte was- met onverminderde snelheid, althans zonder zijn snelheid aan te passen aan de situatie ter plaatse, een groep fietsers heeft ingehaald en daarbij in opgebotst en/of is aangereden tegen een van die fietsers, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Er is slechts sprake geweest van een inschattingsfout. Uit het proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval van de afdeling Verkeersongevallenanalyse (VOA) kan niet de conclusie worden verbonden dat er geen ruimte was om de groep fietsers in te halen. Volgens de raadsman kan de raadsman slechts tot een bewezenverklaring komen van het subsidiair ten laste gelegde feit. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.2 Nadere bewijsoverwegingen Feiten en omstandigheden Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast. Op 10 maart 2020 vond een ernstig ongeval plaats aan het Westeinde te Berkhout tussen een fietser en een lijnbus. De rijbaan van het Westeinde bestaat ter plaatse van het ongeval uit één rijbaan, bestemd voor verkeer uit beide richtingen. Op deze rijbaan zijn door middel van onderbroken witte belijningsstrepen zogenaamde fietssuggestiestroken aangebracht, welke waren voorzien van rood asfalt. Ter plaatse van het ongeval had de rijbaan van het Westeinde een breedte van ongeveer 5.10 meter. Het wegdek was door eerdere regenval vochtig/nat. Ter plaatse geldt een maximum snelheid van 50 kilometer per uur. Op het moment van de botsing reed de verdachte volgens berekening 47 kilometer per uur. De verdachte reed die ochtend omstreeks 07:45 uur als bestuurder van een lijnbus van [naam 1] op Westeinde in de richting van de Kerkebuurt te Berkhout. Ter hoogte van perceel [adres 2] haalde de verdachte drie naast elkaar rijdende fietsers in. Hij minderde daarbij geen snelheid. Bij deze inhaalmanoeuvre werd de buitenste fietsster, het slachtoffer [slachtoffer], geraakt door de beugel van de rechter buitenspiegel van de bus. Deze beugel met buitenspiegels klapte door de botsing naar binnen. Door de botsing kwam het slachtoffer ten val op het wegdek en werd zij overreden door het rechter achterwiel van de lijnbus. Het slachtoffer raakte ten gevolge van de aanrijding zeer ernstig gewond en moest gereanimeerd worden. In het ziekenhuis is geconstateerd dat zij ernstig (inwendig) letsel had, te weten meerdere botbreuken aan zowel de schedel, arm, bekken en ribben, en daarnaast een hersenkneuzing, een gescheurd middenrif en milt en een klaplong heeft opgelopen. Het slachtoffer is nog steeds herstellende. Schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW? De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de verdachte schuld heeft, en zo ja in welke mate, aan het verkeersongeval. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende. Algemeen kader Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Het gedrag van de verdachte dient daarvoor te worden afgemeten aan dat wat van een bestuurder van een motorrijtuig in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Daarnaast dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Voorts volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. In deze zaak Vaststaat dat de verdachte als bestuurder van een lijnbus bij een inhaalmanoeuvre in botsing is gekomen met een fietser, waarbij de fietser ernstig letsel heeft opgelopen. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij vlak vóór de botsing eerder op die weg fietsers en auto’s had ingehaald. Hij weet dat de autobus zonder uitgeklapte spiegels 2.50 meter breed is en dat de ruimte op die weg om een groep fietsers in te halen, krap is. Voordat hij is gaan inhalen, heeft hij gekeken naar het tegemoetkomende verkeer en in hoeverre er ruimte was om in te halen en heeft daarbij naar eigen zeggen een inschattingsfout gemaakt. De fietsers reden in een groep en uit de beweging binnen de groep kreeg hij de indruk dat de fietsers wisten dat de bus eraan kwam en dat er ruimte voor hem werd gemaakt. Bij de inhaalmanoeuvre raakte hij met de buitenspiegel de fietser, waardoor de buitenspiegel naar binnen klapte en hij het zicht verloor. Hij heeft niet geclaxonneerd om de groep met fietsers te waarschuwen. Hoewel de verdachte spreekt over een inschattingsfout, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de verkeerssituatie op dat moment volledig verkeerd heeft beoordeeld. De verdachte als bestuurder van een grote lijnbus wist dat verkeerssituatie op die weg krap is om medeweggebruikers in te halen, zeker wanneer het gaat om het inhalen van een groep van schoolgaande kinderen, waarvan het fietsgedrag onvoorspelbaar is. Op het moment van inhalen werd in de groep met meer dan 2 personen naast elkaar gefietst. Desondanks heeft de verdachte het besluit genomen de groep in te halen zonder zijn snelheid aan de situatie aan te passen. Bovendien heeft hij geen signaal afgegeven voor zijn aanwezigheid en zijn voornemen om de groep te passeren. In tegenstelling tot het standpunt van de raadsman was naar het oordeel van de rechtbank op het moment van inhalen, gelet op de breedte van de autobus, de totale breedte van het wegdek en de ruimte die een drietal naast elkaar fietsende personen in beslag neemt, onvoldoende ruimte aanwezig om de groep op een veilige en verantwoorde wijze in te halen en was een botsing met de fietser onvermijdelijk. De rechtbank merkt hierbij op dat de resterende ruimte zelfs nog beperkter moet zijn geweest door de uitgeklapte buitenspiegels, nu die niet in de breedtemeting van de autobus zijn meegenomen. Juist bij het inhalen van groepen fietsers moet een bestuurder van een bus extra alertheid en voorzichtigheid betrachten, hetgeen de verdachte, ondanks zijn ruime ervaring als beroepschauffeur, heeft nagelaten. Niet valt in te zien waarom de verdachte nabij de volgende bushalte de groep besloot in te halen, terwijl hij naar eigen zeggen niet onder tijdsdruk stond. Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW. Zij merkt het rijgedrag van de verdachte daarbij aan als aanmerkelijk onvoorzichtig. Daarmee is het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 3.4 weergegeven. 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.